Observatie van de dag: Achter de struiken

Ik wandel met mijn hond door een groot park. Aan het park grenst het schoolplein van een basisschool. Ik kan minutenlang alle kinderen die pauzeren observeren terwijl ik door het park struin.

Het is de bovenbouw die momenteel pauze heeft. De leraren staan in de buurt van de schooldeuren wat te keuvelen en een oogje in het zeil te houden. Alle kinderen zijn samen op het plein, verdeeld in groepjes: sommigen spelen, andere praten. Op één jongen na. Die staat helemaal apart van de anderen, achter een paar afgelegen hoge struiken, totaal uit het zicht van iedereen op school. Hij heeft zijn spijkerjasje over zijn hoofd gehangen, en staat met een twijg een beetje onrustig in de struiken te porren. Hij tuurt onafgebroken door diezelfde struiken naar iedereen op het plein.

Mijn hart breekt, maar ik weet helemaal niet of dat terecht is. Misschien is het zo’n jochie dat graag wil uitvinden of hij gemist wordt als hij na de bel niet in de klas blijkt te zijn. Zodat iedereen moet lachen. Misschien is het een enorme etterbak die staat te broeden op een verrassingsaanval mocht iemand in de buurt van de struiken komen. Ik weet het niet, maar zijn lichaamstaal zegt voor mij eerder dat hij een buitenbeentje is. Geen enkel groepje lijkt hem te missen. Niemand lijkt naar hem op zoek. Het ziet eruit alsof hij de tijd aan het doden is, tot de bel weer gaat. Dat hij hoopt dat niemand hem opmerkt in de tussentijd, zodat hij niet gepest zal worden.

Uiteraard doet me dat aan mijn eigen schooltijd denken. Ik was nooit populair. Maar ik was ook nooit de zogenaamde allerlaagste rang – de pispaaltjes. Ik werd nooit gepest, maar hoorde ook absoluut niet bij de ‘populaire kinderen’. Ik had altijd wel een of twee vriendinnetjes waarmee ik speelde. En toch heb ik me iedere dag, ieder uur, ongemakkelijk gevoeld op school. Altijd bang dat ik zou opvallen, iets ‘fout’ zou doen, er stom uit zou zien (mijn kleding leek niet op die van de populaire kinderen, mijn kapsel evenmin). Voor het bord komen? Daar had ik iedere nacht voor het slapengaan angstgedachten over. Ik haalde hoge cijfers en was goed in sport, maar ik was steeds bang dat het te hoog, of te goed zou zijn. Ik zag dagelijks kinderen gepest worden omdat ze zichzelf waren, anders, of een beetje klunzig, of juist vol zelfvertrouwen terwijl ze niet populair waren. Alles was potentieel verkeerd. Ik wilde onzichtbaar zijn, het liefst van alles. Dat is wat ik denk te herkennen in dit jongetje, met zijn jas over zijn hoofd achter de struiken, de minuten aftellend tot hij weer bevrijd wordt van het ‘vrije’ speelkwartier.

Ik zucht diep, half uit opluchting omdat ik niet meer op school zit, half meelevend omdat hij wél nog middenin dat systeem zit.
Ik loop nu vlak langs hem. Een meter groen, een hek, en daar staat hij.
Ik hoop dat hij zich even omdraait, zodat ik bemoedigend naar hem kan glimlachen. Maar nee. Hij blijft met haviksogen naar de andere kinderen turen.

Houd vol, denk ik. Het wordt ooit beter.
Echt.

Observatie van de dag: Kapsores

Ik sta in de woonkamer voor de spiegel. Naast mij op de tafel ligt mijn motorhelm en een keur aan haarfrutsels.
Ik sta al bijna tien minuten te experimenteren met klemmetjes, speldjes en elastiekjes in de hoop een kapsel te kunnen fabriceren dat onder mijn helm nog enigszins toonbaar blijft.
‘Voor dit soort momenten zou het handig zijn sluik haar te hebben’, verzucht ik dramatisch terwijl ik nogmaals mijn helm opzet en weer afzet.
Ook dit kapsel overleeft de helm niet.
Ik verzin weer iets anders. Een soort halve staart die ik losjes hoog op mijn hoofd bind.
Helm op, en weer af.
Het zit nog! Ongeveer. Goed genoeg. Ik draai mijn hoofd in de spiegel. Keur van links, van rechts, van voren.

‘Het ziet er wel ernstig jaren negentig uit geloof ik…’ peins ik. ‘Misschien wel gruwelijk jaren negentig zelfs…’
Mijn hond ligt me al de hele tijd gade te slaan vanuit haar mand. Ze kijkt met een blik vol onbegrip naar het ronde ding dat ik steeds op en af zet.
‘Ja, wat ben ik nu aan het doen hè?’ kakel ik richting de hond.
Ik kijk weer in de spiegel. Ja, denk ik nu serieus: wat ben ik eigenlijk aan het doen?! Het zal wel meevallen met dat 90′s-gehalte. Stel je niet aan. Hup.

Ik laat de helm voor wat hij is en loop naar de bank, alwaar de thriller-serie die ik aan het kijken ben netjes aan de start van aflevering 4 staat te wachten tot ik en mijn haar-obsessie klaar zijn voor de film.

Ik kijk naar het scherm, dat gepauzeerd staat op de beginscene, en barst keihard in lachen uit.

De serie is in 1997 opgenomen.
Groot in beeld staat exáct mijn huidige kapsel, op het hoofd van een ietwat gedateerd aandoende actrice.

Ik deuk mijn ego uit en laat de rare staart toch lekker bovenop mijn hoofd staan. Zo.

Observatie van de dag: De reiger

Hij bekijkt online een mooi huisje, dicht in de buurt van natuur gelegen.

Hij: “Kijk, er zit daar zelfs een reiger bij de vijver!”
Ik: “Echt of nep?”
Hij”: “Die is echt hoor. Geweldig toch?!”

-

We rijden toevallig langs het betreffende huis dat we een paar dagen eerder online zagen. We stoppen de auto even aan de overkant.
Ik kijk naar de gevel, dan naar het poortje, dan naar de tuin, en dan zie ik het.

Ik: “…die reiger hè… die is dus toch van plastic.”

Hij tuurt met tegenzin de tuin in. Ik zie zijn blik in een paar tellen van vastberaden naar teleurgesteld glijden.
Hij knikt in zichzelf gekeerd, en start beteuterd de auto.

Observatie van de dag: Mevrouw Packbiers

Zo’n tien meter voor me loopt een kwieke dame van een jaar of 75. Ze stapt stevig door, tot ze aan de overkant van de straat een andere dame op leeftijd in het oog krijgt.
Hallo!‘ Ze staat stil en roept naar de overkant. Maar de dame hoort haar niet.
Joehoe!‘ ‘Hallooohoo!‘ Ze zwaait haar armen boven haar hoofd. Ze wil vast een praatje maken, of haar iets belangrijks vertellen. ‘Haaaallo!
Mevrouw Packbiers kijkt een beetje verward mijn kant op, maar ík ben het niet die haar aandacht wil trekken.
Joehoe! Mevrouw Packbiers! Joehoe!‘ Ze heeft nu haar handen als een toeter rond haar mond geplaatst, om de overduidelijk ietwat dove Mevrouw Packbiers toch te bereiken met haar stem.
Mevrouw Packbiers! Joehoe! Halloooohooo! Mevrouw Paaaackbiers!

Ik loop op de kwieke dame in, en net voor ik haar passeer weet Mevrouw Packbiers dan toch eindelijk de goede richting op te kijken. Ze haalt een vertwijfelde hand uit haar jaszak en zwaait die voorzichtig een keertje naar de overkant. Ik heb het idee dat ook haar ogen niet meer zo goed zijn, maar ze heeft in ieder geval in de gaten dat er iemand naar haar zwaait en roept.

Mevrouw Packbiers! Ja!! Joehoe!‘ De kwieke dame lacht me stralend tegemoet: ‘Ze hóórde me niet!‘ Ik grijns en schud bevestigend mijn hoofd. ‘Nee!‘ Lachend draait ze zich weer om naar de overkant van de straat.
Mevrouw Packbiers, doei! Doei Mevrouw Packbiers, doei! Doehoei!

Ik moet hardop lachen om het feit dat de kwieke dame geen énkele boodschap bleek te hebben behalve ‘doei’. Ik vind het überhaupt grappig dat ze doei zegt, en geen ‘dag’, zoals ik toch van mensen van haar generatie zou verwachten.

Mevrouw Packbiers roept een nog onverminderd verward ‘Jaahaa…‘ naar de overkant, en knikt terwijl ze glimlachend nog maar eens – in de algemene richting van waar het geluid vandaan komt – zwaait.

Dag Mevrouw Packbiers, denk ik, terwijl ik een bospad insla. Doei!

Glas-in-lozing

01.03u
Ik lig in bed te lezen, kat 1 ligt naast me te spinnen.

01.04u
Er klinkt een vreemd geluid. Een soort tok, tik tik tik tik. Kat 1 kijkt op, ik ook. Nu heb ik op mijn badkamer zuignaphaken voor kleding en handdoeken, die nogal eens loslaten en op de grond vallen. Gek genoeg vaak meerdere tegelijk. Ik mompel dan ook in mezelf ‘stortte daar de badkamer weer half in, of sprong de hond heel lomp van haar plek op de bank af beneden?’ Ik lag nog even met gespitste oren te luisteren, maar het bleef verder stil.

01.07u
Ik lees verder, ontspan, en aai ondertussen kat 1.

01.08u
Een kabaal van jewelste. KLABENG BONG KNAL TINGELINGELINGELING KLING BOINK BAM. TING. PLING.
Kat 1 duikt onder het bed, ik spring uit datzelfde bed en ren naar beneden.

01.09u
Lamp aan, om me heen kijken. Hond is in orde, ligt geschrokken plat in haar mand maar verder geen schade.
Ik loop naar de keuken, zie kat 2 met grote ogen en de oren plat naar achteren bovenop een kast zitten.
Ik kijk naar waar kat 2 naar kijkt: het raam in de keuken. Dan zie ik het.

01.10u
Mijn abstracte nep-glas-in-lood sierraam, dat al een jaar ophangt voor het gewone raam, heeft het opgegeven. Het frame ligt op de vuilnisbak, de vloer ligt bezaaid met honderd glasscherven in alle kleuren en afmetingen. Ik zucht diep en begin aan de opruimklus. Scherf voor scherf pak ik voorzichtig op en stop alles in de grootste doos die ik zo snel kan vinden. De kleine flinters veeg ik op. Ik zie minuscule schitteringen over de hele keukenvloer, maar kan niet met goed fatsoen nu nog gaan stofzuigen. Ik bouw een barricade en zet alles klaar voor morgenvroeg.

01.21u
Na kat 2 en hond gerustgesteld te hebben, kom ik weer op mijn slaapkamer. Daar zit kat 1 nog met een verwilderde blik onder het bed, me achterdochtig aan te gapen. Ik roep, stel gerust en aai.

01.22u
Lamp uit, tijd om te gaan slapen.

01.23u
Mijn brein telt eindelijk één en één bij elkaar op. Het nep-glas-in-lood raam hing aan twee schroeven met meters stevige nylondraad aan het raamkozijn. Dat eerste geluid om 01.04u moet zijn geweest dat één van de twee punten losraakte, waardoor het raam half omlaag viel, op de vensterbank, en in het na-draaien rond het andere punt dat nog vastzat, tegen het keukenraam getikt heeft. Dat ene punt waarop het nep-glas-in-lood raam nu nog vastzat, heeft het dus nog bijna 5 minuten volgehouden, voor ook dát het begaf. Nog best indrukwekkend, gezien het gewicht (het raam was zo’n halve meter bij een kwart meter).

07.11u
Ik wandel de keuken in en zie de nachtelijke ravage. Ik kijk treurig naar de doos vol scherven, jammer dat hij stuk is. Ik kreeg hem jaren geleden van mijn moeder, en hij is trouw al een keer of 4 meeverhuisd met me. Hij gaf mooie kleuren aan elke ruimte waar hij voor het raam hing. Meh. Buh.

07.15u
Ik ga dit logje schrijven, in plaats van de ravage op te ruimen.

(Nu moet ik er toch echt aan geloven.)

Mailwisseling met een MarktplaatsMevrouw

Ik zet een advertentie op MP:
“Te koop dingetje X, vraagprijs 2,50. Let op: past niet door de brievenbus, dus 6,75 verzendkosten via de post of 4 euro via een DHL afhaalpunt.”

MarktplaatsMevrouw:
Hallo, hebt u deze nog?

Ik:
Jazeker.

MarktplaatsMevrouw:
Wat moet u ervoor hebben?

Ik:
*copy/paste uit mijn advertentie*
2,50

MarktplaatsMevrouw:
Wat zouden de verzendkosten zijn?

Ik:
(inwendige zucht)
*copy/paste uit mijn advertentie*
6,75 via de post of 4 euro via een DHL afhaalpunt.

MarktplaatsMevrouw:
Oké, dan doe maar via DHL. Wat is het rekeningnummer?

Ik:
*geeft rekeningnummer*

MarktplaatsMevrouw:
Bedankt, ik maak het vandaag over.

- 4 dagen later -

Ik:
Ik heb nog niets ontvangen op mijn rekening, als het binnen is zal ik dingetje X versturen.

MarktplaatsMevrouw:
Hoeveel is het totaalbedrag eigenlijk ook alweer?

Ik:
(inwendige brul)
*copy/paste uit eerdere mailwisseling*
2,50 plus 4 euro dus 6,50.

MarktplaatsMevrouw:
Oké ik maak het vandaag over.

Ik:
*bonkt met hoofd op toetsenbord*

Mede-leiden

Een mot zo groot als de palm van mijn hand. Een blaffende kat die wild over het beddengoed struikelt, ogen strak gericht op het gefladder, pupillen groter dan groot. Bijna van het bed vallen wegens totale fixatie. Een smachtende blik naar mij wanneer de mot op het plafond gaat zitten. Desperate miepgeluidjes. Ik sta tussen twee vuren, medelijden voor allebei. Ik kies voor de mot: gooi het raam open en jaag hem naar buiten. De kat zit nog minutenlang strak van de adrenaline doelloos het plafond af te speuren. Uiteindelijk de rust, nee berusting.

Ik ben een leger. Ik ben er twee. Ik ben in oorlog. Ik ruk op, haal uit, incasseer. Ik rust niet voor ik gewonnen heb, verloren heb. Na de eerste verbazing dat de innerlijke tweestrijd er nog bleek te zitten – zelfs na jarenlange luwte, laadde ik mijn munitie, poetste mijn uniformen, zette mijn helmen op, groef loopgraven en ging pal tegenover mezelf staan. Een diepe ademteug en het hellevuur barst los: met volle mankracht bestorm ik mijzelf. Geen ruimte laten, insluiten, overrompelen. Maar het andere leger geeft zich niet zomaar gewonnen. Soldaten met meer ervaring, het klappen van de zweep. Niet snel onder de indruk. Al jaren op hun positie. Beuk maar, bestorm maar, doe maar: wij verlaten onze post onder geen beding. We trekken ons terug, voor de vorm, om het verse leger de indruk te geven dat ze terrein winnen. En dan – wanneer hun guard down is – knallen we ze met tankers die uit het niets lijken op te duiken meters ver over het slagveld.

Tweede nacht. Minstens zo’n grote mot – het lijkt wel dezelfde. Zelfde reactie van de kat, iets feller misschien wel. In overdrive over mijn bed, terwijl de mot klapwiekend een onzichtbaar luchtparcours lijkt af te leggen. Ik sta weer tussen dezelfde twee vuren. Waarom kwam hij terug? (Waarom moet hij zo enorm groot zijn dat het schattige er eigenlijk wel vanaf is?) Ik gooi het op ‘dan vraag je er ook om’ en til mijn kat op richting de hoge rustplaats van de mot. Hij twijfelt geen seconde en geeft het beest meteen een enorme opdonder. Fladderend zakt hij een meter, mijn kat springt half uit mijn armen om hem achterna te duiken. Hij geeft het bruine lijf nog een rotklap. Al tuimelend verdwijnt de gevleugelde reus achter het gordijn.

Mijn verse leger likt zijn wonden, lapt zich op, positioneert zichzelf strategisch en gaat voor de tweede ronde. Muisstil sluipen ze dichterbij, omsingelen, een rookgordijn, berenvallen, grof geschut en hopla: de veteranen kunnen geen kant meer op. Op een kluit gedreven staan ze daar, omringd door verse overmacht. Adrenaline stuwt het verse leger nog dichterbij, bijna neus tegen neus staan ze daar nu, klaar voor de genadeklap. Dan kijkt er eentje op, ontmoet de ogen van een veteraan. Ik zie het gebeuren, weet waar dit toe zal leiden maar doe niets. Langzaam kijken ze allemaal op, stuk voor stuk haken hun blikken in elkaar. De rook rondom de leeuwenkuil trekt weg. Wat er overblijft is een groep oude bekenden, omsingeld door goede bedoelingen. Beide vol medelijden voor de ander in hun positie. Niemand doet iets, ze staan daar maar. De verse soldaten slaan nu hun ogen neer, de veteranen schrapen hun keel. Schijnbaar achteloos schuifelen ze wat rond, geven meer en meer ruimte aan de ander. Ik kijk toe hoe ze elkaar de rug toekeren, wegwandelen, doen alsof dit nooit gebeurd is.

Dan vind ik het toch opeens weer zielig en zet snel het raam open. Ik dirigeer de mot richting buitenlucht. Hij tuimelt zijn vrijheid tegemoet – voor vanavond in ieder geval. Mijn kat kijkt me verwilderd aan. Uit schuldgevoel aai ik hem extra lang. Typisch, denk ik. Wat ik ook doe, I can’t win. Sta dan toch eens achter je keuze. Nee, denk ik dan: ik wíl niet winnen. Ik wil niet kiezen. Ik wil niet moorden. Ik wil geen afscheid nemen. Hoe lelijk ook, het weet toch mijn hart binnen te dringen. Ik wil beide legers, ik wil ze alleen niet meer tegen elkáár laten vechten.

Out in the open

Mijn vader woont 2,7 kilometer van mij vandaan, maar ik heb hem sinds mijn twaalfde niet meer gezien.

Dit is geen tranentrekkend verhaal over Oost en West Berlijn, maar gewoon een banaal geval van geen contact meer. Al ruim twintig jaar heb ik hem niet meer gesproken. Ondertussen woonde ik in Haarlem, Den Bosch, Antwerpen, maar sinds een jaar woon ik weer hier – in mijn geboortestad. Nog nooit heb ik dichter bij hem gewoond dan nu. We wonen in dezelfde wijk. Recht tegenover hem ligt het CBR waar ik in motoroutfit heb staan zwoegen. Wij delen een supermarkt, een doorgaande weg, een tankstation, een snackbar, we delen een wandelgebied, we delen een achternaam, maar nooit zijn wij op hetzelfde moment op dezelfde plaats.

Ik weet niet of het deze verhuizing is die mij over hem doet nadenken, of dat ik nu de leeftijd heb bereikt – of misschien eerder dat híj nu de leeftijd heeft bereikt – waarop het tijd wordt te kiezen. Als hij dood is, blijf ik dan met losse eindjes zitten? De spaarzame herinneringen die ik heb, blijven al ruim twintig jaar hetzelfde. Ze zijn overwegend verontrustend, die herinneringen. Niet aanlokkelijk. Ik schreef er ooit over, op mijn oude blog, in verhullende woorden. (Hier.) In die tijd had ik therapie voor mijn angststoornis, en probeerde mijn therapeute ook aan mijn gevoelens rond hem te wrikken. Zonder veel resultaat – al heel vroeg in dit hele verhaal heb ik een slot op mijn hart gezet wat hem betreft. Ik vind niks, ik voel niks, ik weet niks. Het is zoals het is.

Dat ik me afvraag of ik hem wil zien, heeft niet te maken met oud zeer. Ik wil geen dingen oprakelen, ik zou niet weten wat. Ik wil geen verwijten gooien, ik wil geen twintig jaar inhalen: degene die ik ben, ben ik door het leven dat ik heb gehad. Zonder hem heb ik mezelf opgebouwd, samen met mijn moeder, mijn broer, vrienden, geliefden, de wereld. Ik zou niet willen dat dit anders was geweest. Nee, ik denk dat ik het gevoel heb bestaansrecht te willen. Voor de schim die hij is, en voor de schim die ik voor hem ben. Dat er een moment komt, waarin we elkaar erkennen. Zonder woorden, gewoon door elkaar niet te negeren, for once.

Ik weet als geen ander hoe het is om bang te zijn voor het leven, om sociaal zwak te zijn. Ik weet dat hij dat ook had – op zijn geheel eigen manier. Ik verwijt dus niks. Ik weet dat hij passiviteit naar een hoger level heeft getild, emotioneel gezien. Ik verwacht dus niks. Ik vraag geen liefde, geen rol in mijn leven, geen openhartige gesprekken. Ik wil dus niks. Niks, behalve dat we letterlijk tegenover elkaar staan en heel even samen bestaan, wetende dat wij zijn wie we zijn. Het idee dat ik langs hem kan lopen en hem wél herken, maar hij mij niet. Dat is onwerkelijk.

Wat ik zou willen, is een stuk met hem door mijn favoriete bos lopen. Af en toe iets zeggen, iets onbenulligs, over het uitzicht. Mijn hond erbij, als afleiding. Waarom wil ik dat?

Ik denk dat ik dat wil om aan mezelf te kunnen zeggen: ik heb voor hem bestaan. Nu, als de persoon die ik nú ben. In plaats van als twaalfjarige schim.

Ik ben laatst langs zijn huis gelopen. Het staat er nog, met naamplaatje. Voornaam en Voornaam Achternaam. Mijn achternaam. Ik wil niet aanbellen, ik weet dat zijn vrouw ons (mijn broer en ik) als concurrentie ziet, en bang is haar erfenis in rook te zien opgaan. Ik wil om haar heen, met een boogje. Om haar te ontzien, ik kom niets kapen. Om mezelf te ontzien, dat ook. Maar dat betekent dat ik als een volleerd stalker dagenlang in de buurt zou moeten posten, om dat ene moment te vangen waarop hij alleen naar buiten gaat.

Het is dus niet erg waarschijnlijk dat ik contact met hem ga opnemen. Net zoals het niet erg waarschijnlijk is dat ik bestaansrecht kan afdwingen. Wat wel waarschijnlijk is, is dat ik nu toch voor het eerst in mijn leven een onaf gevoel heb, wat hem betreft. Nu is het zaak uit te vogelen of ik dat in mijzelf ga oplossen, of hier in de wijk.

Met scherp

‘Dit gaat zo niet langer.’ Ze zei het, maar wist niet of ze het echt meende. Of toch, soms – vaak meende ze het. Wanneer ze voor de vierde keer die dag langskwam, omdat er een rare kuch was geweest, of omdat hij zo hevig zweette, zo plots. Of wanneer ze op het punt stond in bad te gaan, en de telefoon ging. Dat ze dan op moest nemen, want als ze dat niet deed, dan hadden ze binnen tien minuten de buren, haar zus, de huisarts en de ambulance gebeld. Niet omdat het zo dringend was, maar om haar het gevoel te geven dat ze tekort schoot.

Tekortschieten kon ze als geen ander. Wanneer ze niet meteen overtuigd was van de noodzaak meteen langs te komen. Wanneer ze iets sussends zei in plaats van net zo in paniek te raken als hen. Wanneer ze tegen artsen, specialisten of ander medisch personeel een realistisch verslag gaf, in plaats van hun gekleurde realiteit. Of – de ergste van allemaal – wanneer ze onverhoopt eens werkelijk iets onderschat bleek te hebben tussen de stroom pijntjes, kwaaltjes en vage symptomen. En een verpleegster na een week zei dat ze misschien beter wat eerder hadden kunnen komen. Dan voelde ze hun koude blikken op haar huid prikken. Want ergens in de afgelopen jaren was het zo gegroeid dat zij als oudste dochter – en niet haar ouders zelf – besliste wat er moest gebeuren bij elke ‘situatie’, zoals haar moeder het altijd noemde.

‘Dit is niet meer haalbaar voor hem.’ Ze zei het en wist meteen dat haar moeder er net zo glashard doorheen keek als zijzelf: voor hem, of voor jou? Ze hoefde haar niet eens aan te kijken om het schuldgevoel al te voelen opborrelen. ‘Ik bedoel, hij heeft geen rust meer, en jij ook niet mam.’ Ze besloot door te gaan, net zo lang tot de knoop in haar maag weg was. ‘Het komt zijn gezondheid, voor zover we daar nog van kunnen spreken, absoluut niet ten goede als hij constant bang is. Bang voor pijn, bang voor te laat komende hulp, en jij kunt zelf toch ook niet meer rustig eens tv kijken?’ Voor ze iets kon tegenwerpen ging ze verder. ‘Zo wordt hij alleen maar zieker, dat weet je. Stress verergert alles, dus ook dit.’ Ze slikte.

‘Het zou toch veel beter zijn als hij constant in het oog werd gehouden? Als hij niet hele dagen en nachten in angst ligt of hij op tijd aan de bel kan trekken?’ Voor het eerst sinds ze de woonkamer ingestapt was, keek ze haar moeder aan. Ze had verwacht haar als een in elkaar gedoken vogeltje op de bank te zien zitten, maar wat ze zag was vuur in haar ogen, en een strakke mond. Ze kende die mond maar al te goed. Als ze vroeger de moed had verzameld om te vragen of ze met een vriendin misschien, alleen als het uitkwam natuurlijk, het hoeft ook niet echt maar ze was gevraagd en dan was het toch wel zo beleefd, dat ze een keer, haar vader brengt ons en de film duurt maar tot, zou ze dan misschien – dan verstrakte het gelaat van haar moeder al, en wist ze dat het vergeefs was. In de loop der jaren had ze geleerd dat niet kijken beter was, dan kon ze heel soms toch – toen ze al lang en breed uit huis was – iets mededelen. En dan snel uit de voeten maken.

‘Je hebt gelijk.’

Haar ogen werden groot. Haar moeder? Zei haar moeder dat nu? ‘Het is ook uitputtend. Als ik nu nog jong in de benen was, vooruit, maar dit is bijna niet meer op te brengen. En je vader wordt daar alleen maar onrustiger van. Ik roep al altijd aan de trap dat ik eraan kom, maar je kent hem hè.’ Beetpakken, nu, met twee handen, dacht ze. ‘Precies, mam, je weet dat het voor jullie beter zou zijn. Wie weet knapt hij zelfs wel wat op als hij minder spanningen heeft.’ Haar moeder knikte, heftig, bijna driftig. ‘Ja ik heb er ook al wel over gedacht, het zou een grote verandering zijn voor ons allemaal, en ik wilde niet degene zijn die… maar nu je zelf ermee komt: we kunnen de opslagkamer uitruimen, dat kan allemaal de zolder op, en ik heb gemeten, er past gewoon een twijfelaar in, met nog net één nachtkastje ernaast, en dan laten we de grote linnenkast staan en daar kunnen dan je spullen zover wel in denk ik.’

Ze knipperde met haar ogen. Er raasde iets door haar maag. Ze kreeg kippenvel op haar schouderbladen en omklemde met haar ene hand heel hard haar andere pols. ‘Uh… nou… nou ik, ik…’ Haar moeders ogen stonden glashard, ze keken haar strak aan. Ze voelde misselijkheid opkomen. ‘Ik… we hebben het er nog over, oké? Misschien zijn we wat voorbarig, ik bedoel, hij heeft gelukkig ook nog veel goede momenten, en ik zou ook niet jullie… jullie dagelijkse ritme helemaal uh…’

‘Goed kind,’ zei haar moeder opgeruimd, ‘wie weet lopen we inderdaad te hard van stapel. Kun je nog boodschappen voor ons doen? En je vader zei dat de lakens erg nat waren, misschien dat de koorts weer opgelaaid is…’ Ze hoestte, schraapte haar keel. ‘Nee natuurlijk, maak maar een lijstje, geen probleem, ik ga meteen even bij hem kijken, zal ik de lakens ineens verschonen?’ Haar moeder knikte, stond op, klopte haar rok af en liep de keuken in.

Eekhoorn – the sequel

Nou ja zeg! Een tweede eekhoornaanval op mijn vlaggetjes. Ditmaal door een kastanjebruin exemplaar, wat kleiner van stuk maar minstens zo fanatiek. Zij gaat voor een heel andere aanpak: de zogenaamde platvloerse aanval. Nu is het grote verschil dat zij uiteindelijk het podium verlaat met een kleine overwinning. Nou ja… eigenlijk een beetje valsspelen, want het lag er al…. maar toch! De tussenliggende frustratiestrijd is wederom hilarisch om te zien. Ze probeert nog verschillende invalshoeken, maar het levert toch minder op dan ze had gehoopt.

Ik heb nog steeds geen idee waarom ze zo gebrand zijn op die gekke vlaggetjes, maar ik stel me zo voor dat ze aan interieurverfraaiing van hun nest doen, en elkaar de loef af willen steken met hun nieuwste wandbekleding. (Daar zou ik nou graag een foto van hebben!) Ach, ondertussen vermaken ze mij in ieder geval met hun bozig fanatieke capriolen. :)

Squirrel – The sequel from Ravi on Vimeo.