Intern betweterig ettertje

Ik liep langs een appartementencomplex en zag een jongeman in zijn shirt de haldeur beneden openen en zijn herdershond naar buiten laten. De overenthousiaste hond mocht bij de strip gemeentestruikjes zijn poot optillen en werd veelvuldig vanuit de half geopende deur teruggeroepen zodra hij een stap zette om ergens aan te snuffelen. Ik liep verder en zag om de hoek een perkament oud vrouwtje in haar scootmobiel richting grasveld tuffen, haar kleine witte hondje vrolijk naast haar dartelend in de struiken. Ze stopte overal waar hij wilde snuffelen.

Ik had zin om de jongeman aan zijn nekvel de hoek om te sleuren, hem op de dame te wijzen, dat zij zich ingepakt moest hebben, in haar scoutmobiel gehesen, de lift in, de hal door, naar buiten, alles om haar vierpotertje te laten ravotten in de natuur. En of hij misschien eens moest overdenken of hij wel een hond wilde hebben.

Maar ik deed het niet. Niet alleen omdat de jongeman misschien wel iedere dag 3 uur met zijn hond gaat wandelen maar nu even haast had omdat hij moest werken of iets dergelijks, maar ook omdat ik de laatste tijd vaak aanvaringen heb gehad met vreemden. Bijna allemaal virtueel, maar toch.

Het is niks voor mij, ruziën met mensen die ik niet ken. Toch is het de afgelopen paar maanden een keer of 4 voorgekomen. Ik ben natuurlijk in eerste instantie geneigd de mensen in kwestie de schuld te geven. Dat zij fout zaten, dat ik nog heel correct en netjes ben gebleven, dat ik gewoon pech heb met wie ik tref. Maar na wat langer nadenken vrees ik dat het toch iets in mij moet zijn. Ben ik om kleinere dingen op mijn tenen getrapt? Overschat ik mezelf? Heb ik een korter lontje dan voorheen? De kans dat er opeens een handvol mensen zijn die mij onheus bejegenen vind ik toch klein.

Dan kan ik daar weer tegenover zetten dat de mensen met wie ik aanvaringen had, allemaal uit een bepaalde hoek komen, een hoek waar ik me vroeger niet in bevond. Dat die mensen zich allemaal groter, slimmer en machtiger willen voordoen dan ze zijn. Maar dan vervolg ik mijn intern twistgesprek weer met het tegenargument dat ik dan dus blijkbaar totaal niets langs me heen kan laten gaan. Dat wanneer ik – zover ik objectief kan beoordelen – oprecht ten onrechte kritiek krijg, ik dus klaarblijkelijk te self-righteous ben om wijs mijn mond te houden. Ik ga erop in, moet koste wat kost analyseren en mezelf vrijpleiten om dat gevoel van onrecht te doen verdwijnen. Wat natuurlijk nooit een goed einde heeft, en alleen op ruzie uitdraait. Wat ik dan weer weet, waardoor ik ofwel alle contact blokkeer direct na mijn ‘rectificatie’, ofwel mezelf verbijt en vervolgens constant met wrok zit en geen enkele intentie meer heb om me in te zetten voor die persoon.

Dan vraag ik me natuurlijk af waar dat door komt. Ben ik in de vijf jaar dat ik in België woonde gewend geraakt aan het feit dat niemand kritiek uitspreekt? En loop ik nu in Nederland daar dan keihard tegenaan? Dat ik het niet meer kan hebben? Of is het juist zo dat ik in België vijf jaar over me heen heb laten lopen, door mijn angststoornis niets durfde, en nu terug in Nederland al die frustratie meeneem in iedere nieuwe oneerlijke situatie? Of is het misschien zo dat ik blijkbaar erg gestrest ben en dus een springveer blijk, die bij het minste of geringste meteen tegen het plafond zit?

Ik weet het niet. Wat ik wel weet, is dat ik het een vervelend gevoel vind. Ik zag mezelf nooit als iemand die betweterig was, als iemand die geldingsdrang heeft, als iemand die bovenop alles en iedereen zit. Waar het vandaan komt weet ik niet, hoe het in elkaar steekt weet ik niet, en of het nu aan mij ligt of echt stom toeval is weet ik ook niet. Maar dat ik hier geen hobby van wil maken, dat weet ik wel. En toch, gisteren was er weer zo’n geval. Iemand die echt, oprecht fout zat. (De persoon beweerde o.a. dat het ‘wordt je’ moest zijn in plaats van ‘word je’, in een tekst van mij.) En ook al neem ik me voor niet meteen erop te springen, toch zie ik mezelf een onderkoelde mail sturen waarin ik het niet kan laten hem erop te wijzen. Erger nog: ik merk dat ik echt boos word om zijn onterechte rectificatie. Ik zou me er niets van aan moeten trekken, het niet zo ‘diep’ moeten laten komen, maar ik kan het niet voorkomen.

En dan baal ik daar dus weer van. Wanneer ik de mail stuur voelt het lekker, zo tussen de verontwaardiging door je ‘beter kunnen voelen’ dan die ander. Maar achteraf denk ik: waarom nou weer? Die kerel in kwestie betekent niks voor je, het was je meteen al duidelijk dat hij zichzelf heel wat vindt dus waarom neem je het zo persoonlijk op en waarom, waarom, waarom laat je het niet gewoon rusten? Stuur niks meer terug, laat het waaien, relax. Don’t let it get to you.

Maar er zit blijkbaar in mij een kleine, verongelijkte kleuter die bij iedere mogelijkheid om stennis te schoppen meteen erop springt.

Daar ben ik dan mooi klaar mee.

Ik ga maar weer eens aan wat zelfonderzoek doen, wroeten in the miracle that is me. En hopelijk kan ik dat betweterige ettertje in mezelf dan uitbannen.

Inne pèrresjtikker

Daar staat ze, aan de kassa. Iets teveel make-up voor haar leeftijd – ruim achterin de zestig, kort grijs haar stijf van de haarlak, en strak in de mantel. Naast haar, naar ik aanneem, haar man. Terwijl ik mijn boodschappen op de band leg, tune ik in.

“Inne pèrreshjtikker zèt d’r juffrouw!” (Een perensticker, zei de juffrouw.) Ze heeft een schelle stem, maar toch doorleefd. De caissière is naar de fruitafdeling gelopen.

“Inne pèrreshjtikker! Hasse dat jehuurt, Jo? Inne pèrreshjtikker! Dan hubbe vir os verjist dink ich.”
(Een perensticker! Heb je dat gehoord Jo? Een perensticker! Dan hebben we ons vergist denk ik.)

Jo is druk bezig alle boodschappen in te pakken.

“Wat dinkse hié da va Jo!” (Wat denk je hier dan van Jo!)

Jo gaat onverstoorbaar verder met inpakken. Maar daar neemt ze geen genoegen mee. Ze is werkelijk onder de indruk.

“Kiek! Mosse kieken! Wat dinkse doa da van!” (Kijk! Moet je kijken! Wat denk je daar dan van!) Haar handtas heeft metalen ringen bij de hengsels, en wanneer ze haar tasje naar de pinautomaat beweegt, grijpen deze zich met een hol tikje aan het ijzeren omhulsel vast.

“Joahjoah. Joaaah. Dat is megneetiesh wa. Joahjoah.” (Jaja. Jaahaa. Dat is magnetisch hè. Jaja.)
Jo knikt alsof het voor hem dagelijkse kost is, en werpt zich weer op de boodschappen.

Haar aandacht is alweer terug naar de perensticker.

“Inne pèrreshjtikker zèt ut meedsje. Dat kin netuurlik neet wah, mit appele.”
(Een perensticker zei het meisje! Dat kan natuurlijk niet hè, bij appels.)

Het meisje komt al terug met de zak appels.

“Hadde v’r get vekiejd jedoan juffrouw?”
(Hadden we iets verkeerd gedaan, juffrouw?)

“Nehneh, die zit ech d’rnève. Die sjtikkers zitte ech gans d’rnève. Ech gans bie-ee.” (Nee hoor, die zit er echt vlak naast. Die stickers zitten echt vlak naast elkaar. Echt pal naast elkaar.) Ze neemt weer plaats achter haar kassa en scant de juiste sticker.

“En d’r pries juffrouw, is dea och nog goed noe?” (En de prijs juffrouw, is die ook nog goed nu?)

“Oh sorry,” zegt het meisje, en peutert aan de sticker. “it woar iejsht drei euro en twie cènt, en nu is ut… och drei euro en twie cènt joah.” (Oh sorry, het was eerst drie euro en twee cent, en nu is het… ook drie euro en twee cent ja.)

“Nehneh, dat mach och nieks oet wah juffrouw,” (Nee hoor, dat maakt ook niks uit hoor juffrouw.) zegt ze snel erachteraan nu ze weet dat het niet duurder geworden is.

Jo heeft ondertussen de zak appels ook nog in de tassen weten te krijgen.

“Nou, adieje wah, sjoen oavens wah juffrouw.”
(Nou, daag, fijne avond juffrouw.)

“Dieje!”
(Daag!)

Het meisje draait zich naar mij toe.

“Goedenavond!” Ze scant mijn boodschappen. “Dat is dan twaalf euro veertig. Pinnen of contant? Een hele fijne avond nog!”

Taboe

Ze staat met haar elleboog op het hout geleund. Het heeft wat weg van een receptiebalie gekruist met een kroegtoog. Ze staat daar alsof het heel normaal is daar te staan. Ze staat daar alsof het haar wereld is. Ze staat daar zichzelf te overtuigen dat het allemaal relatief is.

De kleine vrouw achter de balie is warm, hartelijk, down to earth en helder. Er loopt een gedrongen Indiaas meisje langs, dat vrolijk en nieuwsgierig hallo zegt in het voorbijgaan. ‘Hallo’ zegt ze terug, proberend zo casual mogelijk te klinken. ‘Ik vind dit helemaal niet raar’, probeert ze in dat ene woord te leggen. Ze gelooft er best een beetje in.

‘Kom maar even zitten’ zegt de kleine vrouw, en loopt naar een hoekje met salontafel en bankstel. In vijf zinnen legt ze uit wat de bedoeling is en wat de grenzen zijn. ‘Absoluut geen seks, als we daar achter komen vlieg je er meteen uit’. De zakelijke kant doet ze in iets meer woorden. Belastingdienst, paspoort, maandelijkse loonstrook. Ze wijst haar op de prijslijst (menukaart?) op de tafel. Ze werpt er een blik op en ziet termen, prijzen, clean and crisp. ‘Ik zal je het gebouw laten zien.’ Ze knikt.

Alle kamers hebben een thema. De kleine vrouw vertelt rustig verder, het blijft allemaal heel simpel en helder. Ze knikt, en knikt, knikt nog maar eens. Af en toe vraagt ze iets. Ondertussen razen haar gedachten door haar hoofd en probeert ze de beklemming op haar borstkas weg te denken. Ze probeert zichzelf in zo’n kamer te zien. Aan het werk. Het gevoel in een andere wereld te zijn neemt steeds de overhand. Trap af, trap op, ze komen in een ruimte waar een keukentje is, een tuindeur, wat bankstellen, een tafel. Zes vrouwen zitten, staan en lopen er rond. Twee komen zich voorstellen, één glimlacht uitnodigend vanaf een keukenstoel. De anderen kijken haar aan, een geforceerd glimlachje. ‘En hier kun je in de zomer buiten zitten, lekker in de zon.’ Ze knikt. Lekker, denkt ze. Gek, denkt ze, dat ik dat denk, denkt ze.

Er komt iemand binnen. ‘Kom maar even achter de balie’ zegt de kleine vrouw. Ze probeert automatisch onzichtbaar te zijn, maar nieuwsgierigheid wint het op het laatste moment. ‘Kijk maar even hoe het gaat’ zegt de kleine vrouw. Ze kijkt hoe het gaat. Hoe de dames zich één voor één voorstellen. En weer weg. Gewoon een handje, that’s it. Na alle handjes één naam. Die weer doorgegeven wordt aan de vrouwen. Een mandje met flessen, een handdoek, een glimlach. En weg zijn ze.

‘Het verdient goed,’ zegt de kleine vrouw, ‘vier keer zoveel als je normaal kunt verdienen.’ Ze knikt. De enige reden waarom ze dit zou doen, zou het geld zijn. Dat, en haar eigen grenzen verleggen. ‘Je moet de knop kunnen omzetten, dat is alles eigenlijk.’ Ze knikt. Speurt haar brein af, op zoek naar zo’n knop.

Heeft ze die?

Nieuw

Ze had geen zwavelstokjes, maar ze zat wel buiten. Ongeduldig op een bankje. Haar iets te chique maillot onder haar iets te chique jas. Haar eigenwijze kinderharen in een volwassen knot gedraaid. In haar hand een lintje, leidend naar een gouden heliumballon. Ze stapte in de trein, wandelde door de coupés, druk pratend tegen haar moeder. Met iedere stap een klein rukje aan het lintje, een dansje in de lucht. Ik zag de wiebelende ballon over het gangpad naderen, ik hoorde haar klaterende stem alles in de coupé benoemen. De kapstokken om een jas aan op te hangen. De klapstoelen voor als het druk was. De riem om de vouwfiets aan vast te haken. Het tafeltje om brood aan te eten. De vierzit voor als je broertjes ook mee zouden zijn. De trein een avontuur, haar aanwezigheid mijn nieuwjaarsgevoel.

Bergen. En ze ook nog willen verzetten.

Verzadiging. Of overload. Het is maar hoe.

Dat ik daar zat, tegenover twee dames die in alles mogen graven. Dat ik het liefst overal behalve daar. Maar ik het toch deed. Omdat een mens de huur moet kunnen betalen. Dat ze nog meevoelend bleken ook. Dat ik niet meteen, maar eerst rustig hulp moest zoeken. Dat mijn ego en mijn gezond verstand met elkaar in conclaaf. Ik toch koos voor de slimste optie. Dat ik gaandeweg de afgelopen dagen moet concluderen dat dat ook de reëelste optie is. Dat dat weer een kleine klap is.

Dat ik daardoor dus naar de dokter moest. Waar bleek dat mijn dossier nooit over de grens geraakt was. Dat ik dus weer alles opnieuw moest. Maar hoe het nu met me. Dat hij me na twee zinnen onderbreekt. Dat hij met één oude vinger. Dat na drie minuten eindelijk een webpagina verschijnt op zijn scherm. Of ik een computer heb thuis. Meld je daar maar aan. Gewoon even bellen. Dat ik wel met een verwijzing de spreekkamer verliet. Waardoor ik weer iets heel engs. Morgenvroeg meteen om acht uur, sprak ik met mezelf af, om er vanaf te zijn. Dat ik me daar ook nog aan hield. En ook daar weer lief en voorzichtig trof. Dat er niet over me heen gewalst wordt. Voor het eerst misschien wel. Dat dat ook weer wennen is. Mijn beeld van de wereld, en hoe dat scheef.

Dat mijn brein ondanks alle positieve realiteit toch iedere nacht opnieuw alles weet te verstieren. Ja nu lijken ze je te begrijpen, maar wat als die nieuwe, wat als het allemaal opeens omdraait. Dat ik alweer grijp naar escapisme, om mijn brein overeind te houden. Dat het allemaal zo eng is, en dat nu juist weer precies bevestigt wat ik niet wilde weten van mezelf.

En dan die twee. Een dag op bezoek, na maanden. Maanden, dat zijn weken en weken vol dagen waarin ik ze niet. Waarin ik zonder. Dat ze opeens aan het station staan, precies zoals ik ze meegenomen had al die tijd. Dat ze op haar niet meer zo kleine voeten naar me toe rent. Dat dat mijn hart doet opspringen. Dat we als vanouds. Maar toch met een scherp randje, alsof we alledrie proberen te verzwijgen dat het nu anders, dat het niet meer zoals. Dat ze achter mijn computer kruipen, en ik vanaf de bank dat vastleg, hoe ze hier zitten, alsof ze nooit. Dat we genieten, alsof ons leven.

Dat ik typisch ik ben, en zij typisch zij. En hij typisch hij. En dat dat zo heerlijk. Haar handen om de mijne. Aaien. Tegen haar wang getrokken, lichte kusjes erop. Dat ik haar vel vol liefs prominent in de kamer heb gehangen. Dat ik zeur over hoe leuk mijn elfenschoenen zijn. Dat we samen de stad in. Dat ik uren later tegen twee dichtgetrokken pashokjes roep ‘Weten jullie eigenlijk al dat ik elfenschoentjes aan heb?’ Dat vanachter die twee gordijntjes in koor een ‘Nee?!’ klinkt. Dat ik grinnikend ‘Ik heb elfenschoentjes aan!’, en zij verbazing veinzend ‘Oh!’. Dat dat een beetje thuiskomen is. Dat zij een droge opmerking, en ik midden op straat in een deuk. Dat hij in al zijn zichzelf-zijn zo enthousiast tegen de kassière. Dat ik dat gemist heb. Dat ik zijn blik vang, wanneer ik me omdraai in de winkel. De mengeling van fijn en pijn in zijn ogen. Dat we lachen, dat we alles, en zo vanzelfsprekend. Dat ze toch ook weer in de auto stapten. Weer terug. Weer weg.

Dat ik ondertussen weet dat over een aantal weken. Dat ik er steeds meer gewicht aan heb gehangen. Dat ik dit wil kunnen. Dat ik dit wil. Van onder de helm, handen aan het stuur. Dat ik mijn vrijheid wil kopen. Moet moet moet. Moet moet moet moet moet. Hoe hoger de druk, hoe lager de slagingskans. Gedachten. In rondjes, slingerend tot er bijna geen ruimte meer is. Dat ik moet proberen het van me af. Dat dat de enige manier. Dat ik ons al zie rijden, niets dat me in de weg. Half Nederland door, of nog verder. Dat ik mezelf wil dwingen de losheid te zoeken. De ‘fuck-it’ attitude. De als-iedere-aap-het-kan-kan-ik-het-ook. Dat dat nu juist het probleem is. Dat als ik het niet blijk te kunnen, dat alleen maar bevestigt dat ik dus minder dan. Dat dat zo pijnlijk veel druk legt dat ik. Achter mijn ogen, brandend.

Dat ik dus teveel ineens. Emoties. Dat dat rommelig is. Omdat het soms fijn, en soms ook juist veel en veel te veel. Dat ik nog lerende ben, te voelen. Te bestaan. Dat met voelen ook mijn angsten opvlammen. Dat dat alles kleurt. En dat het vechten daartegen ook weer veel. Dat ik moe word van mezelf, en tegelijkertijd niet anders wil. Wel anders, maar niet terug. Niet terug naar het zwarte gat dat ik was, voordat ik durfde. Dat ik muziek aanzet, de snelweg naar tranen. Dat ik hoop dat ik mezelf kan leegdruppen. Dat er dan licht overblijft. Maar dat dat doodeng. Niet weten wat er aan die andere kant. Dat ik dat alleen aankan als ik een stok achter. En een vangnet onder. En twee ogen wijd open.

Zo veel.

Man met moeite

Standing and looking I

Minutenlang tuurde hij naar het scherm van de Duitse kaartjesautomaat. Zijn houding, zijn uiterlijk, en die toevallige motor naast hem maakte dat ik mijn fototoestel wel moest trekken. Iemand op flickr zei ‘Het lijkt wel alsof hij na een week op die motor rijden nu net is afgestapt!’ En die interpretatie maakt zijn houding alleen nog maar grappiger, in mijn ogen. Prachtig, zo’n onbedoelde straatkunst.

Lepelen

Een grote eetlepel in een klein theekopje. Omdat ik thee dronk, en yoghurt at – recht uit de pot. De pot terug in de koelkast zette, en de lepel ergens kwijt moest. Hem toen maar in het lege kopje plantte.

Het ziet er zó raar uit, die grote lepel in dat kleine kopje, dat niets meer overeind blijft – ik meteen aan alles ga twijfelen. Alle schema’s en hokjes in het brein, alle aannames, logica’s, waarheden. Als één lepel de wereld al zo op z’n kop kan zetten, wat kan een handeling dan? Wat een beeld? En wat (als we eerlijk zijn) een gedachte, een gevoel, een woord, een beslissing?

Ik haal de lepel snel uit het kopje en leg hem op het aanrecht. Sluit de gelederen en doe alsof er niets ontplofte.

Anders

Ze staat te wachten tot het groen wordt. Vier passen van de stoeprand vandaan, turend naar het rode mannetje. Ze draagt een lichte slobberbroek, de pijpen in nep-Uggs gefrommeld. Haar jas is vaal roze met een beige bontkraag. Ze heeft lang bruin golvend haar. Ik schat haar een jaar of veertien, vijftien. Als ik naast haar kom staan wachten, kijkt ze naar haar tenen.

Groen. Ik stap van de stoep af, begin over te steken. Ze ziet vanuit haar ooghoek dat ik beweeg, dan durft ze op te kijken naar het voetgangerslicht.

Ze komt in beweging: op een draf rent ze naar de overkant. Wat me opvalt is haar platvoetloopje. Ze lijkt haar voeten niet door te rollen, maar plat neer te ploffen. Haar nep-Uggs maken een onverwacht helder plats-plats-plats geluid. Haar armen houdt ze in renstand, haar vuisten gebald. Ze marcheert langs me, aan de overkant vertraagt ze weer tot looptempo en wandelt rustig verder. Ik vraag me af of ze misschien jonger is dan ik dacht, en nog oprecht bang is om de straat over te steken.

Ze loopt honderd meter lang voor me uit. Ik bekijk haar postuur, haar bewegingen. Ze lijkt een doodgewone tiener in de schemering. Zij en ik lopen sneller dan de drie meiden die verderop lopen, giebelend. We beginnen op ze in te lopen. Het meisje nadert het groepje tot op een meter of vier. Dan draait ze bruusk een kwartslag, en rent op haar geheel eigen wijze de straat over. Plats-plats-gebalde-vuist-plats-plats-gebalde-vuist-plats-plats tot ze de stoep bereikt. De drie giebelmeisjes kijken verbaasd om. Ze staren het meisje na, tot ze aan de overkant weer haar normale tred aanneemt. Ik vraag me af of ze bang was om de meisjes in te halen. Of misschien wel gewoon bang was voor de meisjes.

Ik kijk hoe ze de straathoek nadert. Er staat een paal met een straatnaambordje. Ze houdt plots halt pal naast de paal. Ze kijkt naar haar overkant. Ze draait een rondje om haar as. Ze grijpt hard met beide handen de paal vast, laat abrupt weer los. Ze kijkt weer naar de overkant. Ze lijkt gespannen. Dan begint het me te dagen.

Ze is geen ‘gewone’ tiener. Of ze nu een verstandelijke beperking heeft, of een vorm van autisme, ik kan het niet beoordelen, maar dat ze ‘anders’ is, dat is opeens heel duidelijk. Ze lijkt bang om de straat over te moeten steken zonder verkeerslicht of zebrapad. Ze staat moed te verzamelen, lijkt het wel. Wat gek, denk ik opeens: voor die giebelmeisjes rende ze zonder een moment van twijfel de straat over. Ook zonder zebra, zonder lichten.

Er komt een vrouw aangelopen. Het meisje buigt haar hoofd weer, staat stil. De vrouw zegt iets tegen haar, neemt haar bij de arm. Samen wandelen ze de hoek om.

Ah. Ze moest dus niet oversteken. Ze was op het punt waarop ze opgehaald werd. Waarschijnlijk steekt ze altijd in het midden van deze straat de weg over, en stond dat los van de giebelmeisjes, kwam het gewoon net zo uit dat het vlak voor hen gebeurde. En misschien was ze wel gespannen omdat degene die haar op de hoek oppikt, er nog niet was.

Dan daagt het me: Het meisje is wie ze is. Ik was het, die op de helft van haar acties mijn eigen wereld projecteerde. Want ík was die tiener die bang was voor leeftijdgenootjes, vooral mede-meisjes. En ík was het meisje dat zich ongemakkelijk voelde in sociale situaties waarbij je naast vreemden moest staan. En ik was het ook, die ‘anders’ was. Anders dan mensen die wel durven te bestaan. Anders dan tienermeisjes die wel zelfvertrouwen hebben. Anders dan mensen die niet verteerd worden door angsten. Alleen probeer ik krampachtig niet te laten zien dat ik anders ben, terwijl dit meisje gewoon zichzelf is – ongeacht wat ik daar allemaal van kan denken.

Zoals

We moeten nog zo lang. Ze zegt het zacht, in je oor in de trein in de leegte. Beweging is voor hen die met opgetrokken knieën in een boek kunnen leven. Je legt je hand op het raam, kijkt bomen door je vingers. Een schaap rust zijn kop in het kuiltje van je pink en ringvinger. Je balt een vuist. Misschien ben je al jaren bezig antwoorden te vinden op onbestaande vragen. Van niet-bestaande anderen. Een gebrek schreeuwt luider dan eenzaamheid voor het slapengaan. Je duwt een lok achter haar oor, legt je vingers op haar oogschaduw – sluit te hardhandig haar ogen. Bruusk. Zo draait zij zich van je af. Je knikt. Je had het zelf niet anders gedaan. Schuifelend naderen je voeten, zoek de inhammen van je zolen, een halve schoen vooruit en ze passen in elkaar. Wat valt er te sparen in wat te boek staat als ongeduld? Je hebt nooit níet geleefd, je hebt het enkel voortdurend koud gehad. Je zoekt woorden waar bestaan hoort te zijn. Het mag niet druppelsgewijs, houd je jezelf voor. Je drapeert je hand over je gezicht, de palm op je slaap, je wijsvinger over je wenkbrauwen. Het puntje van je neus als schaap. Je wacht, want je weet: alles komt als je even niet kijkt.

Zijn, hebben, heeft

Hij heeft mij. Hij heeft mij vanaf dag drie gehad. Misschien dag vier, veel meer kan het niet geweest zijn. Ik liet mij bij hem achter, nestelde mij in zijn grote mond, zijn kleine hart. Wist daar een gloeiende plek te vinden, waar het nooit verkilde. Toen ik jaren later wegliep, stroperig, bleef ik bij hem achter.

Ik liep verder, nog verder, en de draden sponnen dunner en dunner, maar los liet ik niet. Lieten wij niet.

Hij heeft mij ook. Hij die later kwam, die mijn losgewoelde zijn in zijn handen nam, en er dag na dag, voorzichtig – maar vastbesloten, weer een bol van spinde. Hij die zelf ook een teveel aan wol had. Een tekort aan spinnen. Steeds struikelde ik over draden die nog los hingen, bungelend meesleepten. Hij wist ze te vinden. Soms met zijn ogen, soms met zijn hart, soms door eroverheen te lopen. Dan bleven ze aan hem kleven. Af en toe trok hij aan de verbonden draden, de draden die nog aan de gloeiende hij hingen. Hij wist er een aantal los te trekken, sneed er hier en daar eentje af.

Terwijl ik mijn zijn over hem uitspon, en hij zich erin wentelde, brokkelde ik in kleine stukjes over alle drempels. Ik verloor mijzelf bij iedere stap. Er restte mij niets dan me aan de draden van ons zijn optrekken, hoger, verder van dat wat onder me wegviel. Ik klampte me vast aan de kluwen die wij onderhand waren.

Het kon niet, kon niet duren. De brokstukken wogen te zwaar.

Ik liep, nee ik rende. Harder en sneller dan de pijn. Hier zit ik – alleen, met draden ver de grens over gesponnen. Want ik weet niet hoe, ik heb geen idee. Mijn handen, graaiend naar mijn zijn, ik tol om mijn as, wentel mijzelf in zelf. Aan mijn haren trek ik me overeind, mijn voeten stampend op de spinsels van vorige levens.

En daar was hij. Hij die maakt dat ik in de spiegel moet kijken, hij die maakt dat ik meer kan tillen dan ik kan. Terwijl er af en toe nog een draad los springt van ver – draden die me keihard in het gezicht raken, zie ik voor het eerst in jaren weer kleine scheuten. Mini-spinsels, die voorzichtig uit mij kruipen. Sommige worden direct neergesabeld door het daglicht, andere groeien fragiel verder.

Hij doet mij groeien. Dat staat vast. Maar hoe, of misschien zelfs ondanks. Ik groei in het licht van zijn leegte. Waar hij over mij heen walst, mijn zijn aan flarden trekt, waar hij neemt wat er te halen valt, daar zie ik de gaten bovendrijven. Door al het spinnen van afgelopen jaren kon ik mijn ogen sluiten voor wat er miste. Nu struikel ik over plotse kuilen, kijk vanuit een donker naar mijn lege ogen en huil.

In het vocht spinnen zich draden, draden die ditmaal niet van mij af reiken. Draden die zich om mij heen wikkelen, en weer recht naar binnen groeien. Daar zitten ze soms in de weg, maar het geeft niet. Het geeft niet. Soms, in de nacht, sla ik een snaar aan. Een van de draden ver de grens over – ik luister naar het geluid, soms simpelweg om het te horen, soms om te merken of het nog vast zit, daar aan het andere eind.

Ik maak drempels en klauter ze over. Ik spin draden en laat ze achter. Ik was van hem. Ik ben van hem. En van hem. En soms een beetje van mezelf. Heel sporadisch glimp ik. Dan spiek ik tussen mijn toegeknepen ogen door diep in de gapende gaten, en zie dat de draden al drie decennia zoekende waren, wapperend in de leegte. Dan knijp ik mijn ogen stijf dicht, en sla weer een van de verankerde exemplaren aan. Omdat die zoveel helderder klinkt dan het doffe geluid van loze spinsels die voor mij uit over de vloer slepen. Want. En dat mag niet zo zijn, daar verzet ik mij hels tegen, maar toch: want.

Ik was nooit van hem.