Ze put me uit

Ik wil haar de straat op sleuren, haar voeten over het plaveisel schrapend, haar bruine lokken in mijn vuist geklemd. Ik wil haar lijf tegen een paal rammen, haar neus breken op een muurtje, haar klauwende vingers pletten onder de eerste de beste kei. Ik ken haar, of denk haar toch te kennen. Haar lange lijf. Wat zich daarin afspeelt. Haar blauwe ogen. Wat zich daarachter roert. Ik wil haar schreeuwen smoren, over haar heen knielen en met mijn volle gewicht haar keel dichtknijpen, mijn knieën zwaar op haar bovenarmen. Ik wil haar zien vechten, en tenondergaan.

Ik wil haar pijn doen, omdat. Omdat ze denkt. Omdat ze weet. En omdat ze handelt, doet, omdat ze ermee weg komt. Ik wil haar breken, opdat enkel wat flarden voelen overblijven. Wat dat dan is, en of ze wel weet hoe daarmee om te gaan. Ik wil haar radeloosheid zien, ik wil weten wat er onder al die gepolijste fouten zit. Ik wil haar bezitten. Ik wil dat haar lijf precies om mijn lichaam past. Ik wil dat ze klopt, samenvalt met het leven zoals het kan zijn.

Ik wil haar filteren. Ik wil haar dwingen te leren wat echt is, wat niet. Ik wil dat ze ontrafelt, uitvouwt, schoonspoelt. Ze put me uit. Ze is koningin van het balanceren. Niemand kan overhellen zoals zij, ver, verder, nog verder, ze valt nooit. Deze kant op, dan weer de andere kant. Ze lijkt alles te willen, niets te willen – niets te weten, alles te weten. Ze lijkt zichzelf te handhaven. Maar ik weet beter. Ik weet dat ze voren trekt. Dat ze oogkleppen naait. Groter, nog groter, totdat de wereld vanuit iedere ooghoek haar eigen creatie lijkt. Ik weet dat ze het bloeden stelpt met diepere wonden. Dat ze verdrinken voorkomt door dieper te duiken. Ik weet dat ze zich vastklampt door het zo ver mogelijk van zich af te smijten.

En ik wil haar. God wat wil ik haar. Ik wil haar breken. Ik wil haar kapotmaken, ieder bot, iedere centimeter. Ik wil haar op een hoop vegen en in een hoek laten liggen. Tot alle leugens eruit gesijpeld zijn, alle woede geblust, alle leven zoals zij het kent verdwenen is. En dan wil ik haar oprapen. Niet eerder. Haar schouders rond mijn schouders draperen, haar buik om de mijne spannen, haar vingers vullen met mijn eigen handen. Haar hoofd. Haar hart. Uitgeschraapt. Leeggeroofd. En dat ík daar dan in pas. Zoals het al die tijd had gemoeten.