Mailwisseling met een MarktplaatsMevrouw

Ik zet een advertentie op MP:
“Te koop dingetje X, vraagprijs 2,50. Let op: past niet door de brievenbus, dus 6,75 verzendkosten via de post of 4 euro via een DHL afhaalpunt.”

MarktplaatsMevrouw:
Hallo, hebt u deze nog?

Ik:
Jazeker.

MarktplaatsMevrouw:
Wat moet u ervoor hebben?

Ik:
*copy/paste uit mijn advertentie*
2,50

MarktplaatsMevrouw:
Wat zouden de verzendkosten zijn?

Ik:
(inwendige zucht)
*copy/paste uit mijn advertentie*
6,75 via de post of 4 euro via een DHL afhaalpunt.

MarktplaatsMevrouw:
Oké, dan doe maar via DHL. Wat is het rekeningnummer?

Ik:
*geeft rekeningnummer*

MarktplaatsMevrouw:
Bedankt, ik maak het vandaag over.

- 4 dagen later -

Ik:
Ik heb nog niets ontvangen op mijn rekening, als het binnen is zal ik dingetje X versturen.

MarktplaatsMevrouw:
Hoeveel is het totaalbedrag eigenlijk ook alweer?

Ik:
(inwendige brul)
*copy/paste uit eerdere mailwisseling*
2,50 plus 4 euro dus 6,50.

MarktplaatsMevrouw:
Oké ik maak het vandaag over.

Ik:
*bonkt met hoofd op toetsenbord*

Mede-leiden

Een mot zo groot als de palm van mijn hand. Een blaffende kat die wild over het beddengoed struikelt, ogen strak gericht op het gefladder, pupillen groter dan groot. Bijna van het bed vallen wegens totale fixatie. Een smachtende blik naar mij wanneer de mot op het plafond gaat zitten. Desperate miepgeluidjes. Ik sta tussen twee vuren, medelijden voor allebei. Ik kies voor de mot: gooi het raam open en jaag hem naar buiten. De kat zit nog minutenlang strak van de adrenaline doelloos het plafond af te speuren. Uiteindelijk de rust, nee berusting.

Ik ben een leger. Ik ben er twee. Ik ben in oorlog. Ik ruk op, haal uit, incasseer. Ik rust niet voor ik gewonnen heb, verloren heb. Na de eerste verbazing dat de innerlijke tweestrijd er nog bleek te zitten – zelfs na jarenlange luwte, laadde ik mijn munitie, poetste mijn uniformen, zette mijn helmen op, groef loopgraven en ging pal tegenover mezelf staan. Een diepe ademteug en het hellevuur barst los: met volle mankracht bestorm ik mijzelf. Geen ruimte laten, insluiten, overrompelen. Maar het andere leger geeft zich niet zomaar gewonnen. Soldaten met meer ervaring, het klappen van de zweep. Niet snel onder de indruk. Al jaren op hun positie. Beuk maar, bestorm maar, doe maar: wij verlaten onze post onder geen beding. We trekken ons terug, voor de vorm, om het verse leger de indruk te geven dat ze terrein winnen. En dan – wanneer hun guard down is – knallen we ze met tankers die uit het niets lijken op te duiken meters ver over het slagveld.

Tweede nacht. Minstens zo’n grote mot – het lijkt wel dezelfde. Zelfde reactie van de kat, iets feller misschien wel. In overdrive over mijn bed, terwijl de mot klapwiekend een onzichtbaar luchtparcours lijkt af te leggen. Ik sta weer tussen dezelfde twee vuren. Waarom kwam hij terug? (Waarom moet hij zo enorm groot zijn dat het schattige er eigenlijk wel vanaf is?) Ik gooi het op ‘dan vraag je er ook om’ en til mijn kat op richting de hoge rustplaats van de mot. Hij twijfelt geen seconde en geeft het beest meteen een enorme opdonder. Fladderend zakt hij een meter, mijn kat springt half uit mijn armen om hem achterna te duiken. Hij geeft het bruine lijf nog een rotklap. Al tuimelend verdwijnt de gevleugelde reus achter het gordijn.

Mijn verse leger likt zijn wonden, lapt zich op, positioneert zichzelf strategisch en gaat voor de tweede ronde. Muisstil sluipen ze dichterbij, omsingelen, een rookgordijn, berenvallen, grof geschut en hopla: de veteranen kunnen geen kant meer op. Op een kluit gedreven staan ze daar, omringd door verse overmacht. Adrenaline stuwt het verse leger nog dichterbij, bijna neus tegen neus staan ze daar nu, klaar voor de genadeklap. Dan kijkt er eentje op, ontmoet de ogen van een veteraan. Ik zie het gebeuren, weet waar dit toe zal leiden maar doe niets. Langzaam kijken ze allemaal op, stuk voor stuk haken hun blikken in elkaar. De rook rondom de leeuwenkuil trekt weg. Wat er overblijft is een groep oude bekenden, omsingeld door goede bedoelingen. Beide vol medelijden voor de ander in hun positie. Niemand doet iets, ze staan daar maar. De verse soldaten slaan nu hun ogen neer, de veteranen schrapen hun keel. Schijnbaar achteloos schuifelen ze wat rond, geven meer en meer ruimte aan de ander. Ik kijk toe hoe ze elkaar de rug toekeren, wegwandelen, doen alsof dit nooit gebeurd is.

Dan vind ik het toch opeens weer zielig en zet snel het raam open. Ik dirigeer de mot richting buitenlucht. Hij tuimelt zijn vrijheid tegemoet – voor vanavond in ieder geval. Mijn kat kijkt me verwilderd aan. Uit schuldgevoel aai ik hem extra lang. Typisch, denk ik. Wat ik ook doe, I can’t win. Sta dan toch eens achter je keuze. Nee, denk ik dan: ik wíl niet winnen. Ik wil niet kiezen. Ik wil niet moorden. Ik wil geen afscheid nemen. Hoe lelijk ook, het weet toch mijn hart binnen te dringen. Ik wil beide legers, ik wil ze alleen niet meer tegen elkáár laten vechten.

Out in the open

Mijn vader woont 2,7 kilometer van mij vandaan, maar ik heb hem sinds mijn twaalfde niet meer gezien.

Dit is geen tranentrekkend verhaal over Oost en West Berlijn, maar gewoon een banaal geval van geen contact meer. Al ruim twintig jaar heb ik hem niet meer gesproken. Ondertussen woonde ik in Haarlem, Den Bosch, Antwerpen, maar sinds een jaar woon ik weer hier – in mijn geboortestad. Nog nooit heb ik dichter bij hem gewoond dan nu. We wonen in dezelfde wijk. Recht tegenover hem ligt het CBR waar ik in motoroutfit heb staan zwoegen. Wij delen een supermarkt, een doorgaande weg, een tankstation, een snackbar, we delen een wandelgebied, we delen een achternaam, maar nooit zijn wij op hetzelfde moment op dezelfde plaats.

Ik weet niet of het deze verhuizing is die mij over hem doet nadenken, of dat ik nu de leeftijd heb bereikt – of misschien eerder dat híj nu de leeftijd heeft bereikt – waarop het tijd wordt te kiezen. Als hij dood is, blijf ik dan met losse eindjes zitten? De spaarzame herinneringen die ik heb, blijven al ruim twintig jaar hetzelfde. Ze zijn overwegend verontrustend, die herinneringen. Niet aanlokkelijk. Ik schreef er ooit over, op mijn oude blog, in verhullende woorden. (Hier.) In die tijd had ik therapie voor mijn angststoornis, en probeerde mijn therapeute ook aan mijn gevoelens rond hem te wrikken. Zonder veel resultaat – al heel vroeg in dit hele verhaal heb ik een slot op mijn hart gezet wat hem betreft. Ik vind niks, ik voel niks, ik weet niks. Het is zoals het is.

Dat ik me afvraag of ik hem wil zien, heeft niet te maken met oud zeer. Ik wil geen dingen oprakelen, ik zou niet weten wat. Ik wil geen verwijten gooien, ik wil geen twintig jaar inhalen: degene die ik ben, ben ik door het leven dat ik heb gehad. Zonder hem heb ik mezelf opgebouwd, samen met mijn moeder, mijn broer, vrienden, geliefden, de wereld. Ik zou niet willen dat dit anders was geweest. Nee, ik denk dat ik het gevoel heb bestaansrecht te willen. Voor de schim die hij is, en voor de schim die ik voor hem ben. Dat er een moment komt, waarin we elkaar erkennen. Zonder woorden, gewoon door elkaar niet te negeren, for once.

Ik weet als geen ander hoe het is om bang te zijn voor het leven, om sociaal zwak te zijn. Ik weet dat hij dat ook had – op zijn geheel eigen manier. Ik verwijt dus niks. Ik weet dat hij passiviteit naar een hoger level heeft getild, emotioneel gezien. Ik verwacht dus niks. Ik vraag geen liefde, geen rol in mijn leven, geen openhartige gesprekken. Ik wil dus niks. Niks, behalve dat we letterlijk tegenover elkaar staan en heel even samen bestaan, wetende dat wij zijn wie we zijn. Het idee dat ik langs hem kan lopen en hem wél herken, maar hij mij niet. Dat is onwerkelijk.

Wat ik zou willen, is een stuk met hem door mijn favoriete bos lopen. Af en toe iets zeggen, iets onbenulligs, over het uitzicht. Mijn hond erbij, als afleiding. Waarom wil ik dat?

Ik denk dat ik dat wil om aan mezelf te kunnen zeggen: ik heb voor hem bestaan. Nu, als de persoon die ik nú ben. In plaats van als twaalfjarige schim.

Ik ben laatst langs zijn huis gelopen. Het staat er nog, met naamplaatje. Voornaam en Voornaam Achternaam. Mijn achternaam. Ik wil niet aanbellen, ik weet dat zijn vrouw ons (mijn broer en ik) als concurrentie ziet, en bang is haar erfenis in rook te zien opgaan. Ik wil om haar heen, met een boogje. Om haar te ontzien, ik kom niets kapen. Om mezelf te ontzien, dat ook. Maar dat betekent dat ik als een volleerd stalker dagenlang in de buurt zou moeten posten, om dat ene moment te vangen waarop hij alleen naar buiten gaat.

Het is dus niet erg waarschijnlijk dat ik contact met hem ga opnemen. Net zoals het niet erg waarschijnlijk is dat ik bestaansrecht kan afdwingen. Wat wel waarschijnlijk is, is dat ik nu toch voor het eerst in mijn leven een onaf gevoel heb, wat hem betreft. Nu is het zaak uit te vogelen of ik dat in mijzelf ga oplossen, of hier in de wijk.

Met scherp

‘Dit gaat zo niet langer.’ Ze zei het, maar wist niet of ze het echt meende. Of toch, soms – vaak meende ze het. Wanneer ze voor de vierde keer die dag langskwam, omdat er een rare kuch was geweest, of omdat hij zo hevig zweette, zo plots. Of wanneer ze op het punt stond in bad te gaan, en de telefoon ging. Dat ze dan op moest nemen, want als ze dat niet deed, dan hadden ze binnen tien minuten de buren, haar zus, de huisarts en de ambulance gebeld. Niet omdat het zo dringend was, maar om haar het gevoel te geven dat ze tekort schoot.

Tekortschieten kon ze als geen ander. Wanneer ze niet meteen overtuigd was van de noodzaak meteen langs te komen. Wanneer ze iets sussends zei in plaats van net zo in paniek te raken als hen. Wanneer ze tegen artsen, specialisten of ander medisch personeel een realistisch verslag gaf, in plaats van hun gekleurde realiteit. Of – de ergste van allemaal – wanneer ze onverhoopt eens werkelijk iets onderschat bleek te hebben tussen de stroom pijntjes, kwaaltjes en vage symptomen. En een verpleegster na een week zei dat ze misschien beter wat eerder hadden kunnen komen. Dan voelde ze hun koude blikken op haar huid prikken. Want ergens in de afgelopen jaren was het zo gegroeid dat zij als oudste dochter – en niet haar ouders zelf – besliste wat er moest gebeuren bij elke ‘situatie’, zoals haar moeder het altijd noemde.

‘Dit is niet meer haalbaar voor hem.’ Ze zei het en wist meteen dat haar moeder er net zo glashard doorheen keek als zijzelf: voor hem, of voor jou? Ze hoefde haar niet eens aan te kijken om het schuldgevoel al te voelen opborrelen. ‘Ik bedoel, hij heeft geen rust meer, en jij ook niet mam.’ Ze besloot door te gaan, net zo lang tot de knoop in haar maag weg was. ‘Het komt zijn gezondheid, voor zover we daar nog van kunnen spreken, absoluut niet ten goede als hij constant bang is. Bang voor pijn, bang voor te laat komende hulp, en jij kunt zelf toch ook niet meer rustig eens tv kijken?’ Voor ze iets kon tegenwerpen ging ze verder. ‘Zo wordt hij alleen maar zieker, dat weet je. Stress verergert alles, dus ook dit.’ Ze slikte.

‘Het zou toch veel beter zijn als hij constant in het oog werd gehouden? Als hij niet hele dagen en nachten in angst ligt of hij op tijd aan de bel kan trekken?’ Voor het eerst sinds ze de woonkamer ingestapt was, keek ze haar moeder aan. Ze had verwacht haar als een in elkaar gedoken vogeltje op de bank te zien zitten, maar wat ze zag was vuur in haar ogen, en een strakke mond. Ze kende die mond maar al te goed. Als ze vroeger de moed had verzameld om te vragen of ze met een vriendin misschien, alleen als het uitkwam natuurlijk, het hoeft ook niet echt maar ze was gevraagd en dan was het toch wel zo beleefd, dat ze een keer, haar vader brengt ons en de film duurt maar tot, zou ze dan misschien – dan verstrakte het gelaat van haar moeder al, en wist ze dat het vergeefs was. In de loop der jaren had ze geleerd dat niet kijken beter was, dan kon ze heel soms toch – toen ze al lang en breed uit huis was – iets mededelen. En dan snel uit de voeten maken.

‘Je hebt gelijk.’

Haar ogen werden groot. Haar moeder? Zei haar moeder dat nu? ‘Het is ook uitputtend. Als ik nu nog jong in de benen was, vooruit, maar dit is bijna niet meer op te brengen. En je vader wordt daar alleen maar onrustiger van. Ik roep al altijd aan de trap dat ik eraan kom, maar je kent hem hè.’ Beetpakken, nu, met twee handen, dacht ze. ‘Precies, mam, je weet dat het voor jullie beter zou zijn. Wie weet knapt hij zelfs wel wat op als hij minder spanningen heeft.’ Haar moeder knikte, heftig, bijna driftig. ‘Ja ik heb er ook al wel over gedacht, het zou een grote verandering zijn voor ons allemaal, en ik wilde niet degene zijn die… maar nu je zelf ermee komt: we kunnen de opslagkamer uitruimen, dat kan allemaal de zolder op, en ik heb gemeten, er past gewoon een twijfelaar in, met nog net één nachtkastje ernaast, en dan laten we de grote linnenkast staan en daar kunnen dan je spullen zover wel in denk ik.’

Ze knipperde met haar ogen. Er raasde iets door haar maag. Ze kreeg kippenvel op haar schouderbladen en omklemde met haar ene hand heel hard haar andere pols. ‘Uh… nou… nou ik, ik…’ Haar moeders ogen stonden glashard, ze keken haar strak aan. Ze voelde misselijkheid opkomen. ‘Ik… we hebben het er nog over, oké? Misschien zijn we wat voorbarig, ik bedoel, hij heeft gelukkig ook nog veel goede momenten, en ik zou ook niet jullie… jullie dagelijkse ritme helemaal uh…’

‘Goed kind,’ zei haar moeder opgeruimd, ‘wie weet lopen we inderdaad te hard van stapel. Kun je nog boodschappen voor ons doen? En je vader zei dat de lakens erg nat waren, misschien dat de koorts weer opgelaaid is…’ Ze hoestte, schraapte haar keel. ‘Nee natuurlijk, maak maar een lijstje, geen probleem, ik ga meteen even bij hem kijken, zal ik de lakens ineens verschonen?’ Haar moeder knikte, stond op, klopte haar rok af en liep de keuken in.

Eekhoorn – the sequel

Nou ja zeg! Een tweede eekhoornaanval op mijn vlaggetjes. Ditmaal door een kastanjebruin exemplaar, wat kleiner van stuk maar minstens zo fanatiek. Zij gaat voor een heel andere aanpak: de zogenaamde platvloerse aanval. Nu is het grote verschil dat zij uiteindelijk het podium verlaat met een kleine overwinning. Nou ja… eigenlijk een beetje valsspelen, want het lag er al…. maar toch! De tussenliggende frustratiestrijd is wederom hilarisch om te zien. Ze probeert nog verschillende invalshoeken, maar het levert toch minder op dan ze had gehoopt.

Ik heb nog steeds geen idee waarom ze zo gebrand zijn op die gekke vlaggetjes, maar ik stel me zo voor dat ze aan interieurverfraaiing van hun nest doen, en elkaar de loef af willen steken met hun nieuwste wandbekleding. (Daar zou ik nou graag een foto van hebben!) Ach, ondertussen vermaken ze mij in ieder geval met hun bozig fanatieke capriolen. :)

Squirrel – The sequel from Ravi on Vimeo.

Stout

De eekhoorn die vaak in mijn tuin komt omdat daar allerlei lekkers (voor de koolmeesjes) te halen is, heeft blijkbaar een rothekel aan mijn vlaggetjes… Ofwel is hij er helemaal verliefd op en wil hij ze meenemen naar zijn geheime opslagplaats, zoals hij ook hele netjes vol pinda’s meesleurt. Hij wordt nogal gefrustreerd van het feit dat hij de vlaggetjes niet losgerukt krijgt van de schutting, en dat is best een beetje grappig. Hij heeft de vlaggenlijn al doorgebeten en was eerst druk bezig de andere helft in zijn bek te proppen en ermee weg te rennen, maar helaas: die helft zat ook al vast. Toen probeerde hij deze kant maar, tevergeefs. :)

Wat je ook doet

De twee levens, nee belevingen – naast elkaar, altijd, waar je ook gaat. Het voelen dat je leegloopt, nee hol bent – terwijl de dagelijksheid gewoon doorgaat. Plannen maken, voor volgende week of de week erna, misschien wel langer. Genoeg sigaretten inkopen voor een maand, de kat ja de kat, die je nodig heeft. Lid worden van het een of ander. Dat is toekomst, dat is bestaan en waarom je dat doet, nee moet. En dan de allesverterende verdrangst. Ja verdrangst, omdat je niet kunt uitmaken of het opgebouwd is uit verdriet of angst. Dat je haar, die ondertussen al vijftien is, nog wil zien groeien, dat je parfum koopt waar je een heel jaar mee vooruit kan. Dat je dingen doet voor het nu en het later, sporten, of een inboeldelverzekering afsluiten. Solliciteren, of willen weten hoe het met je moeder gaat, je geliefde gelukkig willen maken, het bestaat allemaal altijd en daarnaast stroomt de rivier der niksigheid. Op de kant bouw je kasteeltjes, hoopjes hoop, zie mij doen wat mensen doen. Maar dan speelt hij op, de rivier, hij slokt niets op, nee je schopt de kasteeltjes er zelf in, je ramt de hoopjes woest over de rand, armen tot aan de ellebogen vuil, geeft nog een trap na in het luchtledige. De mantra van het laatookmaar, het gebed der leegte, de allesomvattende aanwezigheid van het afwezige. Stromend verdwijnen, rot op want. Want. Ik kan het toch niet. Je kijkt om je heen, ziet het niet. Zelfs hij, die amper weet vooruit te gaan, zelfs hij kijkt je verwilderd aan als je zegt, als je zegt dat het kut is. Ja want zo zeg je dat, het is kut, maar ach, ik ga verder.

Je snapt het ook wel, nee weet – dat er pillen voor zijn. Zoals eerder. Zoals dat gaat. Maar wat je kreeg was leegte gevuld met leegte. Dat het je niks kon schelen dat het je niets kon schelen. Of dit het is, en meer van die clichés. Dat dit het is, en meer van die Schrödinger-waarheden: ja dit is het, maar alleen omdat ik er niet meer van maak. Het is de waarheid en tegelijkertijd een leugen. En toch weet je die doos nooit te keren, om te zien wat de andere toestand zou kunnen zijn. Hoe je en waarom je. En dat het er de schijn van heeft dat het voorheen. Ja dat er ooit iets anders was. Maar dat je dat eigenlijk niet meer met zekerheid weet te zeggen. Of het misschien naïviteit was, of toch – maar je hebt je er al bij neergelegd dat het niets uitmaakt. Want nu is nu, en nu duurt al ruim zeven jaar. Je nieuwe nu, zoals je nooit gewild hebt. Het weten, het totale, absolute weten dat het ontbreekt aan ieder spatje lef. Het met een grote boog om het werkelijke leven heen dwalen, doodsbang dat er iets mis zou gaan als je wel. Als je wel. Als je toch eens wel.

En tot die tijd niet. Parasiterend niet in een handvol. Een handvol houvast, dat je vliegensvlug naar de rivier draagt. Omdat dat is wat je wél kunt, omdat dat een van de weinige dingen is die je wél weet. Want wat je ook doet – nee moet, het voedt alleen je vermoeden van onmacht. Almachtige onmacht.

Liever lege handen dan het risico iets kapot te laten vallen.

En daar haatlief je jezelf om. De ultieme omarming van dat waartoe je jezelf hebt gereduceerd. Je recht je rug, de rivier lonkt, op de kant draai je pirouettes. Je balanceert al jaren op de hoop dat je erin valt.

Transgenderkat

{Waarschuwing: grafische foto van een wonde verderop in deze post}

Het begon allemaal onschuldig. Hij gaat zo vaak naar de kattenbak. Maar ja, toen ik hem kreeg was hij alleen maar natvoer gewend, waarschijnlijk was de omschakeling naar brokjes zwaar voor zijn maag en darmen? Weet je wat, zei de dierenarts, ik geef hem wel een antibioticakuur mee tegen blaasontsteking. Mocht het helpen, dan weten we wat het probleem was.

Het hielp. Fijn, en ook een beetje zielig dat hij dan al die tijd met blaasontsteking had gelopen. Maar goed, dacht ik: nu is hij er bijna vanaf, daar gaat het toch om.

Twee weken later was hij weer terug bij af. Om het half uur naar de kattenbak, uur in, uur uit, dag in, dag uit. Ik duwde hem weer in de bench en toog naar de dierenarts. Toch maar een röntgenfoto maken dan. Dat bleek niet overbodig: zijn hele blaas zat propvol gruis en steentjes. Geen wonder dat hij zo vaak de kattenbak opzocht, de druk van ontstekingen en gruis moet hoog geweest zijn. Bij mannetjeskatten is dat zelfs levensgevaarlijk: wanneer de steentjes zijn minuscule urinebuis zouden verstoppen, vloeit binnen een paar dagen alle urine terug de organen in en sterven ze.



Zijn blaas moest dus opengesneden worden, de steentjes verwijderd, een stevige antibioticakuur om alle ontstekingen weg te krijgen, en hij moest voor de rest van zijn leven op een speciaal dieet dat de gruisvorming voorkomt en de zuurtegraad op peil houdt. Prima, verlos hem van het ongemak, zorg dat het niet erger wordt, blij dat zijn nieren en andere organen nog niet aangetast zijn.

En zo geschiedde. Onder narcose, onder het mes, katheter en infuus om de boel door te spoelen en na een dag mocht ik hem ophalen. Hij was blij thuis te zijn, ik was blij hem weer thuis te hebben. De kattenbak werd niet meer zo vaak bezocht, hij was rustiger en opgewekter, logisch. Eind goed, al goed – dacht ik toen nog. Goed, zijn urine bleef bloederig, maar een sterkere antibioticakuur zou de oplossing wel brengen.



Drie weken na de operatie. Zondag. Hij braakt een paar keer. Hij is onrustig en lusteloos tegelijkertijd. Dan begint het: hij staat om de twee stappen stil, verkrampt helemaal, zijn achterpoten trillen, hij lijkt pijn te hebben. Ik kijk het nog even aan, denk ik dan nog. De blaas kan het niet zijn, die is immers leeggehaald. Obstipatie misschien, van de voerwissel?

Maandag. Geen verbetering. Het valt me op dat hij niets gegeten of gedronken heeft zover ik weet. Dus ook zijn antibioticum krijgt hij niet meer binnen. Het verkrampen is onderhand het enige dat hij nog doet. Ik maak zijn voorpoten nat, dan moet hij wel water oplikken. Dat doet hij. En braakt weer. Veel te veel vocht, gezien hoe weinig hij in zich zou moeten hebben. Toch maar de dierenarts bellen. Ik zeg dat ik bijna zeker weet dat hij niet geplast heeft afgelopen 24 uur. Meteen brengen, luidt het oordeel.

Ik schuif hem weer in de bench, vlieg naar de dierenarts. Ze voelt en zegt dat zijn blaas veel te groot is. Onder narcose, katheter en infuus om de boel door te spoelen en weer foto’s maken. Ze staan verbaasd naar de afbeeldingen te kijken. Steentjes, nu alweer, zo snel na de operatie, in zijn blaas. En dit keer niet alleen daar: zijn hele urinebuis zit verstopt, van zijn blaas tot het puntje van zijn penis. Hij kan niets meer, arm mannetje. De dierenarts zegt dat ze gaan kijken of ze het kunnen schoonspoelen, ‘s middags zal ik gebeld worden.



De telefoon gaat. Ik luister, en sta paf.
De katheter was amper naar binnen te krijgen, het zat te verstopt, schurend en wringend kregen ze hem een eindje erin. De dierenarts heeft contact opgenomen met een specialist, vertelt ze me. Ze hebben overlegd, en er is eigenlijk maar één goede oplossing. Een penisamputatie. Een wát? Ja, het volledig verwijderen van de penis, waardoor hij een ‘vrouwtjesuitgang’ zal krijgen. De urinebuis bij vrouwtjes is niet zo smal als bij mannetjes, grof gezegd halen ze het smalste stuk weg, met het vooruitzicht dat hij dan de kleine steentjes die hij toch steeds weer aanmaakt zonder problemen kan uitplassen.

Ik vind het nogal wat. Hij zal ervoor naar Hasselt moeten. Ik overleg me suf, vraag alles wat ik kan bedenken: hoe groot is de kans dat hij daarna voor altijd pijn- en verstoppingsvrij zal zijn, hoe zit het met die steentjesaanmaak, wat houdt het precies in, zo’n amputatie en reconstructie, hoe pijnlijk is het daarna voor hem, en voor hoe lang, de lijst is oneindig. Ik maak een afspraak in Hasselt, daar zullen ze al mijn vragen kunnen beantwoorden. Ondertussen mag ik hem voor de nacht mee naar huis nemen. ‘Haal hem maar even zelf, hij is erg agressief tegen ons, logisch’. Zijn katheter zit er nog in ‘met twee steekjes aan zijn voorhuid vastgehecht’, want anders raakt hij weer verstopt. Hij zal de hele nacht bloederige urine lekken. Ondanks de hechtingen, de katheter, de infuusnaald in zijn voorpoot, de polonaise aan zijn lijfje, de uitputting, is hij thuis blij en lief, levendig. Logisch, hij kan zijn blaas weer legen.



De ochtend erna kan hij al terecht. Op naar België dus, hij op de achterbank in de bench, op een miauwtje na de rust zelve, ik ontzettend onrustig en zenuwachtig voorin. Het is nogal een beslissing die je neemt voor zo’n beestje. De arts legt alles rustig uit. De amputatie heeft heel goede resultaten, in principe werkt het altijd, tenzij de stenen in de nieren worden aangemaakt, dan ga je een lange lijdensweg tegemoet. Tot nu toe zijn op alle foto’s schone nieren te zien, dus waarschijnlijk zal hij die dans ontspringen. De steentjes zullen ook nog in een lab geanalyseerd worden, om te zien of het juiste voer gegeven wordt. Hij zal wel zeer, zéér strikt aan het dieet moeten blijven. Zodra hij ook maar iets anders eet, verandert de zuurtegraad van zijn urine direct, en maakt hij weer nieuwe ontstekingen en dus gruis aan. Ik weet dat ik hem strikt op dieet kan houden, ik weet ook dat zoals het nu gaat, niet houdbaar is. Oef. Doe maar dan. Arm kereltje.

Voor de derde keer gaat hij onder narcose binnen een maand. Ik duim door de dag heen dat hij weer gewoon wakker wordt. Ik probeer me een voorstelling te maken van wat ze doen, hoe het eruit gaat zien. Het blijft abstract in mijn hoofd. Om zes uur ‘s avonds bellen ze: de operatie is geslaagd, hij werd maar niet wakker dus hebben ze een tegenspuitje moeten geven. Toen wilde hij gelukkig wel ontwaken.

Hij moet drie dagen in de dierenkliniek blijven. Zien of hij eet, zien of hij plast – dat doet namelijk pijn zo langs die verse wond, maar zal toch moeten om te kunnen concluderen dat hij niet meer verstopt is. Ik stel me voor hoe dat moet voelen, krimp ineen. Hij krijgt pijnstillers, ontstekingremmers en nog meer antibiotica. Ik slaap slecht deze dagen: het idee dat hij zó lang in een stomme kooi in de kliniek zit vind ik bijna onoverkomelijk, ook al snap ik dat het nodig is. Ik tel de uren af tot hij weer naar huis mag, lekker in zijn eigen omgeving rondzwalken, op zijn eigen krabpalen en dekentjes ploffen, gewoon weten dat hij niet verlaten is maar weer naar zijn eigen huis terug mag. Met wat wringen wordt het dan toch eindelijk vrijdagavond. Hij! Mag! Naar! Huis!

De komende tien dagen moet hij een kap op, een vrij grote, omdat katten nu eenmaal flexibel zijn, en hij onder geen beding zijn wond mag likken. Pijnstillers en antibiotica moeten dagelijks worden toegediend. Na tien dagen mogen de hechtingen eruit en de kap eraf. Duidelijke instructies, mag ik hem nu dan eindelijk zien? Hij wordt gehaald.

Een klein gedesoriënteerd hoopje zwart en wit. Grote ogen, paniek, onrust. De rit van drie kwartier is lang, maar als ik mijn hand in de bench steek duwt hij zijn kopje met alle macht tegen mijn vingers. Het komt allemaal goed. Is die mantra voor hem of meer voor mezelf?



Thuis loopt hij overal tegenaan met die kap om zijn koppie. Hij snapt er niks van, maar is toch blij thuis te zijn. Hij kukelt bijna van trappen, botst, zit klem, staat verdwaasd stil te wachten tot hij miraculeus verder kan. Ik dirigeer zijn kopje wat omhoog, naar links of naar rechts, langzaam krijgt hij door hoe hij moet bewegen om vooruit te kunnen. Het gaat nog moeilijk, maar het gaat. Hij weet zelfs in de kattenbak te geraken, op de krabpaal, op de bank. Zijn wond is best heftig. Gecombineerd met al het gedroogde bloed in zijn vacht en de kap rond zijn nek is het een deerniswekkend beeld. De komende dagen zal ik zijn vacht regelmatig kammen, want zelf kan hij alleen het puntje van zijn staart poetsen.



Ondanks alle pijn, ongemak en onbegrip ligt hij toch eindelijk weer naast me te spinnen op de bank. (En dat klinkt nu loeihard, omdat zijn kap als luidspreker fungeert. :)) Zet ‘m op Dakota, you can do it. De dierenarts mag je dan als ‘ze’ en ‘zij’ aanspreken, ik blijf je stug mijn mannetje noemen, ook al ben je nu een soort transgenderkat.


Ik lijk steeds meer op jou

Ik stond bij weer
een rek vol koopjes zoals
ik zo veel te vaak al stond

en tussen het geluid van
de ijzeren hangers over de metalen stang
schraap schraap schraapte het lied dat
ik al duizend maal hoorde
zoals iedereen
zoals niemand

de klassieker waar ik
om smaalde zoals ik om
alles smaalde voor ik wist
dat voelen ook een optie
was
- is

en de radio zong en zong en zong en
de kleerhanger schraapte
en ik mijn keel

want opeens kwam het
dichtbij en voelde ik haat en verdriet en
dingen die ik nooit had gevraagd
maar wel kreeg
en dus al die tijd had
- heb

en ik voelde me verloren
als in nooit gezocht, niet als in
nooit gevonden

ik liep naar buiten met
geen enkel idee
welke kleren ik zojuist door mijn
vingers had laten gaan maar
ik wist wel
glashelder
wat er door mijn vingers was geglipt

Levenslessen tussen de tweedehands meuk

Ze blaft. Om de paar seconden, alsof ze een klein agressief hondje is. Wrrraff! Maar dat is ze niet. Ze is een vrouw, achterin de twintig, met armen en benen en overgewicht. Wrrraff! Met een roze tas en een begeleider. Met een neonroze elastiekje in haar haar, en meer enthousiasme dan wij allemaal tezamen. Wrrraff!

Ze is blij, uitgelaten. Wrrraff! Dat ze hier op de rommelmarkt is. Ze is zich bewust van haar tic, blaft keihard door de holle hal heen, Wrrraff! – grijpt dan de arm van een willekeurige vrouw die tegen haar praat en zegt met monotone, nasale stem ‘sorry mevrouw, sorry mevrouw’. Wrrraff! Moet dan toch weer blaffen, herhaalt haar ritueel nog maar eens.

(Om een idee te geven, zo klonk het ongeveer:)

Iedereen kijkt op, kijkt om, zoekt waar het geluid vandaan komt. Een tijdje zijn haar en mijn tempo langs de uitgestalde waren ongeveer gelijk. Ik kan de reacties van iedereen horen en zien. De standaard reactie: opkijken, de bron van de Wrrraff! zoeken, dan snel weer omlaag kijken en doen alsof er niets raars is. Vooral de mannen en jongere generaties reageren zo. Kinderen staren, giebelen. De dames op leeftijd lijken vooral compassie te hebben. Ze zoeken contact, of glimlachen, of kletsen tegen haar aan alsof ze helemaal niet om de paar seconden blaft.

Ze loopt net weg van een kraampje waar ze met zo’n dame op leeftijd stond te praten. Sorry mevrouw, sorry mevrouw. Wanneer ze met haar begeleider wegsjokt, zegt ze, met haar typische monotone, te harde stem ‘Wat is die lief hè. Iedereen is hier lief hè.’ Haar begeleider beaamt het glimlachend, zegt dat alle mensen hier lief zijn.

De dame op leeftijd draait zich ondertussen om, naar een man op leeftijd, dikke bierbuik – die hier rondloopt alsof het zijn huiskamer is, overduidelijk een vaste verkoper. Ze ginnegappen wat, de vrouw zegt in het lokaal dialect ‘dat ze die gerust alleen thuis kunnen laten, die houdt de inbrekers wel weg!’ de man lacht zijn bierbuik in drie verschillende standen en ze gaan weer verder met hun dag.

Het ontroert me, gek genoeg, dat de blaffende dame iedereen hier zo lief vindt. Zal ze vaak uitgescholden worden? Misschien zelfs weggejaagd? Dat zij het gevoel heeft hier gewoon als mens behandeld te worden, te mogen zijn wie ze is, dat men hartelijk doet ook al blaft ze snoeihard door de hallen heen – dat vind ik mooi. Dat achter haar rug om wordt gekletst, vind ik eerst ronduit lullig. Er komt een boos gevoel in me op. Maar als ik er verder over na denk, begin ik het anders te zien.

Ja, ze valt op, de blaffende vrouw. En ja, er is overduidelijk het een en ander aan de hand met haar brein. Ze klinkt ietwat minderbegaafd, of dat door medicijnen komt of doordat ze echt zo is, kan ik niet beoordelen. Ze praat te hard, kleed zich te kinderlijk, blaft compulsief non-stop. Ik ben een uur of twee, drie op de rommelmarkt en al die tijd hoor je haar blaf, nu eens ver weg, dan weer dichtbij. Ze valt op, of ze daar nu voor kiest of niet. Dat die vrouw op leeftijd dit gewoon benoemt, door er luchtig mee om te gaan, is misschien nog wel beter dan de mensen die naar hun tenen staren en doen alsof het niet bestaat.

De oude vrouw accepteert haar eigenlijk gewoon zoals ze is, welbeschouwd. Waar ik eerst dacht dat ze haar belachelijk maakte achter de rug om, concludeer ik nu dat ze eigenlijk de beladenheid van de situatie ontkracht. Gewoon, door een grapje te maken, in plaats van te doen alsof er niets aan de hand is. Met een soort mensenliefde het publiek om haar heen tot de orde roepen. Ze zegt min of meer ‘ja, ik heb het heus wel opgemerkt, je hoeft me niet zo veelbetekenend aan te kijken. En nee, ik vind haar daarom niet minder mens. Iedereen heeft wel wat, wat maakt het uit. Ik had een fijn praatje met haar, punt uit. En nu hup, tijd voor koffie.’

Ik vraag me meteen af of ik misschien te omzichtig ermee omga. In gedachten speur ik de opties af, Tourette, PDD-NOS, een variant van Stereotype bewegingsstoornis? Wil ik daarmee niet juist classificeren wat er ‘mis’ met haar is? Voor mij voelt het als een verklaring, maar misschien is het ook een manier om het ‘vreemde’ te isoleren van de persoon, zodat je in staat bent de persoon zelf nog te zien. Terwijl de oudere dame haar juist als geheel, als compleet pakket kan accepteren. Ongeacht de reden, ongeacht of er een label opgeplakt kan worden, de oudere vrouw neemt de blaffende dame zoals ze voor haar staat, en zo is het goed.