No problem!

Hij heeft het niet zo op lijstjes.
Ik wel.
Hij werkt voor mij, dus dat gaat niet zomaar goed.

Al een handvol keren heb ik aan het eind van de dag, wanneer ik kom kijken naar de verbouwingsvorderingen, de boeman moeten zijn.

“Je bent de stopcontacten vergeten.”
“Op zich zijn die ingefreesde leidingen super, alleen zitten ze te hoog. Het moet onder de 15 cm vanaf de vloer blijven.”
“Dat tussenstuk moest zo ver mogelijk vooraan de afvoer komen, niet achteraan.”
“De ventilator op de badkamer moet nog een aparte schakelaar hebben, dus de gestucte muur moet weer open.”

Al drie keer heb ik een nieuwe to-do lijst gemaakt, waar alles tot in detail op staat.
Al drie keer heeft hij de lijst aan de kant gegooid en uit z’n hoofd de klussen aangepakt.
Al drie keer moeten er dan achteraf aanpassingen gedaan worden die extra tijd en moeite kosten.

Ik ben een beetje boos, en een beetje moe, en een beetje ongeduldig.

Ik heb maar weer eens aan hem gevraagd via de lijst alles af te werken. En alles opnieuw samen doorgelopen. Voor de vijfde keer is hij verbaasd als ik zeg dat de houten schuifdeuren in de woonkamer nog ingekort moeten worden. Dat is een klus die blijkbaar keer op keer uit zijn brein wordt verbannen, tot ik het maar weer eens te berde breng.

Zijn vaste antwoord op al mijn verzoeken om iets specifiek op een bepaalde manier op te lossen, is: “No problem!” Om vervolgens iets heel anders te doen.

Ik verlies mijn geduld, en dus automatisch ook mijn beleefdheid. Ik wijs hem erop dat er wéér iets mis is, en dat hij Via. De. Lijst. Moet. Werken. Hij lijkt het in zijn oren te knopen, en gaat weer aan de slag.

(Het klinkt nu alsof ik alleen maar ontevreden over hem ben, maar dat is niet waar. Er wordt veel werk verzet, alles komt uiteindelijk tiptop in orde, en hij werkt snel. Maar de details blijven misgaan.)

De dag erna is hij toch weer specifieke details vergeten. Ik begin het bijna hilarisch te vinden. Ik wijs hem er maar weer op, no problem, gaat hij doen.

Vandaag ging ik weer langs om te kijken hoe het ervoor staat. Hij was enorm opgeschoten, het wordt prachtig en alle details klopten zowaar. Allemaal!

Ik kijk goedkeurend rond, doe een juichdansje als ik zie dat het tegelen van de badkamer begonnen is, ik roep een ‘woohoo’ als ik de muur helemaal afgestuct zie – ik loop kortom blij door het huis. Hij staat in de deuropening van de keuken te roken. ‘De wasmachineaansluitingen zijn ook klaar. Of nu ja… als jij dat ook vindt…’ Ik ren de kelder in en zie waterleiding, afvoer en elektriciteit precies zoals ik het gevraagd had. Hij heeft de vloer zelfs geëgaliseerd. Hij komt de trap af gelopen, zich mentaal al schrapzettend voor wat ik nu weer te zeuren heb.

Hij kijkt me aan vanaf de onderste trede.
Ik grijns en roep dat het helemaal in orde is. “Mooi hoor, alles trouwens, goed werk!”
Hij glundert als een kleuter en huppelt zijn bijna twee meter lange bouwvakkerslijf de trap op.
Bovenaan aangekomen draait hij zich trots naar me om:

“No problem!”

Afscheid voor leken – in zesendertig bedrijven

dag zei ze zacht
maar niemand die
haar hoorde haar
horen wilde
haar horden waren
hoger dan voorgaande
jaren hoger dan haar kruin
hoger nog dan liefhebben
goed kon maken

dag zei ze zacht

in de hoop dat
weggaan minder pijn doet
dan blijven minder pijn nog dan
het dagelijks breken
van haar bestaan minder
pijn nog minder pijn
nog minder

Dag zei ze zacht
maar niemand wilde
uitzwaaien want
dan zou men
moeten zien moeten
voelen moeten toegeven
dat er pijn vertrok
waar zacht had
moeten zijn dus

dag zei ze zelf

zei ze zacht
zei ze zachter
nog zachter
schreeuwend zacht
een salukes naar de hopelozen
een adieu naar de stillen
een dag na de nacht

dag

Voor de fijn

Had ik net de verhuisdozen leeg, staan ze alweer gevuld in de gang.

Ik ga verhuizen. Alweer. Voor de achttiende keer, om precies te zijn.

Maar dit keer, zo staat in de planning, niet maar voor een jaartje. Ditmaal hoop ik, nee: beloof ik plechtig, dat het een blijvertje is. Voor minstens een hand lang (liefst 4 handen lang), in plaats van alleen een enkele vinger. Want we – hij en ik – hebben een huisje gekocht. Maanden van makelaars bellen, bezichtigingen doen en lijstjes met afwegingen maken. Maanden van steeds beter weten wat je wil, en wat je niet wil. Maanden van hopen uiteindelijk dat ene huis te vinden. En er dan voor gaan. Weken van paperassen inleveren, notarissen lastigvallen, nog meer lijstjes maken, honderdduizend dingen uitzoeken, je inlezen in hypotheken en combiketels, klusbedrijven selecteren, nog maar weer wat lijstjes maken, en dan uiteindelijk die dag: de afhandeling van de koopoverdracht en dus eindelijk: De Sleutel.

IMG_20141219_031416

Om dan meteen in de volgende achtbaan gestapt te zijn: die van planningen maken, budgetten maken, verven, klussen, klussen, verven, klussen en het huis zó verknutselen dat je er nog verliefder op wordt. Heerlijk. Ondertussen de offertes afwachten, want we hebben een heerlijk fijn twee-onder-een-kap huis gekocht, met fantastisch grote tuin en zelfs een dakterras, met een bescheiden garage voor de motoren, met een kick-ass veranda en hele fijne speelse details, maar dat wel een bescheiden make-over kan gebruiken. Keuken, badkamer, en wat details moeten verbouwd worden. Het huis is uit 1957 en ziet er gedateerd uit. Maar de bouwkundige die we erop afgestuurd hadden kwam op ieder punt van zijn checklist tot de conclusie dat het huis solide is, nog in geweldige conditie en helemaal goed in elkaar zit. Het is dus alleen de afwerking, en dat is nu juist leuk natuurlijk. Het helemaal naar je hand zetten.

Daar ben ik dus de komende weken druk mee. Terwijl bijna iedereen zich misselijk eet aan een kerstdiner, sta ik met kwast en schroevendraaier mijn huis helemaal van mij te maken. Van zolder tot kelder een drastische opfrissing. Ik heb al een aardig beeld van hoe het gaat worden, zo rond het einde van januari. Dus, ik wens u alvast een heerlijke oudejaarsavond, en hoop u aan de andere kant weer te zien, vanuit mijn nieuwe huis! (Ook nog gelegen in een prachtige straatnaam, met een grappige postcode, maar die kan ik wegens privacy-redenen hier niet noemen, helaas. Maar ik bedoel maar: zelfs de details zijn fijn. Dat kan alleen maar veelbelovend zijn, toch?)

En gek genoeg het fijnst van alles, als ik heel eerlijk ben? Dat ik zélf die makelaars belde, dat ik zélf die klusjesmannen en notarissen te woord sta, dat ik durf, nee: het vertrouwen heb, dat ik dat zelf ‘mag’ doen, kan doen, zonder volledig in de stress te schieten, bang te zijn voor afwijzing of communicatieproblemen. Ik mag bestaan, en dat doe ik ook, heel natuurlijk, zonder te forceren. En dat is echt heel erg fijn.

Dus! Tot volgend jaar, of wie weet tussen de klussen door. Op naar 2015!

Donderdag

Als hij zichzelf en profil bekeek, zag hij zijn moeder. Zelfde mond, beetje haakneus, hoog voorhoofd. Echter, wanneer hij frontaal zijn spiegelbeeld keurde, zag hij zichzelf. Althans, tot voor kort. Sinds vorige week donderdag zag hij alleen nog iedere ochtend het hem overbekende gezicht, met de ietwat terugliggende kaaklijn, de rimpeltjes rond zijn ogen, de donkere waas van twintig jaar scheren, en zijn lichtgroene ogen. Maar of dat gecategoriseerd kon worden als ‘zichzelf’ – nee. Het was niet dat hij opeens veranderd was van uiterlijk. Alleen bekroop hem een vreemd soort afstandelijkheid wanneer hij probeerde te oordelen wie daar tegenover hem stond.

Hij stelde zich voor dat het zoiets was als iemand die in een vlaag van blinde woede een ander – een levend mens, vermoord had. Hoe die persoon de dag erna in de spiegel zou kijken. Alles herkenbaar, precies zoals eerder, en toch onbegrijpelijk nieuw. Alsof onder de huid, achter de ogen, langs de neus weg opeens een andere persoonlijkheid naar voren was getreden. Bijna argwanend zou diegene iedere centimeter van zijn gelaat minutieus bestuderen, dacht hij. Precies zoals hij zelf ook geneigd was, sinds donderdag. Als om te zoeken naar… naar welke van de twee? Naar herkenning, of juist naar datgene wat hem vreemd was? Alsof er een fysiek bewijs moest zijn, iets dat absoluut anders was dan vóórdat dit gebeurd was. Alsof dat bestaansrecht zou geven aan zijn overtuiging dat hij niet zichzelf was geweest, vorige week, nu, en voor de rest van zijn nog voor hem liggende leven. Alsof het onmogelijk was zijn zelf vóór donderdag te verenigen met zijn zelf erna.

Uiteraard was hij ervan overtuigd geweest dat iederéén hem argwanend zou bekijken. Hem misschien zelfs niet zou herkennen, wanneer hij binnen kwam lopen, hem neutraal kijkend zou vragen naar zijn naam en welk vak hij ‘gaf’. Maar niets van dat alles was gebeurd. Natuurlijk niet, dat wist hij ook wel, maar toch. Misschien was het beter geweest als het wél zo was gegaan. Zijn andere fictieve scenario was namelijk dat hij nog geen voet binnen gezet zou hebben, of de hele brildragende, betweterige kliek zou hem – als ware ze één enorm mythisch beest – verslinden onder luid, dierlijk gebrul. ‘s Nachts kon hij daarnaar verlangen, als een soort verlossing van zichzelf. Maar zodra de dag aanbrak, met haar routine en gewoonten, wilde hij daar niets meer van weten. Alles wat hij dan wilde, was dat er niets veranderd zou zijn, en dat het nooit gebeurd was.

Maar daar wrong de schoen. Dat laatste loog hij namelijk. Wat hij eigenlijk, als hij héél eerlijk was, zou willen, was dat het wél gebeurd was, maar hij er niet zo van door zijn stuk gebracht zou zijn. En dat bracht hem nu juist zo van zijn stuk.

Uit alle macht probeerde hij afgelopen dagen om die donderdagmiddag te verdringen, maar zodra er een glimp – of meer een soort foto in zijn brein – opdook, dan stond hij in vuur en vlam. Het was nog niet eens bewegend beeld, die herinnering, dat liet hij nog niet toe, maar de gedachtenfoto’s waren al genoeg om te imploderen, keer op keer. Dat maakte hem onrustig. Ben ik een beest? Ben ik een monster?

‘Ja’ zei hij tegen zijn spiegelbeeld. ‘Ja, dat ben je.’
‘Dat ben je. Dat ben je verdomme.’
‘DAT BEN JE, KLOOTZAK. VUILE GOORLAP. VUILE GORE SMERIGE KLOOTZAK!’
Er brak iets los in zijn binnenste, leek het wel.
‘JA JIJ. GORE SMEERLAP. JIJ. JIJ HEERLIJKE, AF-GRIJS-E-LIJ-KE KLOOTHOMMEL!’

Hij zag minstens twintig fragmenten van zijn aangezicht nu. Zijn hand bloedde. Een paar scherven van de spiegel waren in de wasbak terecht gekomen. Er was niets, niets, niets wat hij liever wilde dan het nogmaals doen. Zijn bloed leek door zijn aderen te kolken. Het broeide, het vlamde, en hij wilde meer. Meer. MEER. Hij riep een gedachtenfoto op. Haar prille borsten. Kijk, zie, ze beweegt nu. Haar tietjes, haar geile minitietjes, zachtjes op en neer gaand op het ritme van haar ademhaling. Zijn erectie duwde tegen de rand van de wasbak. Hij keek brutaal naar zijn spiegelbeeld, zocht een oog, hij zag er drie in de scherven onder elkaar. ‘HET WAS HET GEILSTE WAT IK OOIT GEDAAN HEB, GODVERDOMME.’ Terwijl hij meer herinneringen opriep – van haar gesloten ogen, van haar strakke dijen, van haar grimas toen hij zich in haar duwde, worstelde, wist te vechten – klemde zijn vuist zich strakker en strakker rond zijn op knappen staande lid. ‘Ik wist wel dat ik het kon. Ik wist het. Ik heb het altijd, altijd, ALTIJD AL GEWETEN. IK! BEN! NIET! IMPOTENT! NIET! ALLE VUILE HOEREN IN HET VERLEDEN HADDEN HET MIS! KUTWIJVEN! RACHEL! JOSANNE! MARIJ! GORE TRUTTEN! HET LAG AAN JULLIE!! NIET AAN MIJ! LELIJKE UITGEZAKTE SNOLLEN!’ Roodaangelopen, hijgend, schreeuwend bleef hij zichzelf strak aankijken. ‘IK. KAN. HET. WÉL.’ Kreunend spoot hij zijn eigen spiegelbeeld onder. Zijn ultieme bewijs, de kroon op zijn werk: zie. Vanaf nu kon hij het. Verdomme. Verdomme verdomme, het was zo simpel. Zo verdomde simpel al die tijd.

‘Goedemorgen dames en heren, gaan we allemaal zitten en pakken we ons boek erbij?’ Hij liet zijn ogen door de klas dwalen. Zij daar. Achterin de hoek, ze liep naar haar tafel. Haar dertienjarige billen strak in een donkergroene jeans. Haar paardenstaartje opwippend bij iedere pas op haar gympies. Zij zou de volgende zijn. Hij voelde het luid en duidelijk door zijn aderen gonzen.

De tienprocentvoeten-schoen

Ik had gisteren een gesprek over tenen. (Het begon als gesprek over vingers, maar dat terzijde.) Ik wist me vaag nog iets te herinneren dat ik ooit had gelezen, dus ik heb het even opnieuw opgezocht, en inderdaad: men zegt dat wanneer je tweede teen groter is dan je dikke teen, je een zogenaamde Griekse voet hebt.

Dat ziet er dus zo uit:
Griekse voet

Dat blijkt zeldzaam te zijn: maar zo’n 10% van de mensen heeft dit. 60% van de mensen heeft een ‘gewone’ Egyptische voet. (Waarbij de dikke teen groter is dan de tweede teen.) En dan heeft nog zo’n 30% een zogenaamde vierkante voet: een voet waarbij de eerste en tweede teen even lang zijn.

Die Griekse voet, dat werd dus een schoonheidsideaal. Veel standbeelden hebben een Griekse voet. Tot in de Renaissance en later bleef dat zo. Zo heeft bijvoorbeeld het Vrijheidsbeeld ook een Griekse voet. Goed. Prima. Een vreemd detail om als ideaalbeeld te nemen, maar wie ben ik om daarover te zeuren.

Maar. Toen realiseerde ik me dus iets dat nog nooit eerder in me opgekomen was:

Zo goed als ALLE schoenen hebben ook de vorm van een Griekse voet. Ik heb het even getekend, om het extra duidelijk te maken:
voetschoen

Waarom?! Als maar 10 procent van de mensheid die vorm heeft, waarom loopt 90% dan zichzelf in die vorm te proppen z’n hele leven lang? Een enkele schoen is wel Egyptisch of vierkant van vorm, zoals de Barefoot running shoes, of de ouderwetse blokneus.

schoenen

Maar het gros is dus eigenlijk de verkéérde vorm voor 90% van de bevolking.

Dat is toch raar?

Zouden schoenmakers dat oude schoonheidsideaal nog steeds aanhouden? Eigenlijk maak je dan dus maar 10% van je klanten blij. Dat lijkt me geen heel goede score. Tenzij mensen massaal die Griekse vorm willen veinzen natuurlijk, omdat ook wij onbewust denken dat een schoen – en dus een voet – er zo uit moet zien?

Foute vorm

58

Het is donker. Bij de buspaal (een halte is het niet te noemen) staat een jongeman met een hoedje, een sikje, een hippe jeans en een lichtgevende wang.
Dat laatste komt door de telefoon aan zijn oor. Terwijl ik nader, praat hij gehaast tegen de persoon aan de andere kant van de lijn.

“Ja. Jaja. Ohhhh ja! Ja want hier sjtaat aggenvijftig. Ja. Ja. Aggenvijftig. Oh zo! Jaaaaja. Ja, want eronder sjtaat dus aggenvijftigaggenvijftigaggenvijftigaggenvijftigaggenvijftig. Jaaaja, nee dan snap ik het. Dus dan komp het wel in orde. Oh. Ja. Neeeee, jaja. Dan zie je me zo hè.”

Ik passeer hem en zie opluchting in zijn naar de buspaal turende ogen. Hij heeft duidelijk een hulplijn ingeroepen, en is nu dolblij dat hij de mysterieuze buscode heeft ontcijferd. Ik glimlach en loop verder. Uit nieuwsgierigheid pak ik mijn telefoon om te kijken hoe laat het nu is.

Het is exact 21.00u.

Ocharme.

Als je kat Mirra heet, vraag je er misschien ook wel een beetje om

Iedereen kent de filmpjes wel denk ik, van een of andere kitten die zichzelf in de spiegel ziet, een hoge rug opzet en in de aanval gaat, en dan geagiteerd achter de spiegel kruipt om die andere kat te zoeken.
Dat beeld is zo’n beetje het algemene beeld denk ik, dat mensen van kat+spiegel hebben. We gaan dus uit van de volgende twee stellingen:

1. De kat kent het concept ‘spiegel’ niet.
2. De kat herkent zichzelf niet.

Want immers, als de kat het concept spiegel zou begrijpen ging zij niet erachter kijken. Ook zou ze zich niet bedreigd/uitgedaagd voelen als ze zou begrijpen dat ze het zélf was, dat spiegelbeeld.

Nu heb ik een kat of zes à zeven van dichtbij genoeg meegemaakt om te weten hoe ze met spiegels omgaan. Mijn ervaring is dat ze als kitten de spiegel nog als concurrentie zien, en naarmate ze ouder worden gewoon simpelweg het hele ding negeren. Ik ken ook een aantal katten die denken dat spiegels een soort raamkozijnen zijn. Mijn vorige katje Kaia en mijn huidige transgenderkat Dakota proberen allebei door de spiegel te klimmen, tot ze hun neus stoten, dan houden ze ermee op en gaan weer over tot het volkomen negeren van het ding.

Nu – en ik kom eindelijk ter zake – heb ik dus nog een andere kat: Mirra. Een al wat oudere dame in overwegend zwart verenkleed, die heel anders met spiegels omgaat. Zij is de enige kat die ik ken die dit gedrag vertoont, en ik vraag me dan ook af wat het wil zeggen, én of er meer katten zijn die dit doen.

Ik zal het uitleggen. Mirra gebruikt de spiegel als handig gereedschap. Mirra en Dakota hebben regelmatig ruzie, want Dakota jaagt Mirra op en pest haar weg. De kamer uit, gewoon omdat het kan. Nu had ik in mijn vorige huis op de slaapkamer pal naast het bed mijn kledingkast staan, die een manshoge spiegeldeur heeft. Wanneer Mirra op het bed zat (of juist eronder) en Dakota onder het bed zat (of juist erop) dan keek Mirra dus doelbewust in de spiegel, zodat ze kon zien of Dakota inderdaad daar zat. Wanneer zij op het bed zat, bleef ze in de spiegel turen tot ze zag dat Dakota dicht genoeg bij de rand was, om hem vervolgens een rotmep te verkopen vanaf het bed. Wanneer ze onder het bed zat, tuurde ze in de spiegel om in de gaten te houden wanneer Dakota’s aandacht verslapte en hij niet meer naar de vloer zat te turen maar even uit het raam keek, of zijn staart waste, of iets dergelijks. Dan sprintte Mirra als een gek onder het bed uit en rende haar veiligheid tegemoet richting woonkamer.

Ook gebruikt Mirra de spiegel als het om aandacht gaat. Er staat hier een make-up spiegel op tafel tegen de muur, en Mirra’s mandje staat ernaast. Ze gaat geregeld in het mandje liggen, met haar kopje op de rand, en tuurt dan in de spiegel naar mij. Ik zit veelal achter de computer, enthousiast op mijn toetsenbord te rammen. Soms kijk ik op, en dan zit Mirra mij via de spiegel aan te staren. Wanneer we – via de spiegel dus –  oogcontact maken, miauwt ze naar me, ten teken dat ze geaaid wil worden. Omdat ik haar spiegelgedrag opvallend vind, experimenteer ik dus ook met haar besef van dat concept. Zo kwam ik erachter dat wanneer ik op dat moment mijn hand ophef, iets dat zij niet ‘in het echt’ kan zien omdat het achter haar rug gebeurt, maar wat ze wél via de spiegel kan volgen, dat zij dan de beweging van mijn hand volgt. Wanneer ze ziet dat mijn hand richting haar begint te bewegen, rolt ze haar bovenlijf en kopje richting de echte ik (niet de spiegel-ik) om zo perfect op het goede moment bij mijn hand uit te komen om geaaid te worden. Om uit te sluiten dat ze gewoon de luchtverplaatsing voelt of mijn kleding hoort bewegen of iets dergelijks, heb ik het ook geprobeerd wanneer ze niet in de buurt van een spiegel ligt. Wanneer ik dan achter haar, dus uit haar zicht, hetzelfde doe, gebeurt er niks. Wanneer mijn hand haar kopje raakt schrikt ze lichtjes op – een teken dat ze het dus niet zag/hoorde/voelde aankomen.

DSC_0840

Goed. Nu denk ik dus bij Mirra te kunnen stellen dat voor haar stelregel 1 blijkbaar niet opgaat: ‘De kat kent het concept ‘spiegel’ niet.’ Volgens mij moet zij op een of andere manier ‘begrijpen’ dat een spiegel haar omgeving weerspiegelt. Ze snapt dat ze onder het bed kan kijken via de spiegel, en daar dan Dakota ziet. Ze denkt niet dat Dakota vóór haar zit, in de spiegel, nee ze snapt dat het een reflectie van Dakota is. Hetzelfde gaat op voor mijn hand, en mijn ogen. Ze zoekt oogcontact zonder te denken dat ik in de spiegel ben. Ze begrijpt dat wanneer ik mijn hand beweeg, zij naar mij toe moet bewegen, en niet naar de spiegel toe.
Wat stelling 2 betreft: ‘De kat herkent zichzelf niet’, daarvan denk ik dus dat dat waar is. Ze heeft nooit enig teken gegeven dat ze zichzelf in de spiegel bekijkt, of zichzelf lijkt te herkennen. Toch, als ik verder redeneer, vraag ik me af of dat wel kan. Kan het zo zijn dat ze wel het concept spiegel snapt, en het dus kan inzetten, maar niet dat zij zelf dan ook zichtbaar is in die spiegel? Heeft ze een soort blinde vlek daarvoor? Of zou ze het wel weten, maar er gewoon niets mee doen? Het bekende apen-experiment ‘de spiegelproef‘ waarbij ze een rode stip op hun voorhoofd krijgen, en wanneer ze in de spiegel kijken hun hand naar hun eigen voorhoofd bewegen (wat dus wil zeggen dat ze besef van hun ‘zelf’ hebben) gaat niet echt op voor katten. Katten zouden zichzelf schoonwassen als ze iets ruiken of voelen, maar niet puur op zicht.

Nu zit ik dus met twee vragen: Hoe zit Mirra’s besef van spiegels precies in elkaar, en zijn er meer katten die dit doen? Omdat ik maar een handvol vergelijkingsmateriaal heb, kom ik niet zo ver. En omdat ik niet heel veel experimenten kan doen – het blijft een kat – wordt het me niet echt duidelijk hoe de vork nu in de steel zit. Dus. Mochten er kattendeskundigen of gedragsdeskundigen of enthousiastelingen, logici of wie-dan-ook-die-er-iets-van-denkt onder ons zijn: ik hoor graag uw mening.

Hoist with his own petard

Alles klinkt vandaag als een cliché. Die gedachte kan ik in een tweet stoppen en de wereld in zenden. Ik kan ook mijn blog opengooien, en zien waar het strandt. En zien waar het strand is. Bij de zee, last time I checked. Een cheque, gebruikt men dat nog? Voor echt geld-geld, niet voor een of ander winkeltegoed. Je bent te goed voor deze wereld. Wereldfilms. Alsof er ook films zijn die op Jupiter gemaakt zijn. Jupiler. België. Wie was ik daar? Ik was daar mezelf, maar dan de light versie. En dat was gek genoeg heel zwaar. Zwaar maar waar. Zwaar ook zijn knieën. Zwaar zijn lichte kijk op het leven. Zwaar zijn bagage, die hij op de schouders van zijn dochter laadde, en die ik weer van haar probeerde af te nemen. Ik ben daar deels in geslaagd, denk ik. Mijn belangrijkste accomplishment van de afgelopen jaren. Mijn gedachten gaan nog vaak de grens over. The unbearable lightness of fleeing. Ik sta met twee voeten in het nu hoor, en volmondig. Maar je neemt schimmen mee, aan de hand, iedere nieuwe kamer in. Ik heb er een stuk of 5 nu. Ze wisselen elkaar af naargelang mijn stemming. Sommige van hen zijn er al jaren en jaren. Die sleepte ik al menig oud vertrek in. Ik stelde ze voor aan het nieuwe daglicht, ze werden veelal geen beste vrienden. Ik weet het, ik weet het, maar het is niet anders. Hoe dan ook: ik heb ze nodig, ze zíjn mij. Ze zijn al lang niet meer wie ze ooit waren, ik heb ze vermaakt tot delen van mijzelf. Ik kan er gesprekken mee voeren, ik kan ze oproepen wanneer ik iets specifieks mis, ik haat ze, koester ze, en zo is het. Punt. Komma. Coma. Het voortdurende gevoel niet te leven, maar wel te bestaan. Bestand zijn tegen imperfectie, het valt niet mee. Meevallen, dat is je samen ten onder laten gaan. Willingly. Willen is het moeten van volwassenen. We leren af om keihard in de winkel te krijsen dat we snoep moeten. Dat ene autootje moeten. Nog niet naar bed moeten. We leren te willen. We willen meer in het leven, we willen vooruit komen, we willen nog steeds snoep, maar dan in bitterzoete vorm gegoten. Genoten, van het lichaam tegen die ander. Genoten van elkaars willen. Wederzijds. Weder is her – is opnieuw. Opnieuwzijds. Steeds opnieuw op zoek naar die roes. Roest. Het zet zich af in je hart. Hardop. Durven zeggen dat het anders kan. Kanttekening: ik weet het ook niet. Ik weet het niet want alles is al gezegd. Gedaan. Gewild. En dat is waar het explosief verstopt zit: gewild worden. Woorden, daar heb ik er genoeg van. Daden ook, ik dader wat af. Neem hier en daar een willekeurig ledemaat mee, smijt dit achteloos in een hoek en struikel er af en toe over in het voorbijgaan. Want alles gaat voorbij. Bijval. Dat is als je jezelf ook maar dat zwarte gat in werpt waar de ander al in ligt. Licht, dat sijpelt mee. Maar zijn licht zul je niet worden, want wie in het donker leeft heeft meer te verliezen dan het zwart alleen. Alleen zijn terwijl je samen bent. Maar wacht, er is meer. Niet alles is een kluwen, er zijn ook rechte lijnen. Van jou naar mij, van hier naar daar, en no way dat ik ooit terug ga. Er is zoveel moois, je hoort het je oma zeggen. En ze heeft gelijk. Potverdomme wat heeft ze gelijk. Open je handen en zie wat daar te zien is: alles wat je hebt. En alles wat daar weer uit voortvloeit. Geboeid kijk je naar die hond aan je voeten, hoe ze stuiptrekt in haar droom, piepgeluidjes maakt en dat je daarom móet grijnzen. Dat je haar wil platknuffelen omdat het kan. Omdat het kan. Omdat het mag. Dat willen, dat eeuwige willen, dat moet mogen worden. Want mogen is waar alles kan bestaan. Het boek dichtslaan en de film in stappen. En dat niemand er meer iets van begrijpt maar jij opeens alles weer helder voor ogen ziet. Voor mogen ziet. Dát. Dat is waarom ik schrijf.

Staat genoteerd

Je lichaam verandert sneller dan je geest. Niet dat dit wat uitmaakt, maar het is het vermelden waard. Net zoals het best vermeld mag worden dat ik iemand over het hoofd zag vanavond. Niet als in eroverheen kijken, maar zoals in ‘Hee ben jij hier ook!’ en dat hij dan zegt ‘Eh….ja? Ik heb daarstraks hoi tegen je gezegd?’ en dat ik ‘Nee… echt?’ uit weet te brengen en hij dan fronsend ‘Ja, ik vond al dat je heel vaag reageerde…’ antwoordt. En dat ik me dan echt stom en lullig voel en nog een uur in de kroeg zit na te analyseren hoe dat zo kon komen, de pub was namelijk bijna leeg en hij liep recht op me af – en ik uiteindelijk het antwoord nog weet ook. Maar écht weet, niet een beetje een verklaring zoeken, maar gewoon begrijpen wat er gebeurde, in mijn brein, en daar dan evengoed nog verbaasd over kunnen staan. De geest is koppig, stroperig in het accepteren dat je bent wie je bent, en dat die zogenaamde “je” je nog geregeld verbaasd laat staan. Dat ik iemand blijk te zijn die zó in beslag genomen afwezig kan zijn (en dat nooit achter mezelf gezocht heb). Helemaal wanneer je bedenkt dat ik een half uur later de deur van de kroeg opende, een silhouet in het donker zag en meteen wist wie hij was: een vervlogen vriend. En niet alleen dat, maar dat ik óók in diezelfde kwart seconde direct wist dat ik hem niet meer wilde kennen en daar meteen mijn hele houding op aan wist te passen, nog voor hij vanuit zijn ooghoeken dezelfde herkenning kon vinden. En dat er dan zo’n olifant-in-de-kamer-spelletje ontvouwt, waarin we op twee vierkante meter staan te roken en we toch geen enkele keer elkaars bestaan erkennen. Waardoor je misschien nog wel meer bevestigt dan je zou willen. Maar dat is weer een ander verhaal.

Laat ik het hierbij houden: de badkamerspiegel laat haarfijn zien dat mijn lichaam constant verandert. Maar ik blijk de buitenwereld nodig te hebben om in mezelf te kunnen kijken. Iets dat ik graag vergeet, in mijn kluizenaarsbestaan. Dus erken ik hier, vannacht, tegenover jullie – de mensheid – maar vooral tegenover mijn geest: ik heb jullie nodig om mezelf te blijven kennen.

Achter de struiken

Ik wandel met mijn hond door een groot park. Aan het park grenst het schoolplein van een basisschool. Ik kan minutenlang alle kinderen die pauzeren observeren terwijl ik door het park struin.

Het is de bovenbouw die momenteel pauze heeft. De leraren staan in de buurt van de schooldeuren wat te keuvelen en een oogje in het zeil te houden. Alle kinderen zijn samen op het plein, verdeeld in groepjes: sommigen spelen, andere praten. Op één jongen na. Die staat helemaal apart van de anderen, achter een paar afgelegen hoge struiken, totaal uit het zicht van iedereen op school. Hij heeft zijn spijkerjasje over zijn hoofd gehangen, en staat met een twijg een beetje onrustig in de struiken te porren. Hij tuurt onafgebroken door diezelfde struiken naar iedereen op het plein.

Mijn hart breekt, maar ik weet helemaal niet of dat terecht is. Misschien is het zo’n jochie dat graag wil uitvinden of hij gemist wordt als hij na de bel niet in de klas blijkt te zijn. Zodat iedereen moet lachen. Misschien is het een enorme etterbak die staat te broeden op een verrassingsaanval mocht iemand in de buurt van de struiken komen. Ik weet het niet, maar zijn lichaamstaal zegt voor mij eerder dat hij een buitenbeentje is. Geen enkel groepje lijkt hem te missen. Niemand lijkt naar hem op zoek. Het ziet eruit alsof hij de tijd aan het doden is, tot de bel weer gaat. Dat hij hoopt dat niemand hem opmerkt in de tussentijd, zodat hij niet gepest zal worden.

Uiteraard doet me dat aan mijn eigen schooltijd denken. Ik was nooit populair. Maar ik was ook nooit de zogenaamde allerlaagste rang – de pispaaltjes. Ik werd nooit gepest, maar hoorde ook absoluut niet bij de ‘populaire kinderen’. Ik had altijd wel een of twee vriendinnetjes waarmee ik speelde. En toch heb ik me iedere dag, ieder uur, ongemakkelijk gevoeld op school. Altijd bang dat ik zou opvallen, iets ‘fout’ zou doen, er stom uit zou zien (mijn kleding leek niet op die van de populaire kinderen, mijn kapsel evenmin). Voor het bord komen? Daar had ik iedere nacht voor het slapengaan angstgedachten over. Ik haalde hoge cijfers en was goed in sport, maar ik was steeds bang dat het te hoog, of te goed zou zijn. Ik zag dagelijks kinderen gepest worden omdat ze zichzelf waren, anders, of een beetje klunzig, of juist vol zelfvertrouwen terwijl ze niet populair waren. Alles was potentieel verkeerd. Ik wilde onzichtbaar zijn, het liefst van alles. Dat is wat ik denk te herkennen in dit jongetje, met zijn jas over zijn hoofd achter de struiken, de minuten aftellend tot hij weer bevrijd wordt van het ‘vrije’ speelkwartier.

Ik zucht diep, half uit opluchting omdat ik niet meer op school zit, half meelevend omdat hij wél nog middenin dat systeem zit.
Ik loop nu vlak langs hem. Een meter groen, een hek, en daar staat hij.
Ik hoop dat hij zich even omdraait, zodat ik bemoedigend naar hem kan glimlachen. Maar nee. Hij blijft met haviksogen naar de andere kinderen turen.

Houd vol, denk ik. Het wordt ooit beter.
Echt.