Wars

Dit is niet wat je wilde. Dat kan ook niet, want alles gaat trager dan toen je zeventien was en al precies wist hoe jij ging eindigen. Je loopt met stroperige passen door de stad – het regent voor de sfeer – en je zoekt je eigen reflectie op in de eerste de beste winkelruit. Wat je ziet ben je niet, het is die ander. Degene die je plaats heeft ingenomen, ergens tussen toen en nu. Degene die aan het eind van de dag thuis wil zijn en op de bank wil zitten met de kat. Degene die het prima vindt om op zaterdagmiddag de boodschappen te doen. Degene die al jaren voortkabbelt en daar evenwicht uit put. Was ooit megalomanie je beste vriend, kroop je in bed met zelfoverschatting – nu is het hoogste genieten de afwezigheid van stress.

Dit is niet wat je wilde. Je zeventienjarige rebellerende zelf lacht je uit. Maar je laat hem lachen, met hysterisch ontbloot tandvlees, met kakelende uithalen, want je weet wel beter nu. Het droomt moeilijk zonder slaap.

Junknotes

Op mijn werk, een publieke plek, vind ik nogal eens persoonlijke achterlatinkjes van mensen. Zo vond ik laatst in een trappenhuis een klein briefje, geschreven door een van de verslaafden die daar altijd vertoeven. (Ze zitten daar, omdat het pal naast de opvang ligt. In de opvang mogen ze niet gebruiken, dus wijken ze uit naar ons trappenhuis.)

junknote01
(“Liefste Er<3, 'k wil de moed en hoop niet opgeven. Ik zit weer op onze plek in de rotzooi. (waarsch. Thies?) Pasen... Kon ik je dan maar ontmoeten! Maar goed, 't zal wel weer niet. Word er niet vrolijker van Er<3. Zeg me dan eerlijk dat je me niet wilt zien e/o spreken. Dit (het negeren of ontwijken ea doet zo'n pijn en maakt me zeer ongerust. Omdat ik niet weet wat er aan de hand is. Er<3 stop hiermee, wil je? Ik kan dit niet verdragen. Hou v je Heb geen papier Bel me <3 <3")

Ik vind het ontroerend. Al ben je verslaafd aan harddrugs, je hebt nog steeds ‘normale’ sores zoals liefdesverdriet.

Vandaag vond ik twee nieuwe briefjes. Vier kantjes. Gericht aan haar dochter, die – zover ik eruit kan opmaken – sinds kort ook in een of ander (verslaafden?)circuit terecht gekomen is.
Treurig. Uitzichtloos. Maar tegelijkertijd weer datzelfde gevoel: je blíjft mens, ongeacht hoeveel er mis gaat in je leven. Afhankelijk zijn van drugs. Dagelijks. Daardoor geen huis meer hebben en in opvangen moeten verblijven. Maar wel nog foutloos spellen. Terwijl je je dochter probeert te behoeden voor alles wat jou zelf overkomen is.

Heftig.

junknote
(“Lieve Eva, sorry dat ik er niet ben! Ik heb 2 wkn sanctie gekregen. Dit keer had ik folie en aansteker in m’n handen doch niet gerookt! Mijn buurvrouw klikte herhaaldelijk met haar aansteker dus kwam ‘t personeel en zag mij ‘r voor aan. Wéér gezegd dat ze dat a/d leiding moest vertellen: No! Eva wees voorzichtig met jezelf. Ben sterk, kin omhoog en vecht, voor jezelf. Niemand zal je ècht helpen, kind. Dat kan jij alleen. Dus denk aan jezelf Eva. En héél belangrijk vertel niemand (ook je beste vrienden) niet teveel/ beter niks! Het wordt ooit tegen je gebruikt Eva dit geldt ook voor instanties. Alles wordt jarenlang bewaard. Kijk uit. Want ook eerlijk zijn wordt (vreemd genoeg) afgestraft. Daar kan ik je tzt genoeg voorbeelden v. vertellen. Liefje ik hou v. je wat er ook gebeurd is of kan gaan gebeuren ok. Ik hoop je snel in m’n armen te nemen. je mamma <3")

Mengellief

In alle hectiek vergeet ik het wel eens, maar er zit nog lief in mij. Het heeft alleen geen trampoline meer. Het is nu zaak er een touwladdertje voor te knopen. Een voorzichtige, niet op de onzekere, maar op de bedachtzame manier. En dan kijken.
Kijken naar wat het doet. Zo zonder springstof. Of je het nog herkent. Ik dus. Want jij bent de jij niet meer die je was toen het nog anders was. Jij was een andere jij. Er zijn al veel jijen geweest. De een lang en rood, de ander donker en breed – jij was altijd een tijdje jij, tot je hij werd. En dan kwam er weer een nieuwe jij.
Maar lief is lief, dacht ik altijd. Lief zijn, hebben, voelen. Zoals dat gaat als ik jou tegenkom. Dat het vanzelf opspat, vlekken maakt (die wanneer je niet goed opruimt, langzaam inbranden in het relatietapijt).

Ik dacht eigenlijk altijd dat mijn innerlijke lief gewoon ík was. Zoals mijn haren ik zijn, en mijn handen. Zoals mijn borsten ik zijn, en mijn lach. Het was mijn lief. Waar ik mee geboren was. Dat er gewoon inzat, en eruit kon komen – of niet. Zo.
Maar nu (het nu dat kwam toen jij kwam) blijkt al dat lief nooit mijn lief te zijn geweest. Het bleek mengellief. Lief dat gesponnen werd uit twee harten, twee monden, twee hoofden. Dat lief bleek voorwaardelijk: als jij, dan ik. Niet meer en niet minder.

Nu jij er bent, jij die opgesloten zit in het vacuüm dat jouw wereld is, nu blijkt mijn lief verdwenen. Mijn lief zoals ik dat ken. Het is er niet. Het was er nog wel, in het begin, en het stuiterde hoog, maar het stootte keer op keer het hoofd. Boeink. Boeink. Lager en lager sprong het steeds, tot het niet meer boven de hartegrens uit kwam. Daar werd het iets dat ik niet ken.

Het gevolg is dat mijn lief mijn lief niet blijkt. Dat lief, dat er altijd was, dat gemaakt bleek te worden door het tegenlief dat jij gaf. Die andere jijen dus, niet jij. En nu?

Nu zijn we tientallen maanden verder en blijkt er een stuk leven vol trampolineloosheid te zijn geweest. Liefloos. Opgeslokt door het opbouwen van jouw jij en mijn mij, heb ik het niet eens zien vertrekken. Maar nu ik hier zit, zachtjes in de stilte van wat ik blijk te kunnen, voel ik soms voorzichtig wat zachts langs mijn innerlijk strijken. Het richt zich op een gezongen zin, of een zachte vacht, of soms zelfs op een onzekere blik in een televisieprogramma. Maar het is er nog. Het is er nog. Ik ben niet afgestompt, alleen maar alleen gelaten. Niet verlaten, maar dichtbijlaten. Uw naaste. Nu ik de touwladder knoop, is het enige waar ik op moet letten dit: dat ik hem uiteindelijk aan de juiste jij vastknoop.

Tegen het lijf

Huh? Hè? Neeeee, ben jíj het? God wat lang geleden zeg! Wat leuk joh!
Nee, goed hoor, echt goed! Ja, lekker kun je wel zeggen zelfs! Weet je, ik heb het niet zo op van die zeurpieten hoor, doe mij maar lekker een positieve instelling, dan ga je het langst mee, toch? Toch? Precies!
Jaaa joh, twee kids, echte mannetjes al, vier en bijna zes nu, heerlijk hoor van die blije keutels om je heen! En jij ook zo te zien aan dat buikje – ha ha ha, ja niet dan pop, laten we eerlijk zijn: na die gevreesde vijf-en-dertigggg laat je alles gewoon los toch, al die angsten van strak moeten blijven, gelijk heb je schat. Het is dat moeder natuur mij in een goed jasje heeft gestoken want als het aan m’n “laajfstaajl” lag… ha haaa haa, ik ben niet van de bank te krijgen hoor!
Nee maar alle gekheid op een stokkie, wat fan-tas-tisch om je weer te zien, nee maar echt. Je verliest toch iedereen gaandeweg uit het oog, en dat is toch zonde hè. Maar ja, ieder leeft toch z’n eigen leven, en zo hoort het ook, wat jij?
Nee, nee ik ben nooit weggeweest zeg maar, ha ha ha, ik dacht toen al: ik heb hier ál-les wat mijn hartje begeert, dus ik heb geen reden om per se krampachtig de-wereld-te-gaan-zien ha ha! Kijk, uiteindelijk komen ze toch allemaal met hangende pootjes terug – nee ik bedoel natuurlijk niet jou, schat, maar bij wijze van spreken – je snapt me wel, toch pop? En dan zit ik hier lekker met mijn zaakjes voor elkaar, boem paf leuke man lekkere kids en het huis is al bijna afbetaald, nou, wat wil ik nog meer? Nee, ik vind het leven heer-lijk!
Goh, en heeft hij jou verlaten of jij hem? Dat eerste natuurlijk, want je gaat toch ook niet zomaar de kids hun vader ontnemen hè, nee maar daar ben ik heel makkelijk in: daar zijn nooit excuses voor. Wat? Ja ach, ik snap wel waar je heen wilt, maar als je zelf gewoon effe heel eerlijk bent wéét je toch ook dat het vooral aan jezelf zal hebben gelegen, daar kunnen we kort over zijn toch?
Jaaa, ach, we hoeven daar ook niet helemaal diep op in te gaan hier naast de doppertjes en de piepers, ha ha ha! Daar heeft niemand behoefte aan natuurlijk, zeg maar schat, wat ben ik blíj je weer tegen het lijf te lopen! Heerlijk om weer even “back in time” te kunnen gaan met je! Daarvoor moet je toch een soort geschiedenis samen hebben, je weet precies wat ik bedoel of niet dan!
Nee volgens mij zat jij altijd met Marjorie, en ik met Sonja daarachter.
Of ja, nu je het zegt, Sonja zat inderdaad altijd met Marjories tweelingzus, nee je hebt natuurlijk gelijk, jullie viertjes waren echt een kliekje hè? Ik was altijd al meer eigengereid, sommige mensen hebben minder kapstokken nodig om zich aan op te trekken zeg ik altijd maar! Nee maar dat is ook zo, ik zat ook vaak alleen, maar daarom kon ik ook zo goed meekomen in de klas, al dat gegiebel leidt ook maar af en dan zie je wel wat daarvan komt ha ha haaaa! Grapje schat, je kent me toch pop!
Goed, maar effe “back to basic”: heerlijk om zo bij te kletsen, maar de boys wachten thuis op de piepers, die zijn vanmiddag met z’n drietjes gaan voetballen, jaja, ook de man hoor! Die weet zich nog goed te keren daar op dat veld! Wat? Ja inderdaad, nog steeds Jos! Die was toen al helemaal af, alles d’rop en d’raan, dus ik dacht: die moet ik houden!
Ach, weet je, als puber was ik waarschijnlijk al wat vroeger rijp zeg maar, dat ik de jongens al op waarde kon schatten: terwijl jullie achter de knappe “hunks” aan gingen zag ik al dat Jos wél echt “husbandmaterial” was, ik kon daar doorheen kijken, en “voila”: wie zit er nu zonder vent op een flatje en wie is he-le-maal in de wolken met haar kerel, ik bedoel maar, je snapt wat ik bedoel hè schat?
Nou, toi toi toi voor jou en hopelijk tot snel en echt héér-lijk om je weer te spreken pop! Ik zal je nog wel vaker zien hier, gezellie zeg, dat fleurt je dag toch op, niet dan? Nou toedels schat!

Chapter 38: common sense

Of ze nog gelukkig waren. De makelaar vroeg het om zijn sales pitch af te kunnen draaien, maar het trof hem op een veel persoonlijker niveau. Of hij nog gelukkig was. Of hij überhaupt de afgelopen pakweg tien jaar daar een moment bij stilgestaan had. Of hij misschien niet meer aan introspectie had moeten doen, en minder aan de voortuin in orde houden. Of hij misschien niet meer had moeten eisen van zichzelf, van zijn leven, dan hij had gedaan.

Ze waren ergens onderweg een hobbelweg ingeslagen, een pad dat hij bij veel stellen in hun omgeving terug zag. Een mengelmoes van gewoonten en gelatenheid, van onderdrukte irritatie en geen zin in ruzie hebben. Van opgeven en loslaten. Waar ze zeventien jaar geleden als twee identiteiten met oprechte wensen en dromen bij elkaar kwamen, zo waren ze nu een holle twee-eenheid die zichzelf voortstuwde geworden. Geen van beiden leken ze gekozen te hebben voor dit leven, met deze woonkamerinrichting, met deze auto en deze twee teckels.

Hij wist het wel. Hij voelde het. Als ze ‘s avonds televisie keken en er onverhoopt een sexy scene voorbij kwam, keken ze elkaar nadrukkelijk niet aan. Terwijl de Brads en de Jennifers zich op elkaar stortten, soms heftig gepassioneerd, soms breekbaar ontroerend, keek hij snel op zijn mobiel of er nog belangrijk nieuws was, terwijl zij in het aquarium staarde om te zien of de maanvissen nog voer hadden. Bijna voelbaar hing het falen in de lucht. De afgelopen tien jaar hadden ze nog amper seks gehad. Ja, het verplichte halfjaarlijkse gerommel in het donker, waarbij de een zich ongemakkelijk voelde en de ander zich kapot leek te schamen. Wildvreemden in bed. Maar ze wisten dat ze toch zo nu en dan wel móesten, voor de statistieken. Anders konden ze er zelf niet eens meer in geloven.

Of ze nog gelukkig waren. Of ze die eenhoorn en die elfjes nog ergens in een doos hadden liggen. Diep weggeborgen onder lagen van grijze containers en stofzuigerzakken en ritjes naar de glasbak. Onder boodschappenlijstjes en schoenen inspuiten en sneeuw van de oprit scheppen. Onder ingehouden zuchten en ‘jaahaa’ en ‘nee niks’ en ‘laat maar’. Onder ‘dat zou mijn vrouw nooit willen’ en ‘daar hebben we het geld niet voor’ en ‘is dat echt nodig?’ Onder al die lamellen afwassen en oliepeilen controleren en heggen snoeien – zat daar nog dat sprookje? Zat daar nog die klaterende lach van haar, die adremheid van hem, die avonden met een fles wijn boven een dek onaangeraakte kaarten? Druk pratend en constant elkaars ogen opzoekend, om te zien of die ander net zo genoot als jij?

‘En hier is de bijkeuken, waar u mooi het witgoed en het gereedschap kwijt zou kunnen’. De makelaar liep al door, maar hij bleef in de deuropening staan en staarde het lege hok in.
Hij zou nog wel véél meer kwijt willen dan de wasmachine en zijn dopsleutels.

Get. Ver. Démme

Ik dacht dus dat ik niet zo iemand was. Maar dan blijkt, en dan moet je dus toch je idee, enzovoort. Dat valt tegen. Dat je dacht dat ándere mensen, van die types, dat díe. Maar jij niet. Nee joh, jij nooit. Maar dat er dan door samenloop van, dat het dan toch gebeurt. En dat je dan eerst in de ontkenningsfase, je weet wel, dat je er gewoon niet aan denkt want dan bestaat het niet. Dat je dat dan een tijdje doet, een dag, twee dagen, en dat er dan wéér zoiets gebeurt. Ja maar echt. En dat je dan denkt, dat je dan móet denken potverdomme, ik ben dus wél. Dus verdorie wél. Zo. Iemand. Get. Ver. Demme. Maar dat er dan toch geen ontkennen meer aan is.

Niet dat het iets heel ergs, ofzo. Het zijn maar kleinigheden. Verstrooid. Komt natuurlijk door de moeheid. Want veel te veel, te druk, te lang. Snap ik wel. Maar zelfs dan. Ik, met al mijn ideeën over mezelf. En natuurlijk kom je er dan achter dat je stiekem, onbewust, al die tijd hebt gedacht dat ‘dat soort mensen’, je weet wel, de mensen die dat wél overkomt – dat dat dus een bepaald slag mensen waren. Van die ongeorganiseerde, laatmaarwaaien types. Zonder verantwoordelijkheidsgevoel, van die achwatmaakthetuit en als het niet linksom, dan. Get. Ver. Demme. Maar nu het je zelf gebeurd is, tot twéé keer toe in één week, nu moet je dus – en dat valt dan toch tegen.

Maar écht tegen hè. Niet gewoon zo’n loze kreet, zo’n losse ‘valt toch tegen hè’ maar een serieuze, zwaarwegende, vloekopwekkende échte realisatie dat het tegenvalt. Dat je minder aankunt dan je dacht, voor je dus vervalt in dat soort verstrooidheden. Vervalt ja. Want je keek er op neer, zo bleek. Maar nu zit je daar dus. Met je realisatie en je desillusie. Met je zelfbeeld en je scherven. En jaahaa, het zijn maar kleine dingen, dat zei ik toch al? Dat weet ik wel, maar toch. Maar toch. Nog nooit eerder heb ik mijn bushalte gemist. Niet een beetje, maar echt pas in een klein rotdorpje erachter komen dat je danig te lang bent blijven zitten op weg naar huis. En toen dus twee dagen later gewoon keihard een uur te laat naar je werk gaan. Want afwijkende tijden. En dat wist ik dus, dat wist ik echt. Ik heb het zelfs nog met mensen erover gehad. Maar op de dag zelf, en er dan natuurlijk te laat achter komen, en dan in de stress, je snapt het.

Maar goed. Je lacht er maar over, dat doe je dan maar want wat moet je anders. Wat maakt het allemaal uit, in the end? Een haltetje missen – waar maak je je druk om meid. Ik snap het wel, vanuit een gezonde afstand is het ook gewoon een beetje grappig. Maar ondertussen kruip ik er met mijn neus bovenop, en kom ik er dus achter dat ik daar slecht tegen kan. Wat dan natuurlijk weer véél meer zegt over mezelf dan het voorval op zich. En dáár ga ik dan óók weer met de neus bovenop – u ziet het al gebeuren hè? Ja, ik ook. Ik ook. Maar zo is het. Hilarisch, eigenlijk, maar dieptriest ook. Goed. Hoppa. Deal with it, enzo. Je bent nu eenmaal een beetje stuk, daarboven. Die wandelpaden in je brein doen nu eenmaal niet wat ze moeten doen. Die leiden je vaak naar achterafkamertjes zonder ramen, en hebben diepe kraters in het hobbelige wegdek. Weet je toch al langer? Nou dan. Het komt wel. Geduld. Niet in paniek. Geen man overboord. Maar ook díe gedachten nemen dus exact diezelfde kronkelpaden en komen dus nooit aan op hun bestemming. Ha. Ha.

Mja.
Rommelaar.

Nee joh, beetje lief zijn voor jezelf.
Prutsertje.

Wat zeg ik nou?
Stomme troela.
Getverdémme.

Zucht.

Hoist with his own petard

Alles klinkt vandaag als een cliché. Die gedachte kan ik in een tweet stoppen en de wereld in zenden. Ik kan ook mijn blog opengooien, en zien waar het strandt. En zien waar het strand is. Bij de zee, last time I checked. Een cheque, gebruikt men dat nog? Voor echt geld-geld, niet voor een of ander winkeltegoed. Je bent te goed voor deze wereld. Wereldfilms. Alsof er ook films zijn die op Jupiter gemaakt zijn. Jupiler. België. Wie was ik daar? Ik was daar mezelf, maar dan de light versie. En dat was gek genoeg heel zwaar. Zwaar maar waar. Zwaar ook zijn knieën. Zwaar zijn lichte kijk op het leven. Zwaar zijn bagage, die hij op de schouders van zijn dochter laadde, en die ik weer van haar probeerde af te nemen. Ik ben daar deels in geslaagd, denk ik. Mijn belangrijkste accomplishment van de afgelopen jaren. Mijn gedachten gaan nog vaak de grens over. The unbearable lightness of fleeing. Ik sta met twee voeten in het nu hoor, en volmondig. Maar je neemt schimmen mee, aan de hand, iedere nieuwe kamer in. Ik heb er een stuk of 5 nu. Ze wisselen elkaar af naargelang mijn stemming. Sommige van hen zijn er al jaren en jaren. Die sleepte ik al menig oud vertrek in. Ik stelde ze voor aan het nieuwe daglicht, ze werden veelal geen beste vrienden. Ik weet het, ik weet het, maar het is niet anders. Hoe dan ook: ik heb ze nodig, ze zíjn mij. Ze zijn al lang niet meer wie ze ooit waren, ik heb ze vermaakt tot delen van mijzelf. Ik kan er gesprekken mee voeren, ik kan ze oproepen wanneer ik iets specifieks mis, ik haat ze, koester ze, en zo is het. Punt. Komma. Coma. Het voortdurende gevoel niet te leven, maar wel te bestaan. Bestand zijn tegen imperfectie, het valt niet mee. Meevallen, dat is je samen ten onder laten gaan. Willingly. Willen is het moeten van volwassenen. We leren af om keihard in de winkel te krijsen dat we snoep moeten. Dat ene autootje moeten. Nog niet naar bed moeten. We leren te willen. We willen meer in het leven, we willen vooruit komen, we willen nog steeds snoep, maar dan in bitterzoete vorm gegoten. Genoten, van het lichaam tegen die ander. Genoten van elkaars willen. Wederzijds. Weder is her – is opnieuw. Opnieuwzijds. Steeds opnieuw op zoek naar die roes. Roest. Het zet zich af in je hart. Hardop. Durven zeggen dat het anders kan. Kanttekening: ik weet het ook niet. Ik weet het niet want alles is al gezegd. Gedaan. Gewild. En dat is waar het explosief verstopt zit: gewild worden. Woorden, daar heb ik er genoeg van. Daden ook, ik dader wat af. Neem hier en daar een willekeurig ledemaat mee, smijt dit achteloos in een hoek en struikel er af en toe over in het voorbijgaan. Want alles gaat voorbij. Bijval. Dat is als je jezelf ook maar dat zwarte gat in werpt waar de ander al in ligt. Licht, dat sijpelt mee. Maar zijn licht zul je niet worden, want wie in het donker leeft heeft meer te verliezen dan het zwart alleen. Alleen zijn terwijl je samen bent. Maar wacht, er is meer. Niet alles is een kluwen, er zijn ook rechte lijnen. Van jou naar mij, van hier naar daar, en no way dat ik ooit terug ga. Er is zoveel moois, je hoort het je oma zeggen. En ze heeft gelijk. Potverdomme wat heeft ze gelijk. Open je handen en zie wat daar te zien is: alles wat je hebt. En alles wat daar weer uit voortvloeit. Geboeid kijk je naar die hond aan je voeten, hoe ze stuiptrekt in haar droom, piepgeluidjes maakt en dat je daarom móet grijnzen. Dat je haar wil platknuffelen omdat het kan. Omdat het kan. Omdat het mag. Dat willen, dat eeuwige willen, dat moet mogen worden. Want mogen is waar alles kan bestaan. Het boek dichtslaan en de film in stappen. En dat niemand er meer iets van begrijpt maar jij opeens alles weer helder voor ogen ziet. Voor mogen ziet. Dát. Dat is waarom ik schrijf.

Met scherp

‘Dit gaat zo niet langer.’ Ze zei het, maar wist niet of ze het echt meende. Of toch, soms – vaak meende ze het. Wanneer ze voor de vierde keer die dag langskwam, omdat er een rare kuch was geweest, of omdat hij zo hevig zweette, zo plots. Of wanneer ze op het punt stond in bad te gaan, en de telefoon ging. Dat ze dan op moest nemen, want als ze dat niet deed, dan hadden ze binnen tien minuten de buren, haar zus, de huisarts en de ambulance gebeld. Niet omdat het zo dringend was, maar om haar het gevoel te geven dat ze tekort schoot.

Tekortschieten kon ze als geen ander. Wanneer ze niet meteen overtuigd was van de noodzaak meteen langs te komen. Wanneer ze iets sussends zei in plaats van net zo in paniek te raken als hen. Wanneer ze tegen artsen, specialisten of ander medisch personeel een realistisch verslag gaf, in plaats van hun gekleurde realiteit. Of – de ergste van allemaal – wanneer ze onverhoopt eens werkelijk iets onderschat bleek te hebben tussen de stroom pijntjes, kwaaltjes en vage symptomen. En een verpleegster na een week zei dat ze misschien beter wat eerder hadden kunnen komen. Dan voelde ze hun koude blikken op haar huid prikken. Want ergens in de afgelopen jaren was het zo gegroeid dat zij als oudste dochter – en niet haar ouders zelf – besliste wat er moest gebeuren bij elke ‘situatie’, zoals haar moeder het altijd noemde.

‘Dit is niet meer haalbaar voor hem.’ Ze zei het en wist meteen dat haar moeder er net zo glashard doorheen keek als zijzelf: voor hem, of voor jou? Ze hoefde haar niet eens aan te kijken om het schuldgevoel al te voelen opborrelen. ‘Ik bedoel, hij heeft geen rust meer, en jij ook niet mam.’ Ze besloot door te gaan, net zo lang tot de knoop in haar maag weg was. ‘Het komt zijn gezondheid, voor zover we daar nog van kunnen spreken, absoluut niet ten goede als hij constant bang is. Bang voor pijn, bang voor te laat komende hulp, en jij kunt zelf toch ook niet meer rustig eens tv kijken?’ Voor ze iets kon tegenwerpen ging ze verder. ‘Zo wordt hij alleen maar zieker, dat weet je. Stress verergert alles, dus ook dit.’ Ze slikte.

‘Het zou toch veel beter zijn als hij constant in het oog werd gehouden? Als hij niet hele dagen en nachten in angst ligt of hij op tijd aan de bel kan trekken?’ Voor het eerst sinds ze de woonkamer ingestapt was, keek ze haar moeder aan. Ze had verwacht haar als een in elkaar gedoken vogeltje op de bank te zien zitten, maar wat ze zag was vuur in haar ogen, en een strakke mond. Ze kende die mond maar al te goed. Als ze vroeger de moed had verzameld om te vragen of ze met een vriendin misschien, alleen als het uitkwam natuurlijk, het hoeft ook niet echt maar ze was gevraagd en dan was het toch wel zo beleefd, dat ze een keer, haar vader brengt ons en de film duurt maar tot, zou ze dan misschien – dan verstrakte het gelaat van haar moeder al, en wist ze dat het vergeefs was. In de loop der jaren had ze geleerd dat niet kijken beter was, dan kon ze heel soms toch – toen ze al lang en breed uit huis was – iets mededelen. En dan snel uit de voeten maken.

‘Je hebt gelijk.’

Haar ogen werden groot. Haar moeder? Zei haar moeder dat nu? ‘Het is ook uitputtend. Als ik nu nog jong in de benen was, vooruit, maar dit is bijna niet meer op te brengen. En je vader wordt daar alleen maar onrustiger van. Ik roep al altijd aan de trap dat ik eraan kom, maar je kent hem hè.’ Beetpakken, nu, met twee handen, dacht ze. ‘Precies, mam, je weet dat het voor jullie beter zou zijn. Wie weet knapt hij zelfs wel wat op als hij minder spanningen heeft.’ Haar moeder knikte, heftig, bijna driftig. ‘Ja ik heb er ook al wel over gedacht, het zou een grote verandering zijn voor ons allemaal, en ik wilde niet degene zijn die… maar nu je zelf ermee komt: we kunnen de opslagkamer uitruimen, dat kan allemaal de zolder op, en ik heb gemeten, er past gewoon een twijfelaar in, met nog net één nachtkastje ernaast, en dan laten we de grote linnenkast staan en daar kunnen dan je spullen zover wel in denk ik.’

Ze knipperde met haar ogen. Er raasde iets door haar maag. Ze kreeg kippenvel op haar schouderbladen en omklemde met haar ene hand heel hard haar andere pols. ‘Uh… nou… nou ik, ik…’ Haar moeders ogen stonden glashard, ze keken haar strak aan. Ze voelde misselijkheid opkomen. ‘Ik… we hebben het er nog over, oké? Misschien zijn we wat voorbarig, ik bedoel, hij heeft gelukkig ook nog veel goede momenten, en ik zou ook niet jullie… jullie dagelijkse ritme helemaal uh…’

‘Goed kind,’ zei haar moeder opgeruimd, ‘wie weet lopen we inderdaad te hard van stapel. Kun je nog boodschappen voor ons doen? En je vader zei dat de lakens erg nat waren, misschien dat de koorts weer opgelaaid is…’ Ze hoestte, schraapte haar keel. ‘Nee natuurlijk, maak maar een lijstje, geen probleem, ik ga meteen even bij hem kijken, zal ik de lakens ineens verschonen?’ Haar moeder knikte, stond op, klopte haar rok af en liep de keuken in.

Wat je ook doet

De twee levens, nee belevingen – naast elkaar, altijd, waar je ook gaat. Het voelen dat je leegloopt, nee hol bent – terwijl de dagelijksheid gewoon doorgaat. Plannen maken, voor volgende week of de week erna, misschien wel langer. Genoeg sigaretten inkopen voor een maand, de kat ja de kat, die je nodig heeft. Lid worden van het een of ander. Dat is toekomst, dat is bestaan en waarom je dat doet, nee moet. En dan de allesverterende verdrangst. Ja verdrangst, omdat je niet kunt uitmaken of het opgebouwd is uit verdriet of angst. Dat je haar, die ondertussen al vijftien is, nog wil zien groeien, dat je parfum koopt waar je een heel jaar mee vooruit kan. Dat je dingen doet voor het nu en het later, sporten, of een inboeldelverzekering afsluiten. Solliciteren, of willen weten hoe het met je moeder gaat, je geliefde gelukkig willen maken, het bestaat allemaal altijd en daarnaast stroomt de rivier der niksigheid. Op de kant bouw je kasteeltjes, hoopjes hoop, zie mij doen wat mensen doen. Maar dan speelt hij op, de rivier, hij slokt niets op, nee je schopt de kasteeltjes er zelf in, je ramt de hoopjes woest over de rand, armen tot aan de ellebogen vuil, geeft nog een trap na in het luchtledige. De mantra van het laatookmaar, het gebed der leegte, de allesomvattende aanwezigheid van het afwezige. Stromend verdwijnen, rot op want. Want. Ik kan het toch niet. Je kijkt om je heen, ziet het niet. Zelfs hij, die amper weet vooruit te gaan, zelfs hij kijkt je verwilderd aan als je zegt, als je zegt dat het kut is. Ja want zo zeg je dat, het is kut, maar ach, ik ga verder.

Je snapt het ook wel, nee weet – dat er pillen voor zijn. Zoals eerder. Zoals dat gaat. Maar wat je kreeg was leegte gevuld met leegte. Dat het je niks kon schelen dat het je niets kon schelen. Of dit het is, en meer van die clichés. Dat dit het is, en meer van die Schrödinger-waarheden: ja dit is het, maar alleen omdat ik er niet meer van maak. Het is de waarheid en tegelijkertijd een leugen. En toch weet je die doos nooit te keren, om te zien wat de andere toestand zou kunnen zijn. Hoe je en waarom je. En dat het er de schijn van heeft dat het voorheen. Ja dat er ooit iets anders was. Maar dat je dat eigenlijk niet meer met zekerheid weet te zeggen. Of het misschien naïviteit was, of toch – maar je hebt je er al bij neergelegd dat het niets uitmaakt. Want nu is nu, en nu duurt al ruim zeven jaar. Je nieuwe nu, zoals je nooit gewild hebt. Het weten, het totale, absolute weten dat het ontbreekt aan ieder spatje lef. Het met een grote boog om het werkelijke leven heen dwalen, doodsbang dat er iets mis zou gaan als je wel. Als je wel. Als je toch eens wel.

En tot die tijd niet. Parasiterend niet in een handvol. Een handvol houvast, dat je vliegensvlug naar de rivier draagt. Omdat dat is wat je wél kunt, omdat dat een van de weinige dingen is die je wél weet. Want wat je ook doet – nee moet, het voedt alleen je vermoeden van onmacht. Almachtige onmacht.

Liever lege handen dan het risico iets kapot te laten vallen.

En daar haatlief je jezelf om. De ultieme omarming van dat waartoe je jezelf hebt gereduceerd. Je recht je rug, de rivier lonkt, op de kant draai je pirouettes. Je balanceert al jaren op de hoop dat je erin valt.

Ik lijk steeds meer op jou

Ik stond bij weer
een rek vol koopjes zoals
ik zo veel te vaak al stond

en tussen het geluid van
de ijzeren hangers over de metalen stang
schraap schraap schraapte het lied dat
ik al duizend maal hoorde
zoals iedereen
zoals niemand

de klassieker waar ik
om smaalde zoals ik om
alles smaalde voor ik wist
dat voelen ook een optie
was
– is

en de radio zong en zong en zong en
de kleerhanger schraapte
en ik mijn keel

want opeens kwam het
dichtbij en voelde ik haat en verdriet en
dingen die ik nooit had gevraagd
maar wel kreeg
en dus al die tijd had
– heb

en ik voelde me verloren
als in nooit gezocht, niet als in
nooit gevonden

ik liep naar buiten met
geen enkel idee
welke kleren ik zojuist door mijn
vingers had laten gaan maar
ik wist wel
glashelder
wat er door mijn vingers was geglipt