Als je kat Mirra heet, vraag je er misschien ook wel een beetje om

Iedereen kent de filmpjes wel denk ik, van een of andere kitten die zichzelf in de spiegel ziet, een hoge rug opzet en in de aanval gaat, en dan geagiteerd achter de spiegel kruipt om die andere kat te zoeken.
Dat beeld is zo’n beetje het algemene beeld denk ik, dat mensen van kat+spiegel hebben. We gaan dus uit van de volgende twee stellingen:

1. De kat kent het concept ‘spiegel’ niet.
2. De kat herkent zichzelf niet.

Want immers, als de kat het concept spiegel zou begrijpen ging zij niet erachter kijken. Ook zou ze zich niet bedreigd/uitgedaagd voelen als ze zou begrijpen dat ze het zélf was, dat spiegelbeeld.

Nu heb ik een kat of zes à zeven van dichtbij genoeg meegemaakt om te weten hoe ze met spiegels omgaan. Mijn ervaring is dat ze als kitten de spiegel nog als concurrentie zien, en naarmate ze ouder worden gewoon simpelweg het hele ding negeren. Ik ken ook een aantal katten die denken dat spiegels een soort raamkozijnen zijn. Mijn vorige katje Kaia en mijn huidige transgenderkat Dakota proberen allebei door de spiegel te klimmen, tot ze hun neus stoten, dan houden ze ermee op en gaan weer over tot het volkomen negeren van het ding.

Nu – en ik kom eindelijk ter zake – heb ik dus nog een andere kat: Mirra. Een al wat oudere dame in overwegend zwart verenkleed, die heel anders met spiegels omgaat. Zij is de enige kat die ik ken die dit gedrag vertoont, en ik vraag me dan ook af wat het wil zeggen, én of er meer katten zijn die dit doen.

Ik zal het uitleggen. Mirra gebruikt de spiegel als handig gereedschap. Mirra en Dakota hebben regelmatig ruzie, want Dakota jaagt Mirra op en pest haar weg. De kamer uit, gewoon omdat het kan. Nu had ik in mijn vorige huis op de slaapkamer pal naast het bed mijn kledingkast staan, die een manshoge spiegeldeur heeft. Wanneer Mirra op het bed zat (of juist eronder) en Dakota onder het bed zat (of juist erop) dan keek Mirra dus doelbewust in de spiegel, zodat ze kon zien of Dakota inderdaad daar zat. Wanneer zij op het bed zat, bleef ze in de spiegel turen tot ze zag dat Dakota dicht genoeg bij de rand was, om hem vervolgens een rotmep te verkopen vanaf het bed. Wanneer ze onder het bed zat, tuurde ze in de spiegel om in de gaten te houden wanneer Dakota’s aandacht verslapte en hij niet meer naar de vloer zat te turen maar even uit het raam keek, of zijn staart waste, of iets dergelijks. Dan sprintte Mirra als een gek onder het bed uit en rende haar veiligheid tegemoet richting woonkamer.

Ook gebruikt Mirra de spiegel als het om aandacht gaat. Er staat hier een make-up spiegel op tafel tegen de muur, en Mirra’s mandje staat ernaast. Ze gaat geregeld in het mandje liggen, met haar kopje op de rand, en tuurt dan in de spiegel naar mij. Ik zit veelal achter de computer, enthousiast op mijn toetsenbord te rammen. Soms kijk ik op, en dan zit Mirra mij via de spiegel aan te staren. Wanneer we – via de spiegel dus –  oogcontact maken, miauwt ze naar me, ten teken dat ze geaaid wil worden. Omdat ik haar spiegelgedrag opvallend vind, experimenteer ik dus ook met haar besef van dat concept. Zo kwam ik erachter dat wanneer ik op dat moment mijn hand ophef, iets dat zij niet ‘in het echt’ kan zien omdat het achter haar rug gebeurt, maar wat ze wél via de spiegel kan volgen, dat zij dan de beweging van mijn hand volgt. Wanneer ze ziet dat mijn hand richting haar begint te bewegen, rolt ze haar bovenlijf en kopje richting de echte ik (niet de spiegel-ik) om zo perfect op het goede moment bij mijn hand uit te komen om geaaid te worden. Om uit te sluiten dat ze gewoon de luchtverplaatsing voelt of mijn kleding hoort bewegen of iets dergelijks, heb ik het ook geprobeerd wanneer ze niet in de buurt van een spiegel ligt. Wanneer ik dan achter haar, dus uit haar zicht, hetzelfde doe, gebeurt er niks. Wanneer mijn hand haar kopje raakt schrikt ze lichtjes op – een teken dat ze het dus niet zag/hoorde/voelde aankomen.

DSC_0840

Goed. Nu denk ik dus bij Mirra te kunnen stellen dat voor haar stelregel 1 blijkbaar niet opgaat: ‘De kat kent het concept ‘spiegel’ niet.’ Volgens mij moet zij op een of andere manier ‘begrijpen’ dat een spiegel haar omgeving weerspiegelt. Ze snapt dat ze onder het bed kan kijken via de spiegel, en daar dan Dakota ziet. Ze denkt niet dat Dakota vóór haar zit, in de spiegel, nee ze snapt dat het een reflectie van Dakota is. Hetzelfde gaat op voor mijn hand, en mijn ogen. Ze zoekt oogcontact zonder te denken dat ik in de spiegel ben. Ze begrijpt dat wanneer ik mijn hand beweeg, zij naar mij toe moet bewegen, en niet naar de spiegel toe.
Wat stelling 2 betreft: ‘De kat herkent zichzelf niet’, daarvan denk ik dus dat dat waar is. Ze heeft nooit enig teken gegeven dat ze zichzelf in de spiegel bekijkt, of zichzelf lijkt te herkennen. Toch, als ik verder redeneer, vraag ik me af of dat wel kan. Kan het zo zijn dat ze wel het concept spiegel snapt, en het dus kan inzetten, maar niet dat zij zelf dan ook zichtbaar is in die spiegel? Heeft ze een soort blinde vlek daarvoor? Of zou ze het wel weten, maar er gewoon niets mee doen? Het bekende apen-experiment ‘de spiegelproef‘ waarbij ze een rode stip op hun voorhoofd krijgen, en wanneer ze in de spiegel kijken hun hand naar hun eigen voorhoofd bewegen (wat dus wil zeggen dat ze besef van hun ‘zelf’ hebben) gaat niet echt op voor katten. Katten zouden zichzelf schoonwassen als ze iets ruiken of voelen, maar niet puur op zicht.

Nu zit ik dus met twee vragen: Hoe zit Mirra’s besef van spiegels precies in elkaar, en zijn er meer katten die dit doen? Omdat ik maar een handvol vergelijkingsmateriaal heb, kom ik niet zo ver. En omdat ik niet heel veel experimenten kan doen – het blijft een kat – wordt het me niet echt duidelijk hoe de vork nu in de steel zit. Dus. Mochten er kattendeskundigen of gedragsdeskundigen of enthousiastelingen, logici of wie-dan-ook-die-er-iets-van-denkt onder ons zijn: ik hoor graag uw mening.

Hoist with his own petard

Alles klinkt vandaag als een cliché. Die gedachte kan ik in een tweet stoppen en de wereld in zenden. Ik kan ook mijn blog opengooien, en zien waar het strandt. En zien waar het strand is. Bij de zee, last time I checked. Een cheque, gebruikt men dat nog? Voor echt geld-geld, niet voor een of ander winkeltegoed. Je bent te goed voor deze wereld. Wereldfilms. Alsof er ook films zijn die op Jupiter gemaakt zijn. Jupiler. België. Wie was ik daar? Ik was daar mezelf, maar dan de light versie. En dat was gek genoeg heel zwaar. Zwaar maar waar. Zwaar ook zijn knieën. Zwaar zijn lichte kijk op het leven. Zwaar zijn bagage, die hij op de schouders van zijn dochter laadde, en die ik weer van haar probeerde af te nemen. Ik ben daar deels in geslaagd, denk ik. Mijn belangrijkste accomplishment van de afgelopen jaren. Mijn gedachten gaan nog vaak de grens over. The unbearable lightness of fleeing. Ik sta met twee voeten in het nu hoor, en volmondig. Maar je neemt schimmen mee, aan de hand, iedere nieuwe kamer in. Ik heb er een stuk of 5 nu. Ze wisselen elkaar af naargelang mijn stemming. Sommige van hen zijn er al jaren en jaren. Die sleepte ik al menig oud vertrek in. Ik stelde ze voor aan het nieuwe daglicht, ze werden veelal geen beste vrienden. Ik weet het, ik weet het, maar het is niet anders. Hoe dan ook: ik heb ze nodig, ze zíjn mij. Ze zijn al lang niet meer wie ze ooit waren, ik heb ze vermaakt tot delen van mijzelf. Ik kan er gesprekken mee voeren, ik kan ze oproepen wanneer ik iets specifieks mis, ik haat ze, koester ze, en zo is het. Punt. Komma. Coma. Het voortdurende gevoel niet te leven, maar wel te bestaan. Bestand zijn tegen imperfectie, het valt niet mee. Meevallen, dat is je samen ten onder laten gaan. Willingly. Willen is het moeten van volwassenen. We leren af om keihard in de winkel te krijsen dat we snoep moeten. Dat ene autootje moeten. Nog niet naar bed moeten. We leren te willen. We willen meer in het leven, we willen vooruit komen, we willen nog steeds snoep, maar dan in bitterzoete vorm gegoten. Genoten, van het lichaam tegen die ander. Genoten van elkaars willen. Wederzijds. Weder is her – is opnieuw. Opnieuwzijds. Steeds opnieuw op zoek naar die roes. Roest. Het zet zich af in je hart. Hardop. Durven zeggen dat het anders kan. Kanttekening: ik weet het ook niet. Ik weet het niet want alles is al gezegd. Gedaan. Gewild. En dat is waar het explosief verstopt zit: gewild worden. Woorden, daar heb ik er genoeg van. Daden ook, ik dader wat af. Neem hier en daar een willekeurig ledemaat mee, smijt dit achteloos in een hoek en struikel er af en toe over in het voorbijgaan. Want alles gaat voorbij. Bijval. Dat is als je jezelf ook maar dat zwarte gat in werpt waar de ander al in ligt. Licht, dat sijpelt mee. Maar zijn licht zul je niet worden, want wie in het donker leeft heeft meer te verliezen dan het zwart alleen. Alleen zijn terwijl je samen bent. Maar wacht, er is meer. Niet alles is een kluwen, er zijn ook rechte lijnen. Van jou naar mij, van hier naar daar, en no way dat ik ooit terug ga. Er is zoveel moois, je hoort het je oma zeggen. En ze heeft gelijk. Potverdomme wat heeft ze gelijk. Open je handen en zie wat daar te zien is: alles wat je hebt. En alles wat daar weer uit voortvloeit. Geboeid kijk je naar die hond aan je voeten, hoe ze stuiptrekt in haar droom, piepgeluidjes maakt en dat je daarom móet grijnzen. Dat je haar wil platknuffelen omdat het kan. Omdat het kan. Omdat het mag. Dat willen, dat eeuwige willen, dat moet mogen worden. Want mogen is waar alles kan bestaan. Het boek dichtslaan en de film in stappen. En dat niemand er meer iets van begrijpt maar jij opeens alles weer helder voor ogen ziet. Voor mogen ziet. Dát. Dat is waarom ik schrijf.

Staat genoteerd

Je lichaam verandert sneller dan je geest. Niet dat dit wat uitmaakt, maar het is het vermelden waard. Net zoals het best vermeld mag worden dat ik iemand over het hoofd zag vanavond. Niet als in eroverheen kijken, maar zoals in ‘Hee ben jij hier ook!’ en dat hij dan zegt ‘Eh….ja? Ik heb daarstraks hoi tegen je gezegd?’ en dat ik ‘Nee… echt?’ uit weet te brengen en hij dan fronsend ‘Ja, ik vond al dat je heel vaag reageerde…’ antwoordt. En dat ik me dan echt stom en lullig voel en nog een uur in de kroeg zit na te analyseren hoe dat zo kon komen, de pub was namelijk bijna leeg en hij liep recht op me af – en ik uiteindelijk het antwoord nog weet ook. Maar écht weet, niet een beetje een verklaring zoeken, maar gewoon begrijpen wat er gebeurde, in mijn brein, en daar dan evengoed nog verbaasd over kunnen staan. De geest is koppig, stroperig in het accepteren dat je bent wie je bent, en dat die zogenaamde “je” je nog geregeld verbaasd laat staan. Dat ik iemand blijk te zijn die zó in beslag genomen afwezig kan zijn (en dat nooit achter mezelf gezocht heb). Helemaal wanneer je bedenkt dat ik een half uur later de deur van de kroeg opende, een silhouet in het donker zag en meteen wist wie hij was: een vervlogen vriend. En niet alleen dat, maar dat ik óók in diezelfde kwart seconde direct wist dat ik hem niet meer wilde kennen en daar meteen mijn hele houding op aan wist te passen, nog voor hij vanuit zijn ooghoeken dezelfde herkenning kon vinden. En dat er dan zo’n olifant-in-de-kamer-spelletje ontvouwt, waarin we op twee vierkante meter staan te roken en we toch geen enkele keer elkaars bestaan erkennen. Waardoor je misschien nog wel meer bevestigt dan je zou willen. Maar dat is weer een ander verhaal.

Laat ik het hierbij houden: de badkamerspiegel laat haarfijn zien dat mijn lichaam constant verandert. Maar ik blijk de buitenwereld nodig te hebben om in mezelf te kunnen kijken. Iets dat ik graag vergeet, in mijn kluizenaarsbestaan. Dus erken ik hier, vannacht, tegenover jullie – de mensheid – maar vooral tegenover mijn geest: ik heb jullie nodig om mezelf te blijven kennen.

Achter de struiken

Ik wandel met mijn hond door een groot park. Aan het park grenst het schoolplein van een basisschool. Ik kan minutenlang alle kinderen die pauzeren observeren terwijl ik door het park struin.

Het is de bovenbouw die momenteel pauze heeft. De leraren staan in de buurt van de schooldeuren wat te keuvelen en een oogje in het zeil te houden. Alle kinderen zijn samen op het plein, verdeeld in groepjes: sommigen spelen, andere praten. Op één jongen na. Die staat helemaal apart van de anderen, achter een paar afgelegen hoge struiken, totaal uit het zicht van iedereen op school. Hij heeft zijn spijkerjasje over zijn hoofd gehangen, en staat met een twijg een beetje onrustig in de struiken te porren. Hij tuurt onafgebroken door diezelfde struiken naar iedereen op het plein.

Mijn hart breekt, maar ik weet helemaal niet of dat terecht is. Misschien is het zo’n jochie dat graag wil uitvinden of hij gemist wordt als hij na de bel niet in de klas blijkt te zijn. Zodat iedereen moet lachen. Misschien is het een enorme etterbak die staat te broeden op een verrassingsaanval mocht iemand in de buurt van de struiken komen. Ik weet het niet, maar zijn lichaamstaal zegt voor mij eerder dat hij een buitenbeentje is. Geen enkel groepje lijkt hem te missen. Niemand lijkt naar hem op zoek. Het ziet eruit alsof hij de tijd aan het doden is, tot de bel weer gaat. Dat hij hoopt dat niemand hem opmerkt in de tussentijd, zodat hij niet gepest zal worden.

Uiteraard doet me dat aan mijn eigen schooltijd denken. Ik was nooit populair. Maar ik was ook nooit de zogenaamde allerlaagste rang – de pispaaltjes. Ik werd nooit gepest, maar hoorde ook absoluut niet bij de ‘populaire kinderen’. Ik had altijd wel een of twee vriendinnetjes waarmee ik speelde. En toch heb ik me iedere dag, ieder uur, ongemakkelijk gevoeld op school. Altijd bang dat ik zou opvallen, iets ‘fout’ zou doen, er stom uit zou zien (mijn kleding leek niet op die van de populaire kinderen, mijn kapsel evenmin). Voor het bord komen? Daar had ik iedere nacht voor het slapengaan angstgedachten over. Ik haalde hoge cijfers en was goed in sport, maar ik was steeds bang dat het te hoog, of te goed zou zijn. Ik zag dagelijks kinderen gepest worden omdat ze zichzelf waren, anders, of een beetje klunzig, of juist vol zelfvertrouwen terwijl ze niet populair waren. Alles was potentieel verkeerd. Ik wilde onzichtbaar zijn, het liefst van alles. Dat is wat ik denk te herkennen in dit jongetje, met zijn jas over zijn hoofd achter de struiken, de minuten aftellend tot hij weer bevrijd wordt van het ‘vrije’ speelkwartier.

Ik zucht diep, half uit opluchting omdat ik niet meer op school zit, half meelevend omdat hij wél nog middenin dat systeem zit.
Ik loop nu vlak langs hem. Een meter groen, een hek, en daar staat hij.
Ik hoop dat hij zich even omdraait, zodat ik bemoedigend naar hem kan glimlachen. Maar nee. Hij blijft met haviksogen naar de andere kinderen turen.

Houd vol, denk ik. Het wordt ooit beter.
Echt.

Kapsores

Ik sta in de woonkamer voor de spiegel. Naast mij op de tafel ligt mijn motorhelm en een keur aan haarfrutsels.
Ik sta al bijna tien minuten te experimenteren met klemmetjes, speldjes en elastiekjes in de hoop een kapsel te kunnen fabriceren dat onder mijn helm nog enigszins toonbaar blijft.
‘Voor dit soort momenten zou het handig zijn sluik haar te hebben’, verzucht ik dramatisch terwijl ik nogmaals mijn helm opzet en weer afzet.
Ook dit kapsel overleeft de helm niet.
Ik verzin weer iets anders. Een soort halve staart die ik losjes hoog op mijn hoofd bind.
Helm op, en weer af.
Het zit nog! Ongeveer. Goed genoeg. Ik draai mijn hoofd in de spiegel. Keur van links, van rechts, van voren.

‘Het ziet er wel ernstig jaren negentig uit geloof ik…’ peins ik. ‘Misschien wel gruwelijk jaren negentig zelfs…’
Mijn hond ligt me al de hele tijd gade te slaan vanuit haar mand. Ze kijkt met een blik vol onbegrip naar het ronde ding dat ik steeds op en af zet.
‘Ja, wat ben ik nu aan het doen hè?’ kakel ik richting de hond.
Ik kijk weer in de spiegel. Ja, denk ik nu serieus: wat ben ik eigenlijk aan het doen?! Het zal wel meevallen met dat 90’s-gehalte. Stel je niet aan. Hup.

Ik laat de helm voor wat hij is en loop naar de bank, alwaar de thriller-serie die ik aan het kijken ben netjes aan de start van aflevering 4 staat te wachten tot ik en mijn haar-obsessie klaar zijn voor de film.

Ik kijk naar het scherm, dat gepauzeerd staat op de beginscene, en barst keihard in lachen uit.

De serie is in 1997 opgenomen.
Groot in beeld staat exáct mijn huidige kapsel, op het hoofd van een ietwat gedateerd aandoende actrice.

Ik deuk mijn ego uit en laat de rare staart toch lekker bovenop mijn hoofd staan. Zo.

De reiger

Hij bekijkt online een mooi huisje, dicht in de buurt van natuur gelegen.

Hij: “Kijk, er zit daar zelfs een reiger bij de vijver!”
Ik: “Echt of nep?”
Hij”: “Die is echt hoor. Geweldig toch?!”

We rijden toevallig langs het betreffende huis dat we een paar dagen eerder online zagen. We stoppen de auto even aan de overkant.
Ik kijk naar de gevel, dan naar het poortje, dan naar de tuin, en dan zie ik het.

Ik: “…die reiger hè… die is dus toch van plastic.”

Hij tuurt met tegenzin de tuin in. Ik zie zijn blik in een paar tellen van vastberaden naar teleurgesteld glijden.
Hij knikt in zichzelf gekeerd, en start beteuterd de auto.

Mevrouw Packbiers

Zo’n tien meter voor me loopt een kwieke dame van een jaar of 75. Ze stapt stevig door, tot ze aan de overkant van de straat een andere dame op leeftijd in het oog krijgt.
Hallo!‘ Ze staat stil en roept naar de overkant. Maar de dame hoort haar niet.
Joehoe!‘ ‘Hallooohoo!‘ Ze zwaait haar armen boven haar hoofd. Ze wil vast een praatje maken, of haar iets belangrijks vertellen. ‘Haaaallo!
Mevrouw Packbiers kijkt een beetje verward mijn kant op, maar ík ben het niet die haar aandacht wil trekken.
Joehoe! Mevrouw Packbiers! Joehoe!‘ Ze heeft nu haar handen als een toeter rond haar mond geplaatst, om de overduidelijk ietwat dove Mevrouw Packbiers toch te bereiken met haar stem.
Mevrouw Packbiers! Joehoe! Halloooohooo! Mevrouw Paaaackbiers!

Ik loop op de kwieke dame in, en net voor ik haar passeer weet Mevrouw Packbiers dan toch eindelijk de goede richting op te kijken. Ze haalt een vertwijfelde hand uit haar jaszak en zwaait die voorzichtig een keertje naar de overkant. Ik heb het idee dat ook haar ogen niet meer zo goed zijn, maar ze heeft in ieder geval in de gaten dat er iemand naar haar zwaait en roept.

Mevrouw Packbiers! Ja!! Joehoe!‘ De kwieke dame lacht me stralend tegemoet: ‘Ze hóórde me niet!‘ Ik grijns en schud bevestigend mijn hoofd. ‘Nee!‘ Lachend draait ze zich weer om naar de overkant van de straat.
Mevrouw Packbiers, doei! Doei Mevrouw Packbiers, doei! Doehoei!

Ik moet hardop lachen om het feit dat de kwieke dame geen énkele boodschap bleek te hebben behalve ‘doei’. Ik vind het überhaupt grappig dat ze doei zegt, en geen ‘dag’, zoals ik toch van mensen van haar generatie zou verwachten.

Mevrouw Packbiers roept een nog onverminderd verward ‘Jaahaa…‘ naar de overkant, en knikt terwijl ze glimlachend nog maar eens – in de algemene richting van waar het geluid vandaan komt – zwaait.

Dag Mevrouw Packbiers, denk ik, terwijl ik een bospad insla. Doei!

Mailwisseling met een MarktplaatsMevrouw

Ik zet een advertentie op MP:
“Te koop dingetje X, vraagprijs 2,50. Let op: past niet door de brievenbus, dus 6,75 verzendkosten via de post of 4 euro via een DHL afhaalpunt.”

MarktplaatsMevrouw:
Hallo, hebt u deze nog?

Ik:
Jazeker.

MarktplaatsMevrouw:
Wat moet u ervoor hebben?

Ik:
*copy/paste uit mijn advertentie*
2,50

MarktplaatsMevrouw:
Wat zouden de verzendkosten zijn?

Ik:
(inwendige zucht)
*copy/paste uit mijn advertentie*
6,75 via de post of 4 euro via een DHL afhaalpunt.

MarktplaatsMevrouw:
Oké, dan doe maar via DHL. Wat is het rekeningnummer?

Ik:
*geeft rekeningnummer*

MarktplaatsMevrouw:
Bedankt, ik maak het vandaag over.

– 4 dagen later –

Ik:
Ik heb nog niets ontvangen op mijn rekening, als het binnen is zal ik dingetje X versturen.

MarktplaatsMevrouw:
Hoeveel is het totaalbedrag eigenlijk ook alweer?

Ik:
(inwendige brul)
*copy/paste uit eerdere mailwisseling*
2,50 plus 4 euro dus 6,50.

MarktplaatsMevrouw:
Oké ik maak het vandaag over.

Ik:
*bonkt met hoofd op toetsenbord*

Mede-leiden

Een mot zo groot als de palm van mijn hand. Een blaffende kat die wild over het beddengoed struikelt, ogen strak gericht op het gefladder, pupillen groter dan groot. Bijna van het bed vallen wegens totale fixatie. Een smachtende blik naar mij wanneer de mot op het plafond gaat zitten. Desperate miepgeluidjes. Ik sta tussen twee vuren, medelijden voor allebei. Ik kies voor de mot: gooi het raam open en jaag hem naar buiten. De kat zit nog minutenlang strak van de adrenaline doelloos het plafond af te speuren. Uiteindelijk de rust, nee berusting.

Ik ben een leger. Ik ben er twee. Ik ben in oorlog. Ik ruk op, haal uit, incasseer. Ik rust niet voor ik gewonnen heb, verloren heb. Na de eerste verbazing dat de innerlijke tweestrijd er nog bleek te zitten – zelfs na jarenlange luwte, laadde ik mijn munitie, poetste mijn uniformen, zette mijn helmen op, groef loopgraven en ging pal tegenover mezelf staan. Een diepe ademteug en het hellevuur barst los: met volle mankracht bestorm ik mijzelf. Geen ruimte laten, insluiten, overrompelen. Maar het andere leger geeft zich niet zomaar gewonnen. Soldaten met meer ervaring, het klappen van de zweep. Niet snel onder de indruk. Al jaren op hun positie. Beuk maar, bestorm maar, doe maar: wij verlaten onze post onder geen beding. We trekken ons terug, voor de vorm, om het verse leger de indruk te geven dat ze terrein winnen. En dan – wanneer hun guard down is – knallen we ze met tankers die uit het niets lijken op te duiken meters ver over het slagveld.

Tweede nacht. Minstens zo’n grote mot – het lijkt wel dezelfde. Zelfde reactie van de kat, iets feller misschien wel. In overdrive over mijn bed, terwijl de mot klapwiekend een onzichtbaar luchtparcours lijkt af te leggen. Ik sta weer tussen dezelfde twee vuren. Waarom kwam hij terug? (Waarom moet hij zo enorm groot zijn dat het schattige er eigenlijk wel vanaf is?) Ik gooi het op ‘dan vraag je er ook om’ en til mijn kat op richting de hoge rustplaats van de mot. Hij twijfelt geen seconde en geeft het beest meteen een enorme opdonder. Fladderend zakt hij een meter, mijn kat springt half uit mijn armen om hem achterna te duiken. Hij geeft het bruine lijf nog een rotklap. Al tuimelend verdwijnt de gevleugelde reus achter het gordijn.

Mijn verse leger likt zijn wonden, lapt zich op, positioneert zichzelf strategisch en gaat voor de tweede ronde. Muisstil sluipen ze dichterbij, omsingelen, een rookgordijn, berenvallen, grof geschut en hopla: de veteranen kunnen geen kant meer op. Op een kluit gedreven staan ze daar, omringd door verse overmacht. Adrenaline stuwt het verse leger nog dichterbij, bijna neus tegen neus staan ze daar nu, klaar voor de genadeklap. Dan kijkt er eentje op, ontmoet de ogen van een veteraan. Ik zie het gebeuren, weet waar dit toe zal leiden maar doe niets. Langzaam kijken ze allemaal op, stuk voor stuk haken hun blikken in elkaar. De rook rondom de leeuwenkuil trekt weg. Wat er overblijft is een groep oude bekenden, omsingeld door goede bedoelingen. Beide vol medelijden voor de ander in hun positie. Niemand doet iets, ze staan daar maar. De verse soldaten slaan nu hun ogen neer, de veteranen schrapen hun keel. Schijnbaar achteloos schuifelen ze wat rond, geven meer en meer ruimte aan de ander. Ik kijk toe hoe ze elkaar de rug toekeren, wegwandelen, doen alsof dit nooit gebeurd is.

Dan vind ik het toch opeens weer zielig en zet snel het raam open. Ik dirigeer de mot richting buitenlucht. Hij tuimelt zijn vrijheid tegemoet – voor vanavond in ieder geval. Mijn kat kijkt me verwilderd aan. Uit schuldgevoel aai ik hem extra lang. Typisch, denk ik. Wat ik ook doe, I can’t win. Sta dan toch eens achter je keuze. Nee, denk ik dan: ik wíl niet winnen. Ik wil niet kiezen. Ik wil niet moorden. Ik wil geen afscheid nemen. Hoe lelijk ook, het weet toch mijn hart binnen te dringen. Ik wil beide legers, ik wil ze alleen niet meer tegen elkáár laten vechten.

Out in the open

Mijn vader woont 2,7 kilometer van mij vandaan, maar ik heb hem sinds mijn twaalfde niet meer gezien.

Dit is geen tranentrekkend verhaal over Oost en West Berlijn, maar gewoon een banaal geval van geen contact meer. Al ruim twintig jaar heb ik hem niet meer gesproken. Ondertussen woonde ik in Haarlem, Den Bosch, Antwerpen, maar sinds een jaar woon ik weer hier – in mijn geboortestad. Nog nooit heb ik dichter bij hem gewoond dan nu. We wonen in dezelfde wijk. Recht tegenover hem ligt het CBR waar ik in motoroutfit heb staan zwoegen. Wij delen een supermarkt, een doorgaande weg, een tankstation, een snackbar, we delen een wandelgebied, we delen een achternaam, maar nooit zijn wij op hetzelfde moment op dezelfde plaats.

Ik weet niet of het deze verhuizing is die mij over hem doet nadenken, of dat ik nu de leeftijd heb bereikt – of misschien eerder dat híj nu de leeftijd heeft bereikt – waarop het tijd wordt te kiezen. Als hij dood is, blijf ik dan met losse eindjes zitten? De spaarzame herinneringen die ik heb, blijven al ruim twintig jaar hetzelfde. Ze zijn overwegend verontrustend, die herinneringen. Niet aanlokkelijk. Ik schreef er ooit over, op mijn oude blog, in verhullende woorden. (Hier.) In die tijd had ik therapie voor mijn angststoornis, en probeerde mijn therapeute ook aan mijn gevoelens rond hem te wrikken. Zonder veel resultaat – al heel vroeg in dit hele verhaal heb ik een slot op mijn hart gezet wat hem betreft. Ik vind niks, ik voel niks, ik weet niks. Het is zoals het is.

Dat ik me afvraag of ik hem wil zien, heeft niet te maken met oud zeer. Ik wil geen dingen oprakelen, ik zou niet weten wat. Ik wil geen verwijten gooien, ik wil geen twintig jaar inhalen: degene die ik ben, ben ik door het leven dat ik heb gehad. Zonder hem heb ik mezelf opgebouwd, samen met mijn moeder, mijn broer, vrienden, geliefden, de wereld. Ik zou niet willen dat dit anders was geweest. Nee, ik denk dat ik het gevoel heb bestaansrecht te willen. Voor de schim die hij is, en voor de schim die ik voor hem ben. Dat er een moment komt, waarin we elkaar erkennen. Zonder woorden, gewoon door elkaar niet te negeren, for once.

Ik weet als geen ander hoe het is om bang te zijn voor het leven, om sociaal zwak te zijn. Ik weet dat hij dat ook had – op zijn geheel eigen manier. Ik verwijt dus niks. Ik weet dat hij passiviteit naar een hoger level heeft getild, emotioneel gezien. Ik verwacht dus niks. Ik vraag geen liefde, geen rol in mijn leven, geen openhartige gesprekken. Ik wil dus niks. Niks, behalve dat we letterlijk tegenover elkaar staan en heel even samen bestaan, wetende dat wij zijn wie we zijn. Het idee dat ik langs hem kan lopen en hem wél herken, maar hij mij niet. Dat is onwerkelijk.

Wat ik zou willen, is een stuk met hem door mijn favoriete bos lopen. Af en toe iets zeggen, iets onbenulligs, over het uitzicht. Mijn hond erbij, als afleiding. Waarom wil ik dat?

Ik denk dat ik dat wil om aan mezelf te kunnen zeggen: ik heb voor hem bestaan. Nu, als de persoon die ik nú ben. In plaats van als twaalfjarige schim.

Ik ben laatst langs zijn huis gelopen. Het staat er nog, met naamplaatje. Voornaam en Voornaam Achternaam. Mijn achternaam. Ik wil niet aanbellen, ik weet dat zijn vrouw ons (mijn broer en ik) als concurrentie ziet, en bang is haar erfenis in rook te zien opgaan. Ik wil om haar heen, met een boogje. Om haar te ontzien, ik kom niets kapen. Om mezelf te ontzien, dat ook. Maar dat betekent dat ik als een volleerd stalker dagenlang in de buurt zou moeten posten, om dat ene moment te vangen waarop hij alleen naar buiten gaat.

Het is dus niet erg waarschijnlijk dat ik contact met hem ga opnemen. Net zoals het niet erg waarschijnlijk is dat ik bestaansrecht kan afdwingen. Wat wel waarschijnlijk is, is dat ik nu toch voor het eerst in mijn leven een onaf gevoel heb, wat hem betreft. Nu is het zaak uit te vogelen of ik dat in mijzelf ga oplossen, of hier in de wijk.