Mot

Ik ben nog geen twee minuten op mijn werk, of ik word al gebeld. Kun je komen helpen? Er is een flinke lekkage gaande in een van de andere garages, precies bij de hal met alle betaalautomaten, waar iedereen doorheen moet. Ik haast me erheen.

De hele hal staat blank en het water gutst letterlijk uit het plafond. We hozen zo snel als we kunnen, en ondertussen is een rioleringsbedrijf naarstig op zoek naar de kiem van ons probleem. Helaas op zaterdagmankracht oftewel één persoon, maar toch. Terwijl wij met trekkers, emmers en bezems in de weer zijn, moeten er constant mensen door de hal de garage in of uit. Men reageert gelukkig sympathiek, en is zonder uitzondering onder de indruk van de lekkage.

Mijn collega en ik hebben al snel een systeem te pakken, en dat gaat best heel aardig, naar omstandigheden. We hebben geregeld zo’n halve minuut om beurten tijd om even de schuifdeuren uit te rennen om de rioleringsman te vragen of het gaat, hij hulp nodig heeft, al een oorzaak heeft, en vooral een oplossing. De rioleringsman heeft zowaar een strijdplan, en een hypothese. Hij gaat de afloop op het dak leegzuigen, die zal verstopt zijn, en dan gaat het hopelijk weer in juiste buizen… eh banen geleid worden, in plaats van ernaast.

Zo gezegd, zo gedaan. Collega gaat het dak op, gooit een tuinslang over de rand, waar rioleringsman zijn zuigmondslangrolhoosdinges aan vastknoopt. Collega takelt het gevaarte omhoog terwijl rioleringsman zijn afzuigsysteem in werking zet in zijn wagen, en ook het dak weer opzoekt. Ondertussen hoos ik verder en duim dat de lekkage dadelijk zal stoppen. Ik hoor kloink en flot en boemp en pfrt en dan begint het grote zuigen. Het lukt, zo wordt er vanaf het dak geroepen, maar helaas maar deels. ‘De rest spuiten we door’ roept rioleringsman. De lekkage neemt zienderogen af, ik sta al bijna te juichen! Maar dan.

Dan spuit er opeens bruin troebel water de hal in. Niet vanaf het plafond, gek genoeg, maar vanaf de onderkant van de muur, net op de grens met de vloer. De modder spuwt met liters tegelijk de vloer op. Shit. Ik ren naar buiten en roep de laatste ontwikkelingen het dak op. ‘Verdomme, dan is de rioleringsbuis in de muur gesprongen’ zucht rioleringsman en ik zie het resterende sprankje motivatie uit zijn ogen verdwijnen.

Flotsj

Weer beneden aangekomen neemt hij de schade op, en weet wat hem te doen staat. De straattegels moeten los, en de rioolbuis moet gezocht worden. Deze garage is niet ons eigendom, dus wij hebben geen bouwtekeningen en de eigenaar is uiteraard onbereikbaar op zaterdag. Al vloekend dat er architecten zijn die gebouwen neerzetten zónder kruipruimte, schept hij kilo’s zand uit verschillende gaten. Collega en ik hozen ondertussen het bruine-water-met-putlucht naar buiten, wat eigenlijk nog erger is dan het regenwater van daarstraks, maar hup, we gaan ervoor.

Af en toe lopen we weer naar buiten om rioleringsman, bezweet en in de regen, bij te staan in het blinde gokwerk van ‘waar zullen we dan nu nog proberen te graven?’, maar het mag allemaal niet baten, er is geen rioolbuis te vinden in de buurt.

Ik zie een hele grote mot tussen het opgegraven zand liggen. Hij spartelt op z’n rug. ‘Oh, die leeft nog!’, zeg ik al hozend. Collega knikt en pakt meteen een schep om het beest van de ondergang te redden. Helaas gooit rioleringsman er alweer een nieuwe lading zand op, dus terwijl collega weer verder hoost, pak ik een in de buurt liggende schroevendraaier en houd hem boven opdekopmot. Die blijkt gelukkig over het instinct te beschikken om de schroevendraaier met zes poten vast te grijpen, dus hup, daar takel ik hem al uit het zand.

Hij is echt mooi en groot, opdekopmot. Ik kijk om me heen en zoek – hier midden in het stadscentrum – een veilige plek voor hem. Daar verderop naast de prullenbak staat een boom in een postzegel groen. Ik heb een doel. Terwijl ik erheen loop, glippen zes pootjes van opdekopmot van het gladde schroevendraaiermetaal en boem, opdekopmot valt (alweer op de kop) op de grond. ‘Ja, wel een beetje je best doen hè jongen’ moedig ik hem aan, en laat hem zich weer opnieuw vastgrijpen.

We zijn bij de boom aangekomen, en ik hurk neer. Opdekopmot hangt op de kop aan de schroevendraaier, en laat los. Boem. Hij valt op de modderige bodem rond de boom. Alwéér op de kop. Ik grinnik, en zucht ‘Volgens mij wíl jij helemaal niet gered worden!’ terwijl ik hem zachthandig probeer om te draaien.

Vanuit mijn perifeer gehoor (u snapt me wel) dringt er langzaam geluid tot me door: ‘Ohhhh, ieuw! Ieuw! Ieeeks! Ieeeeuw! Ahhhh! Iiieeeeks!’ Ik kijk op en zie een stelletje langs me lopen. Het meisje is degene die al kronkelend die klanken uitstoot, terwijl de jongen lachend doorstapt. ‘Ja maar die is ECHT heel groot! Ja maar eeeheeecht!’ Ik grijns naar haar. ‘Sorry…’ Ze loopt armfladderend en ieuw-roepend angstig langs me. De overige mensen op straat en rioleringsman en ook ikzelf moeten een beetje gniffelen om het fobische meisje. Ik zie dat nietmeeropdekopmot nu eindelijk veilig zit uit te blazen en sta op om collega weer af te wisselen met hozen.

Ik loop de hal in, en daar staat fobisch meisje nog steeds tegen haar vriendje te ieksen: ‘Ja maar echt! Als ik díe in mijn huis zou tegenkomen, dan zou ik verhuizen!’ Nu moet ik hardop lachen, en collega ook. Vriendje ook trouwens, maar die slaat toch ook maar een arm om haar heen terwijl hij haar voorzichtig wegleidt, de garage in.

Grijnzend en met hernieuwde krachten hoos ik me weer een slag in de rondte. Door dit kleine intermezzo lijkt het net iets lichter te gaan, lijken alle spierpijnen die ik voel (na al ruim twee uur dezelfde hoosbewegingen maken) net een tikkie minder pijnlijk, lijken de modderspatten op mijn gezicht net iets minder goor.

Ondertussen heeft rioleringsman alle hoop laten varen de buis rondom de hal te vinden, en zoekt hij naar een tijdelijke noodoplossing om het tot maandag te redden, om dan maar een door-de-buis-camera-inspectie te laten doen, zodat we de ingestorte rioolbuis kunnen traceren. We bricoleren op het dak een afsluiting van de afwatering, stoppen overal zo goed en zo kwaad als het kan alles dicht en hoezee, na een kwartier hebben we zowaar geen troep meer de hal in lekken. Het is echt een noodoplossing, een tijdbom zou ik zelfs zeggen, maar als het tot maandag goed gaat, zijn wij tevreden.

‘Die muur moet waarschijnlijk opengekapt worden.’ We knikken. Wij weten als geen ander hoeveel liters water de afgelopen drie uur hieruit gestuwd zijn. Maar nu zijn we hongerig, lichamelijk moe en geestelijk murw. Voor nu zijn we dus, kortom, tevreden met wat we hebben geknutseld. We bedanken rioleringsman, we hozen het laatste water zo goed als het gaat uit de hal en dan is het tijd om weer naar onze overige zeven garages te gaan, die moeten tenslotte ook nog de nodige aandacht hebben. Dag rioleringsman, dag collega, dag omstanders. Ik loop richting ‘mijn wijk’, maar draai me nog één keer om.

Ik kijk naar de voet van boom. Nietmeeropdekopmot is nergens meer te bekennen.

‘Dag opdekopmot’ fluister ik, en zet mijn kraag rechtop tegen de regen. De neiging een huppelende klapwiekbeweging te maken onderdruk ik, want ik ben tenslotte in werktenue.

Svp invoeren in daarvoor bestemde opening

De lamp beneden in de gang is nog aan.
Ze heeft geen zin meer om haar warme bed te verlaten, en de kat die tegen haar maag gekruld ligt weer te doen opschrikken. Maar ze kan er eigenlijk niet tegen – slapen moet in doodse donkerte. Ze slaapt licht, en haar brein is gevoelig voor de zonsopkomst. De ramen zijn van rolluiken voorzien, en de wekkerradio staat aan de andere kant van de kamer op de minst felle stand. Zelfs haar telefoon draait ze om op het nachtkastje, om het rode oplaadledje niet te zien.

Licht dus. Van beneden. Door de kieren van de deur. Ze doet haar ogen dicht maar achter haar oogleden resoneert het gele schijnsel nog door. Ze trekt het dekbed over haar hoofd. In het verleden waren er vriendjes die zich daarover verbaasden: kun jij slapen zonder zuurstof? Ze had meer dan één keer uit proberen te leggen dat je prima adem kunt halen onder de deken. Gewoon iets verderop een tunneltje maken, maar mensen zijn claustrofobisch by default en dus herhaalde de conversatie zich door de jaren heen. Zelfde verbazing, ander lijf.

Ze weet dat ze het licht eigenlijk niet ziet, zo onder het dekbed met gesloten oogleden, maar het idéé van licht plakt op haar oogbollen. Ze sluit de deken helemaal af rondom haar hoofd, en spert haar ogen wagenwijd open. Zie, brein: pure, onversneden donkerte. Kunnen we dan eindelijk gaan slapen? Wanneer ze nu opnieuw haar ogen sluit, lijkt het wél pikzwart. Ze leeft al lang genoeg om haar hersenen om de tuin te leiden.

Deels dan, want de nacht is de nacht niet, voordat willekeurige gedachten door de slaapkamer kruipen. Stroperig smeren ze zich uit over de deken, slepen zich langs de kat omhoog, vormen een poeltje rondom haar keel tot ze vanzelf haar oren in sijpelen.

Een Legomotortje in je haar gedraaid. Huilen want het deed pijn, de hoofdhuid opgerekt onder het zoemend geluid van het gefrustreerde opwindmechanisme dat niet meer verder kon. Dat was nog uit de tijd dat ze een hekel aan haar krullen had. Pluizig stro. Ze hadden een tijd lang een dwerghamster. Dotje. Tot de kooi na het schoonmaken open was blijven staan, toen hadden ze geen dwerghamster meer. Een knikker in je neus. Naar de dokter. Een erwt in je neus. Naar de dokter. Ze was erg koppig als het op voortschrijdend inzicht aankwam. Toen al.

Knikkers in neuzen werden door de jaren heen vervangen door lichaamsdelen van net iets te onzekere jongens in – nu ja, ze dacht dat dat volwassen zijn was. Relaties, intimiteit, liefst met personen die daar niets mee te maken wilden hebben. Want dan had je weinig risico en veel project. Project nummer zoveel vond het ook raar dat alleen haar krullen boven de deken uitstaken ‘s nachts. Zoals hij zoveel raar aan haar vond. Ze deed er luchtig over, maar stelde een mentale lijst op van Dingen Die Men Raar Kan Vinden. Onthouden. Aanvullen. Regelmatig overlopen.

Ze kijkt hoe laat het onderhand is, 1:41 uur en nu had ze het ganglicht weer gezien dus moet ze hetzelfde trucje weer gaan herhalen. ‘Mezelf de keel uit hangen’ dacht ze. Uit de keel, in de neus, voorbij de complexen en recht het hart in. Maar nu eerst slapen. De spelregels van het leven: jezelf dingen opleggen en er keihard in geloven. Want regels zijn regels. Je vraagt aan een dame niet hoe oud ze is. Over het aantal bedpartners liegt ze uit zichzelf wel al. Haar tong duwt tegen een tand. Die is gevoelig. ‘You and I both, tand.’ Er was een avond waarop ze tv zaten te kijken en er iets door de woonkamer trippelde. ‘Dotje!’ riep ze, maar nog voor de naam uitgesproken was zag ze al dat het geen miniatuurhamster was maar de grootste, behaardste, goorste spin die ze in haar leven had aanschouwd. Het mengsel van teleurstelling en blinde paniek omdat het beest onder de bank dook, smaakte naar het werkelijke volwassen zijn.

Als je er achteraf om kunt lachen mag je er geen trauma aan overhouden. Simpel, overzichtelijk. Dus had ze krampachtig gelachen om de man op de scooter die haar aangerand had. En om de jongen die haar sloeg. En om de geobsedeerde casanova die te dichtbij kwam. En om de getroebleerde jongeman die… Ach. Enzovoort. Voortschrijdend inzicht – ze zei het al eerder. Leven. Maakbaar. Onmerkbaar. Haar pols jeukt. Ze wrijft hem heen en weer, heen en weer, over het hoeslaken tot hij zachtjes brandt. Lekker. Iedereen bouwt verleden op. Maar de nacht heeft de gave de zwarte puntjes daaruit te pikken. Niet de witte, niet de mooie. Maar de lelijkste. De zwamvlokken van de herinnering. Dus. Al met al is ze tegenwoordig heel gelukkig. Puh. Ze grijnst onder het dekbed. Het zal nu bijna twee uur zijn. Ze aait de kat, die prompt begint te spinnen. ‘Morgen is er weer tijd genoeg om van mezelf te gaan houden’ fluistert ze en de kat spint luider.

Get. Ver. Démme

Ik dacht dus dat ik niet zo iemand was. Maar dan blijkt, en dan moet je dus toch je idee, enzovoort. Dat valt tegen. Dat je dacht dat ándere mensen, van die types, dat díe. Maar jij niet. Nee joh, jij nooit. Maar dat er dan door samenloop van, dat het dan toch gebeurt. En dat je dan eerst in de ontkenningsfase, je weet wel, dat je er gewoon niet aan denkt want dan bestaat het niet. Dat je dat dan een tijdje doet, een dag, twee dagen, en dat er dan wéér zoiets gebeurt. Ja maar echt. En dat je dan denkt, dat je dan móet denken potverdomme, ik ben dus wél. Dus verdorie wél. Zo. Iemand. Get. Ver. Demme. Maar dat er dan toch geen ontkennen meer aan is.

Niet dat het iets heel ergs, ofzo. Het zijn maar kleinigheden. Verstrooid. Komt natuurlijk door de moeheid. Want veel te veel, te druk, te lang. Snap ik wel. Maar zelfs dan. Ik, met al mijn ideeën over mezelf. En natuurlijk kom je er dan achter dat je stiekem, onbewust, al die tijd hebt gedacht dat ‘dat soort mensen’, je weet wel, de mensen die dat wél overkomt – dat dat dus een bepaald slag mensen waren. Van die ongeorganiseerde, laatmaarwaaien types. Zonder verantwoordelijkheidsgevoel, van die achwatmaakthetuit en als het niet linksom, dan. Get. Ver. Demme. Maar nu het je zelf gebeurd is, tot twéé keer toe in één week, nu moet je dus – en dat valt dan toch tegen.

Maar écht tegen hè. Niet gewoon zo’n loze kreet, zo’n losse ‘valt toch tegen hè’ maar een serieuze, zwaarwegende, vloekopwekkende échte realisatie dat het tegenvalt. Dat je minder aankunt dan je dacht, voor je dus vervalt in dat soort verstrooidheden. Vervalt ja. Want je keek er op neer, zo bleek. Maar nu zit je daar dus. Met je realisatie en je desillusie. Met je zelfbeeld en je scherven. En jaahaa, het zijn maar kleine dingen, dat zei ik toch al? Dat weet ik wel, maar toch. Maar toch. Nog nooit eerder heb ik mijn bushalte gemist. Niet een beetje, maar echt pas in een klein rotdorpje erachter komen dat je danig te lang bent blijven zitten op weg naar huis. En toen dus twee dagen later gewoon keihard een uur te laat naar je werk gaan. Want afwijkende tijden. En dat wist ik dus, dat wist ik echt. Ik heb het zelfs nog met mensen erover gehad. Maar op de dag zelf, en er dan natuurlijk te laat achter komen, en dan in de stress, je snapt het.

Maar goed. Je lacht er maar over, dat doe je dan maar want wat moet je anders. Wat maakt het allemaal uit, in the end? Een haltetje missen – waar maak je je druk om meid. Ik snap het wel, vanuit een gezonde afstand is het ook gewoon een beetje grappig. Maar ondertussen kruip ik er met mijn neus bovenop, en kom ik er dus achter dat ik daar slecht tegen kan. Wat dan natuurlijk weer véél meer zegt over mezelf dan het voorval op zich. En dáár ga ik dan óók weer met de neus bovenop – u ziet het al gebeuren hè? Ja, ik ook. Ik ook. Maar zo is het. Hilarisch, eigenlijk, maar dieptriest ook. Goed. Hoppa. Deal with it, enzo. Je bent nu eenmaal een beetje stuk, daarboven. Die wandelpaden in je brein doen nu eenmaal niet wat ze moeten doen. Die leiden je vaak naar achterafkamertjes zonder ramen, en hebben diepe kraters in het hobbelige wegdek. Weet je toch al langer? Nou dan. Het komt wel. Geduld. Niet in paniek. Geen man overboord. Maar ook díe gedachten nemen dus exact diezelfde kronkelpaden en komen dus nooit aan op hun bestemming. Ha. Ha.

Mja.
Rommelaar.

Nee joh, beetje lief zijn voor jezelf.
Prutsertje.

Wat zeg ik nou?
Stomme troela.
Getverdémme.

Zucht.

Maar hoe is het ondertussen met je?

Nou. Grappig dat u het vraagt!

Ik heb de afgelopen maand bijna fulltime gewerkt, door inwerken en cursussen en zieke collega’s. Ik heb nu wel een goed beeld kunnen vormen van mijn nieuwe baan: het ligt me wel.
Ik heb al een aardig ritme in mijn werkuren zitten, en weet mijn weg goed te vinden, zowel letterlijk als figuurlijk.

DSC_0030

De eerste dagen liep ik mee in een van de grootste garages die we hier hebben. Mijn collega liep op de automatische piloot door trappenhuizen, gangen, verdiepingen en nooduitgangen. Ik wist soms niet meer waar ik was, laat staan waar het poetshok, het toilet of de loge nu was. Ik dacht dat ik alle garages wel kende, maar nu je het ‘from the inside’ ervaart, blijkt dat er toch nog een hoop bij te leren valt. Een van mijn persoonlijke dieptepuntjes: wanneer je de garage doorloopt, controleer je ook altijd de trappenhuizen en de liften. Wat vond mijn brein logisch? Op de eerste verdieping de lift openen, omdat we altijd moeten checken of die schoon is en werkt, en vervolgens op de tweede verdieping, nadat ik daar het trappenhuis gecontroleerd had, wederom op de liftknop duwen. En dan zien dat dus diezelfde lift weer opent. Ja. Mja. Gelukkig kan ik om mezelf lachen.

Per dienst houd je drie garages bij, waartussen je door de dag heen pendelt. Een aanzienlijk deel van de dag gaat op aan technische storingen oplossen in de apparatuur. Meestal door menselijke fout (geld in verkeerde gaten stoppen, tickets dubbelgevouwen klemduwen) maar toch ook regelmatig door computerstoringen. Dat is leuk werk. Ik ken alle apparatuur nu wel denk ik, van betaalautomaten tot in- en uitritten, van slagbomen tot automatische deuren. Ik loop met een redelijk zware sleutelbos aan een koord en open en sluit de machines al met aardig wat gemak.

DSC_0025

Daarnaast heb je uiteraard de schoonmaakwerkzaamheden. Het zwerfvuil ruim je op met zo’n veger-en-blik-aan-lange-stokken, je hoeft dus niet te bukken. Per garage verschilt het erg hoe vuil het is. In de theatergarage komen veelal oude mensen en nette mensen, daar is weinig rotzooi. In de garage naast het uitgaansgebied daarentegen is het ieder weekend een teringbende. Dan hebben we nog de garage die naast de verslaafdenopvang ligt. Daar vind je – je verwacht het niet – junks en drugsrotzooi in het trappenhuis iedere ochtend.

Naast gewone dienst en weekenddienst, heb ik ook regelmatig avonddienst in de theaterparking. Dat is dan tot een uur of twaalf ‘s nachts. Héél anders dan een gewone dienst. Bij uitverkochte voorstellingen proberen honderden auto’s tegelijk de garage in en later weer uit te komen. Want iedereen wil een kwartier voordat het begint inrijden, en allemaal tegelijk willen ze ook weer naar huis. Dat is nog best een logistieke uitdaging. Kaartjes verkeerd om invoeren, ‘vergeten’ af te rekenen, scheef aan komen rijden, afslaande motoren, ook hier spelen menselijke onhandigheden een grote rol in hoe soepel zo’n uittocht verloopt. Je staat anderhalf uur nonstop bij de uitritten alles zo vlot mogelijk te laten uitrijden.

Als laatste (maar zeker niet onbelangrijkste) ben je het aanspreekpunt voor mensen. Van vragen waar de lift is tot verloren parkeerkaartjespaniek, we proberen iedereen te helpen.

IMG_20150326_205725

Nu heb ik me al wel zo nu en dan mogen verbazen. Over situaties, over mensen, over protocollen. Op de tweede plaats met stip staat het enorme verschil waarmee mensen je benaderen, afhankelijk van je rol. Kom ik storingen in de automaat oplossen, dan zijn mensen beleefd, vriendelijk, geïnteresseerd en dergelijke. Maar wanneer ik met mijn bezem of veger en blik door de garages struin en afval opruim, lopen mensen met een boog om je heen, groeten je niet, negeren je en kijken zelfs op je neer soms. Bizar! Zet je je bezem neer en maak je een apparaat open, dan zie je hun verbazing. De schoonmaker? Doet die dat? Haha. Gek en ook jammer voor alle schoonmakers om te merken hoe mensen daarmee omgaan.

Maar. Waar ik mij het állermeest over verbaas, is de hoeveelheid schroefjes die iedere dag in een garage ligt. Schroefjes! Hoe kan dat nu? Ze vallen niet uit de garageconstructie, daar zitten geen schroefjes in. Maar ik weiger te geloven dat ze uit auto’s vallen. Daar zitten toch ook niet gek veel van die dingetjes in? Het is mij een raadsel.

Een garage moet overigens aan ongelofelijk veel veiligheidsmaatregelen voldoen. In een gemiddelde garage zitten dan ook een stuk of 10 tot 15 brand- en uitstootveiligheidsvoorzieningen, véél meer dan je op het eerste zicht zou denken. Dat is wel machtig, dat daar zo’n hele wereld van systemen en voorzorgsmaatregelen achter schuil gaat. Die moeten we regelmatig testen. Dat is best leuk om te doen.

Eén van ‘mijn’ garages wordt deels verbouwd, en dat levert nog best leuke foto’s op. Ook héél veel stof, maar dat terzijde. (Was ik hier thuis net uit alle verbouwingen, loop ik op mijn werk tussen de stoffige bouwvakkers. Haha.)

IMG_20150326_194607

Goed. Het bevalt me dus tot nader orde. U hoort nog van mij.

Installing life-updates, one moment please

Ik ben dus verhuisd. Naar mijn nieuwe huisje. Alwaar het goed toeven is, ondanks dat nog niet alles helemaal af is. Het zijn nog maar details, geen echte klussen meer. Een muurtje verven hier, een kast opzetten daar, wat lambrisering lakken zus, wat gaten boren zo, het enige waar ik écht nog op wacht is de installatie van de wasmachineafvoer, zodat er wassen gedraaid kunnen worden.
Ondertussen zijn we aan het kijken naar een tweede hond, omdat die eerste hond – Rhea – wel af en toe een blij rondhupsend voorbeeld kan gebruiken om haar laatste onzekerheden weg te poetsen.

Alsof dat nog niet genoeg upgrades in mijn leven zijn, ga ik ook weer ‘onder de mensen’ aan het werk. De afgelopen jaren heb ik dat niet meer gedaan. Ik heb (na een voorgesprek, een sollicitatiegesprek en een proefdag) te horen gekregen dat ik vanaf volgende week officieel aan de slag mag als host voor zo’n 20 uur per week in een keten parkeergarages. De baan heeft alles wat ik graag doe: zelfstandig werken, technische storingen aan apparaten oplossen, mensen een helpende hand bieden waar nodig, er komen wat simpele computertaken bij kijken zoals het loggen van out-of-the-ordinary-gebeurtenissen en het bijhouden van bezoekersaantallen, en ondertussen loop je regelmatig van garage naar garage, en uiteraard ook dóór garages om apparatuur te controleren en alles schoon en netjes te houden. Oh ja, en ik mag op zo’n joekelveegmachine rijden. Woop!

Nu de belangrijkste vraag: wat betekent dat voor u?
Nou, dat de kans erin zit, dat ik binnenkort weer eens zo nu en dan ‘klantenblogs’ ga schrijven. Zoals in die goeie ouwe tijd toen ik nog in een boekhandel werkte, weet u nog? Ik heb geen idee hoeveel blogwaardige mensen en gebeurtenissen ik zal tegenkomen in mijn nieuwe baan, maar tijdens de proefdag kwam er al een meneer naar ons toe met een officiële klacht: alle deurposten in de garages waren te laag voor hem. Die zijn namelijk standaard 2 meter, terwijl meneer 2 meter en 5 centimeter lang is en dus overal moet bukken. Hij wilde het toch eens melden, omdat het toch wel gevaarlijk was als je er niet bedacht op was. Nou. Als ik in ietsje rustiger vaarwater kom wat al die nieuwe dingen in mijn leven betreft, is zo’n voorval als dit een prima bodem voor een logje, denk ik zo.

Voor nu stap ik voorzichtig rondkijkend door mijn geupgrade leven, en probeer tussen de verbazing door te genieten.

No problem!

Hij heeft het niet zo op lijstjes.
Ik wel.
Hij werkt voor mij, dus dat gaat niet zomaar goed.

Al een handvol keren heb ik aan het eind van de dag, wanneer ik kom kijken naar de verbouwingsvorderingen, de boeman moeten zijn.

“Je bent de stopcontacten vergeten.”
“Op zich zijn die ingefreesde leidingen super, alleen zitten ze te hoog. Het moet onder de 15 cm vanaf de vloer blijven.”
“Dat tussenstuk moest zo ver mogelijk vooraan de afvoer komen, niet achteraan.”
“De ventilator op de badkamer moet nog een aparte schakelaar hebben, dus de gestucte muur moet weer open.”

Al drie keer heb ik een nieuwe to-do lijst gemaakt, waar alles tot in detail op staat.
Al drie keer heeft hij de lijst aan de kant gegooid en uit z’n hoofd de klussen aangepakt.
Al drie keer moeten er dan achteraf aanpassingen gedaan worden die extra tijd en moeite kosten.

Ik ben een beetje boos, en een beetje moe, en een beetje ongeduldig.

Ik heb maar weer eens aan hem gevraagd via de lijst alles af te werken. En alles opnieuw samen doorgelopen. Voor de vijfde keer is hij verbaasd als ik zeg dat de houten schuifdeuren in de woonkamer nog ingekort moeten worden. Dat is een klus die blijkbaar keer op keer uit zijn brein wordt verbannen, tot ik het maar weer eens te berde breng.

Zijn vaste antwoord op al mijn verzoeken om iets specifiek op een bepaalde manier op te lossen, is: “No problem!” Om vervolgens iets heel anders te doen.

Ik verlies mijn geduld, en dus automatisch ook mijn beleefdheid. Ik wijs hem erop dat er wéér iets mis is, en dat hij Via. De. Lijst. Moet. Werken. Hij lijkt het in zijn oren te knopen, en gaat weer aan de slag.

(Het klinkt nu alsof ik alleen maar ontevreden over hem ben, maar dat is niet waar. Er wordt veel werk verzet, alles komt uiteindelijk tiptop in orde, en hij werkt snel. Maar de details blijven misgaan.)

De dag erna is hij toch weer specifieke details vergeten. Ik begin het bijna hilarisch te vinden. Ik wijs hem er maar weer op, no problem, gaat hij doen.

Vandaag ging ik weer langs om te kijken hoe het ervoor staat. Hij was enorm opgeschoten, het wordt prachtig en alle details klopten zowaar. Allemaal!

Ik kijk goedkeurend rond, doe een juichdansje als ik zie dat het tegelen van de badkamer begonnen is, ik roep een ‘woohoo’ als ik de muur helemaal afgestuct zie – ik loop kortom blij door het huis. Hij staat in de deuropening van de keuken te roken. ‘De wasmachineaansluitingen zijn ook klaar. Of nu ja… als jij dat ook vindt…’ Ik ren de kelder in en zie waterleiding, afvoer en elektriciteit precies zoals ik het gevraagd had. Hij heeft de vloer zelfs geëgaliseerd. Hij komt de trap af gelopen, zich mentaal al schrapzettend voor wat ik nu weer te zeuren heb.

Hij kijkt me aan vanaf de onderste trede.
Ik grijns en roep dat het helemaal in orde is. “Mooi hoor, alles trouwens, goed werk!”
Hij glundert als een kleuter en huppelt zijn bijna twee meter lange bouwvakkerslijf de trap op.
Bovenaan aangekomen draait hij zich trots naar me om:

“No problem!”

Afscheid voor leken – in zesendertig bedrijven

dag zei ze zacht
maar niemand die
haar hoorde haar
horen wilde
haar horden waren
hoger dan voorgaande
jaren hoger dan haar kruin
hoger nog dan liefhebben
goed kon maken

dag zei ze zacht

in de hoop dat
weggaan minder pijn doet
dan blijven minder pijn nog dan
het dagelijks breken
van haar bestaan minder
pijn nog minder pijn
nog minder

Dag zei ze zacht
maar niemand wilde
uitzwaaien want
dan zou men
moeten zien moeten
voelen moeten toegeven
dat er pijn vertrok
waar zacht had
moeten zijn dus

dag zei ze zelf

zei ze zacht
zei ze zachter
nog zachter
schreeuwend zacht
een salukes naar de hopelozen
een adieu naar de stillen
een dag na de nacht

dag

Voor de fijn

Had ik net de verhuisdozen leeg, staan ze alweer gevuld in de gang.

Ik ga verhuizen. Alweer. Voor de achttiende keer, om precies te zijn.

Maar dit keer, zo staat in de planning, niet maar voor een jaartje. Ditmaal hoop ik, nee: beloof ik plechtig, dat het een blijvertje is. Voor minstens een hand lang (liefst 4 handen lang), in plaats van alleen een enkele vinger. Want we – hij en ik – hebben een huisje gekocht. Maanden van makelaars bellen, bezichtigingen doen en lijstjes met afwegingen maken. Maanden van steeds beter weten wat je wil, en wat je niet wil. Maanden van hopen uiteindelijk dat ene huis te vinden. En er dan voor gaan. Weken van paperassen inleveren, notarissen lastigvallen, nog meer lijstjes maken, honderdduizend dingen uitzoeken, je inlezen in hypotheken en combiketels, klusbedrijven selecteren, nog maar weer wat lijstjes maken, en dan uiteindelijk die dag: de afhandeling van de koopoverdracht en dus eindelijk: De Sleutel.

IMG_20141219_031416

Om dan meteen in de volgende achtbaan gestapt te zijn: die van planningen maken, budgetten maken, verven, klussen, klussen, verven, klussen en het huis zó verknutselen dat je er nog verliefder op wordt. Heerlijk. Ondertussen de offertes afwachten, want we hebben een heerlijk fijn twee-onder-een-kap huis gekocht, met fantastisch grote tuin en zelfs een dakterras, met een bescheiden garage voor de motoren, met een kick-ass veranda en hele fijne speelse details, maar dat wel een bescheiden make-over kan gebruiken. Keuken, badkamer, en wat details moeten verbouwd worden. Het huis is uit 1957 en ziet er gedateerd uit. Maar de bouwkundige die we erop afgestuurd hadden kwam op ieder punt van zijn checklist tot de conclusie dat het huis solide is, nog in geweldige conditie en helemaal goed in elkaar zit. Het is dus alleen de afwerking, en dat is nu juist leuk natuurlijk. Het helemaal naar je hand zetten.

Daar ben ik dus de komende weken druk mee. Terwijl bijna iedereen zich misselijk eet aan een kerstdiner, sta ik met kwast en schroevendraaier mijn huis helemaal van mij te maken. Van zolder tot kelder een drastische opfrissing. Ik heb al een aardig beeld van hoe het gaat worden, zo rond het einde van januari. Dus, ik wens u alvast een heerlijke oudejaarsavond, en hoop u aan de andere kant weer te zien, vanuit mijn nieuwe huis! (Ook nog gelegen in een prachtige straatnaam, met een grappige postcode, maar die kan ik wegens privacy-redenen hier niet noemen, helaas. Maar ik bedoel maar: zelfs de details zijn fijn. Dat kan alleen maar veelbelovend zijn, toch?)

En gek genoeg het fijnst van alles, als ik heel eerlijk ben? Dat ik zélf die makelaars belde, dat ik zélf die klusjesmannen en notarissen te woord sta, dat ik durf, nee: het vertrouwen heb, dat ik dat zelf ‘mag’ doen, kan doen, zonder volledig in de stress te schieten, bang te zijn voor afwijzing of communicatieproblemen. Ik mag bestaan, en dat doe ik ook, heel natuurlijk, zonder te forceren. En dat is echt heel erg fijn.

Dus! Tot volgend jaar, of wie weet tussen de klussen door. Op naar 2015!

Donderdag

Als hij zichzelf en profil bekeek, zag hij zijn moeder. Zelfde mond, beetje haakneus, hoog voorhoofd. Echter, wanneer hij frontaal zijn spiegelbeeld keurde, zag hij zichzelf. Althans, tot voor kort. Sinds vorige week donderdag zag hij alleen nog iedere ochtend het hem overbekende gezicht, met de ietwat terugliggende kaaklijn, de rimpeltjes rond zijn ogen, de donkere waas van twintig jaar scheren, en zijn lichtgroene ogen. Maar of dat gecategoriseerd kon worden als ‘zichzelf’ – nee. Het was niet dat hij opeens veranderd was van uiterlijk. Alleen bekroop hem een vreemd soort afstandelijkheid wanneer hij probeerde te oordelen wie daar tegenover hem stond.

Hij stelde zich voor dat het zoiets was als iemand die in een vlaag van blinde woede een ander – een levend mens, vermoord had. Hoe die persoon de dag erna in de spiegel zou kijken. Alles herkenbaar, precies zoals eerder, en toch onbegrijpelijk nieuw. Alsof onder de huid, achter de ogen, langs de neus weg opeens een andere persoonlijkheid naar voren was getreden. Bijna argwanend zou diegene iedere centimeter van zijn gelaat minutieus bestuderen, dacht hij. Precies zoals hij zelf ook geneigd was, sinds donderdag. Als om te zoeken naar… naar welke van de twee? Naar herkenning, of juist naar datgene wat hem vreemd was? Alsof er een fysiek bewijs moest zijn, iets dat absoluut anders was dan vóórdat dit gebeurd was. Alsof dat bestaansrecht zou geven aan zijn overtuiging dat hij niet zichzelf was geweest, vorige week, nu, en voor de rest van zijn nog voor hem liggende leven. Alsof het onmogelijk was zijn zelf vóór donderdag te verenigen met zijn zelf erna.

Uiteraard was hij ervan overtuigd geweest dat iederéén hem argwanend zou bekijken. Hem misschien zelfs niet zou herkennen, wanneer hij binnen kwam lopen, hem neutraal kijkend zou vragen naar zijn naam en welk vak hij ‘gaf’. Maar niets van dat alles was gebeurd. Natuurlijk niet, dat wist hij ook wel, maar toch. Misschien was het beter geweest als het wél zo was gegaan. Zijn andere fictieve scenario was namelijk dat hij nog geen voet binnen gezet zou hebben, of de hele brildragende, betweterige kliek zou hem – als ware ze één enorm mythisch beest – verslinden onder luid, dierlijk gebrul. ‘s Nachts kon hij daarnaar verlangen, als een soort verlossing van zichzelf. Maar zodra de dag aanbrak, met haar routine en gewoonten, wilde hij daar niets meer van weten. Alles wat hij dan wilde, was dat er niets veranderd zou zijn, en dat het nooit gebeurd was.

Maar daar wrong de schoen. Dat laatste loog hij namelijk. Wat hij eigenlijk, als hij héél eerlijk was, zou willen, was dat het wél gebeurd was, maar hij er niet zo van door zijn stuk gebracht zou zijn. En dat bracht hem nu juist zo van zijn stuk.

Uit alle macht probeerde hij afgelopen dagen om die donderdagmiddag te verdringen, maar zodra er een glimp – of meer een soort foto in zijn brein – opdook, dan stond hij in vuur en vlam. Het was nog niet eens bewegend beeld, die herinnering, dat liet hij nog niet toe, maar de gedachtenfoto’s waren al genoeg om te imploderen, keer op keer. Dat maakte hem onrustig. Ben ik een beest? Ben ik een monster?

‘Ja’ zei hij tegen zijn spiegelbeeld. ‘Ja, dat ben je.’
‘Dat ben je. Dat ben je verdomme.’
‘DAT BEN JE, KLOOTZAK. VUILE GOORLAP. VUILE GORE SMERIGE KLOOTZAK!’
Er brak iets los in zijn binnenste, leek het wel.
‘JA JIJ. GORE SMEERLAP. JIJ. JIJ HEERLIJKE, AF-GRIJS-E-LIJ-KE KLOOTHOMMEL!’

Hij zag minstens twintig fragmenten van zijn aangezicht nu. Zijn hand bloedde. Een paar scherven van de spiegel waren in de wasbak terecht gekomen. Er was niets, niets, niets wat hij liever wilde dan het nogmaals doen. Zijn bloed leek door zijn aderen te kolken. Het broeide, het vlamde, en hij wilde meer. Meer. MEER. Hij riep een gedachtenfoto op. Haar prille borsten. Kijk, zie, ze beweegt nu. Haar tietjes, haar geile minitietjes, zachtjes op en neer gaand op het ritme van haar ademhaling. Zijn erectie duwde tegen de rand van de wasbak. Hij keek brutaal naar zijn spiegelbeeld, zocht een oog, hij zag er drie in de scherven onder elkaar. ‘HET WAS HET GEILSTE WAT IK OOIT GEDAAN HEB, GODVERDOMME.’ Terwijl hij meer herinneringen opriep – van haar gesloten ogen, van haar strakke dijen, van haar grimas toen hij zich in haar duwde, worstelde, wist te vechten – klemde zijn vuist zich strakker en strakker rond zijn op knappen staande lid. ‘Ik wist wel dat ik het kon. Ik wist het. Ik heb het altijd, altijd, ALTIJD AL GEWETEN. IK! BEN! NIET! IMPOTENT! NIET! ALLE VUILE HOEREN IN HET VERLEDEN HADDEN HET MIS! KUTWIJVEN! RACHEL! JOSANNE! MARIJ! GORE TRUTTEN! HET LAG AAN JULLIE!! NIET AAN MIJ! LELIJKE UITGEZAKTE SNOLLEN!’ Roodaangelopen, hijgend, schreeuwend bleef hij zichzelf strak aankijken. ‘IK. KAN. HET. WÉL.’ Kreunend spoot hij zijn eigen spiegelbeeld onder. Zijn ultieme bewijs, de kroon op zijn werk: zie. Vanaf nu kon hij het. Verdomme. Verdomme verdomme, het was zo simpel. Zo verdomde simpel al die tijd.

‘Goedemorgen dames en heren, gaan we allemaal zitten en pakken we ons boek erbij?’ Hij liet zijn ogen door de klas dwalen. Zij daar. Achterin de hoek, ze liep naar haar tafel. Haar dertienjarige billen strak in een donkergroene jeans. Haar paardenstaartje opwippend bij iedere pas op haar gympies. Zij zou de volgende zijn. Hij voelde het luid en duidelijk door zijn aderen gonzen.

De tienprocentvoeten-schoen

Ik had gisteren een gesprek over tenen. (Het begon als gesprek over vingers, maar dat terzijde.) Ik wist me vaag nog iets te herinneren dat ik ooit had gelezen, dus ik heb het even opnieuw opgezocht, en inderdaad: men zegt dat wanneer je tweede teen groter is dan je dikke teen, je een zogenaamde Griekse voet hebt.

Dat ziet er dus zo uit:
Griekse voet

Dat blijkt zeldzaam te zijn: maar zo’n 10% van de mensen heeft dit. 60% van de mensen heeft een ‘gewone’ Egyptische voet. (Waarbij de dikke teen groter is dan de tweede teen.) En dan heeft nog zo’n 30% een zogenaamde vierkante voet: een voet waarbij de eerste en tweede teen even lang zijn.

Die Griekse voet, dat werd dus een schoonheidsideaal. Veel standbeelden hebben een Griekse voet. Tot in de Renaissance en later bleef dat zo. Zo heeft bijvoorbeeld het Vrijheidsbeeld ook een Griekse voet. Goed. Prima. Een vreemd detail om als ideaalbeeld te nemen, maar wie ben ik om daarover te zeuren.

Maar. Toen realiseerde ik me dus iets dat nog nooit eerder in me opgekomen was:

Zo goed als ALLE schoenen hebben ook de vorm van een Griekse voet. Ik heb het even getekend, om het extra duidelijk te maken:
voetschoen

Waarom?! Als maar 10 procent van de mensheid die vorm heeft, waarom loopt 90% dan zichzelf in die vorm te proppen z’n hele leven lang? Een enkele schoen is wel Egyptisch of vierkant van vorm, zoals de Barefoot running shoes, of de ouderwetse blokneus.

schoenen

Maar het gros is dus eigenlijk de verkéérde vorm voor 90% van de bevolking.

Dat is toch raar?

Zouden schoenmakers dat oude schoonheidsideaal nog steeds aanhouden? Eigenlijk maak je dan dus maar 10% van je klanten blij. Dat lijkt me geen heel goede score. Tenzij mensen massaal die Griekse vorm willen veinzen natuurlijk, omdat ook wij onbewust denken dat een schoen – en dus een voet – er zo uit moet zien?

Foute vorm