Eekhoorn – the sequel

Nou ja zeg! Een tweede eekhoornaanval op mijn vlaggetjes. Ditmaal door een kastanjebruin exemplaar, wat kleiner van stuk maar minstens zo fanatiek. Zij gaat voor een heel andere aanpak: de zogenaamde platvloerse aanval. Nu is het grote verschil dat zij uiteindelijk het podium verlaat met een kleine overwinning. Nou ja… eigenlijk een beetje valsspelen, want het lag er al…. maar toch! De tussenliggende frustratiestrijd is wederom hilarisch om te zien. Ze probeert nog verschillende invalshoeken, maar het levert toch minder op dan ze had gehoopt.

Ik heb nog steeds geen idee waarom ze zo gebrand zijn op die gekke vlaggetjes, maar ik stel me zo voor dat ze aan interieurverfraaiing van hun nest doen, en elkaar de loef af willen steken met hun nieuwste wandbekleding. (Daar zou ik nou graag een foto van hebben!) Ach, ondertussen vermaken ze mij in ieder geval met hun bozig fanatieke capriolen. :)

Squirrel – The sequel from Ravi on Vimeo.

Stout

De eekhoorn die vaak in mijn tuin komt omdat daar allerlei lekkers (voor de koolmeesjes) te halen is, heeft blijkbaar een rothekel aan mijn vlaggetjes… Ofwel is hij er helemaal verliefd op en wil hij ze meenemen naar zijn geheime opslagplaats, zoals hij ook hele netjes vol pinda’s meesleurt. Hij wordt nogal gefrustreerd van het feit dat hij de vlaggetjes niet losgerukt krijgt van de schutting, en dat is best een beetje grappig. Hij heeft de vlaggenlijn al doorgebeten en was eerst druk bezig de andere helft in zijn bek te proppen en ermee weg te rennen, maar helaas: die helft zat ook al vast. Toen probeerde hij deze kant maar, tevergeefs. :)

Wat je ook doet

De twee levens, nee belevingen – naast elkaar, altijd, waar je ook gaat. Het voelen dat je leegloopt, nee hol bent – terwijl de dagelijksheid gewoon doorgaat. Plannen maken, voor volgende week of de week erna, misschien wel langer. Genoeg sigaretten inkopen voor een maand, de kat ja de kat, die je nodig heeft. Lid worden van het een of ander. Dat is toekomst, dat is bestaan en waarom je dat doet, nee moet. En dan de allesverterende verdrangst. Ja verdrangst, omdat je niet kunt uitmaken of het opgebouwd is uit verdriet of angst. Dat je haar, die ondertussen al vijftien is, nog wil zien groeien, dat je parfum koopt waar je een heel jaar mee vooruit kan. Dat je dingen doet voor het nu en het later, sporten, of een inboeldelverzekering afsluiten. Solliciteren, of willen weten hoe het met je moeder gaat, je geliefde gelukkig willen maken, het bestaat allemaal altijd en daarnaast stroomt de rivier der niksigheid. Op de kant bouw je kasteeltjes, hoopjes hoop, zie mij doen wat mensen doen. Maar dan speelt hij op, de rivier, hij slokt niets op, nee je schopt de kasteeltjes er zelf in, je ramt de hoopjes woest over de rand, armen tot aan de ellebogen vuil, geeft nog een trap na in het luchtledige. De mantra van het laatookmaar, het gebed der leegte, de allesomvattende aanwezigheid van het afwezige. Stromend verdwijnen, rot op want. Want. Ik kan het toch niet. Je kijkt om je heen, ziet het niet. Zelfs hij, die amper weet vooruit te gaan, zelfs hij kijkt je verwilderd aan als je zegt, als je zegt dat het kut is. Ja want zo zeg je dat, het is kut, maar ach, ik ga verder.

Je snapt het ook wel, nee weet – dat er pillen voor zijn. Zoals eerder. Zoals dat gaat. Maar wat je kreeg was leegte gevuld met leegte. Dat het je niks kon schelen dat het je niets kon schelen. Of dit het is, en meer van die clichés. Dat dit het is, en meer van die Schrödinger-waarheden: ja dit is het, maar alleen omdat ik er niet meer van maak. Het is de waarheid en tegelijkertijd een leugen. En toch weet je die doos nooit te keren, om te zien wat de andere toestand zou kunnen zijn. Hoe je en waarom je. En dat het er de schijn van heeft dat het voorheen. Ja dat er ooit iets anders was. Maar dat je dat eigenlijk niet meer met zekerheid weet te zeggen. Of het misschien naïviteit was, of toch – maar je hebt je er al bij neergelegd dat het niets uitmaakt. Want nu is nu, en nu duurt al ruim zeven jaar. Je nieuwe nu, zoals je nooit gewild hebt. Het weten, het totale, absolute weten dat het ontbreekt aan ieder spatje lef. Het met een grote boog om het werkelijke leven heen dwalen, doodsbang dat er iets mis zou gaan als je wel. Als je wel. Als je toch eens wel.

En tot die tijd niet. Parasiterend niet in een handvol. Een handvol houvast, dat je vliegensvlug naar de rivier draagt. Omdat dat is wat je wél kunt, omdat dat een van de weinige dingen is die je wél weet. Want wat je ook doet – nee moet, het voedt alleen je vermoeden van onmacht. Almachtige onmacht.

Liever lege handen dan het risico iets kapot te laten vallen.

En daar haatlief je jezelf om. De ultieme omarming van dat waartoe je jezelf hebt gereduceerd. Je recht je rug, de rivier lonkt, op de kant draai je pirouettes. Je balanceert al jaren op de hoop dat je erin valt.

Transgenderkat

{Waarschuwing: grafische foto van een wonde verderop in deze post}

Het begon allemaal onschuldig. Hij gaat zo vaak naar de kattenbak. Maar ja, toen ik hem kreeg was hij alleen maar natvoer gewend, waarschijnlijk was de omschakeling naar brokjes zwaar voor zijn maag en darmen? Weet je wat, zei de dierenarts, ik geef hem wel een antibioticakuur mee tegen blaasontsteking. Mocht het helpen, dan weten we wat het probleem was.

Het hielp. Fijn, en ook een beetje zielig dat hij dan al die tijd met blaasontsteking had gelopen. Maar goed, dacht ik: nu is hij er bijna vanaf, daar gaat het toch om.

Twee weken later was hij weer terug bij af. Om het half uur naar de kattenbak, uur in, uur uit, dag in, dag uit. Ik duwde hem weer in de bench en toog naar de dierenarts. Toch maar een röntgenfoto maken dan. Dat bleek niet overbodig: zijn hele blaas zat propvol gruis en steentjes. Geen wonder dat hij zo vaak de kattenbak opzocht, de druk van ontstekingen en gruis moet hoog geweest zijn. Bij mannetjeskatten is dat zelfs levensgevaarlijk: wanneer de steentjes zijn minuscule urinebuis zouden verstoppen, vloeit binnen een paar dagen alle urine terug de organen in en sterven ze.



Zijn blaas moest dus opengesneden worden, de steentjes verwijderd, een stevige antibioticakuur om alle ontstekingen weg te krijgen, en hij moest voor de rest van zijn leven op een speciaal dieet dat de gruisvorming voorkomt en de zuurtegraad op peil houdt. Prima, verlos hem van het ongemak, zorg dat het niet erger wordt, blij dat zijn nieren en andere organen nog niet aangetast zijn.

En zo geschiedde. Onder narcose, onder het mes, katheter en infuus om de boel door te spoelen en na een dag mocht ik hem ophalen. Hij was blij thuis te zijn, ik was blij hem weer thuis te hebben. De kattenbak werd niet meer zo vaak bezocht, hij was rustiger en opgewekter, logisch. Eind goed, al goed – dacht ik toen nog. Goed, zijn urine bleef bloederig, maar een sterkere antibioticakuur zou de oplossing wel brengen.



Drie weken na de operatie. Zondag. Hij braakt een paar keer. Hij is onrustig en lusteloos tegelijkertijd. Dan begint het: hij staat om de twee stappen stil, verkrampt helemaal, zijn achterpoten trillen, hij lijkt pijn te hebben. Ik kijk het nog even aan, denk ik dan nog. De blaas kan het niet zijn, die is immers leeggehaald. Obstipatie misschien, van de voerwissel?

Maandag. Geen verbetering. Het valt me op dat hij niets gegeten of gedronken heeft zover ik weet. Dus ook zijn antibioticum krijgt hij niet meer binnen. Het verkrampen is onderhand het enige dat hij nog doet. Ik maak zijn voorpoten nat, dan moet hij wel water oplikken. Dat doet hij. En braakt weer. Veel te veel vocht, gezien hoe weinig hij in zich zou moeten hebben. Toch maar de dierenarts bellen. Ik zeg dat ik bijna zeker weet dat hij niet geplast heeft afgelopen 24 uur. Meteen brengen, luidt het oordeel.

Ik schuif hem weer in de bench, vlieg naar de dierenarts. Ze voelt en zegt dat zijn blaas veel te groot is. Onder narcose, katheter en infuus om de boel door te spoelen en weer foto’s maken. Ze staan verbaasd naar de afbeeldingen te kijken. Steentjes, nu alweer, zo snel na de operatie, in zijn blaas. En dit keer niet alleen daar: zijn hele urinebuis zit verstopt, van zijn blaas tot het puntje van zijn penis. Hij kan niets meer, arm mannetje. De dierenarts zegt dat ze gaan kijken of ze het kunnen schoonspoelen, ‘s middags zal ik gebeld worden.



De telefoon gaat. Ik luister, en sta paf.
De katheter was amper naar binnen te krijgen, het zat te verstopt, schurend en wringend kregen ze hem een eindje erin. De dierenarts heeft contact opgenomen met een specialist, vertelt ze me. Ze hebben overlegd, en er is eigenlijk maar één goede oplossing. Een penisamputatie. Een wát? Ja, het volledig verwijderen van de penis, waardoor hij een ‘vrouwtjesuitgang’ zal krijgen. De urinebuis bij vrouwtjes is niet zo smal als bij mannetjes, grof gezegd halen ze het smalste stuk weg, met het vooruitzicht dat hij dan de kleine steentjes die hij toch steeds weer aanmaakt zonder problemen kan uitplassen.

Ik vind het nogal wat. Hij zal ervoor naar Hasselt moeten. Ik overleg me suf, vraag alles wat ik kan bedenken: hoe groot is de kans dat hij daarna voor altijd pijn- en verstoppingsvrij zal zijn, hoe zit het met die steentjesaanmaak, wat houdt het precies in, zo’n amputatie en reconstructie, hoe pijnlijk is het daarna voor hem, en voor hoe lang, de lijst is oneindig. Ik maak een afspraak in Hasselt, daar zullen ze al mijn vragen kunnen beantwoorden. Ondertussen mag ik hem voor de nacht mee naar huis nemen. ‘Haal hem maar even zelf, hij is erg agressief tegen ons, logisch’. Zijn katheter zit er nog in ‘met twee steekjes aan zijn voorhuid vastgehecht’, want anders raakt hij weer verstopt. Hij zal de hele nacht bloederige urine lekken. Ondanks de hechtingen, de katheter, de infuusnaald in zijn voorpoot, de polonaise aan zijn lijfje, de uitputting, is hij thuis blij en lief, levendig. Logisch, hij kan zijn blaas weer legen.



De ochtend erna kan hij al terecht. Op naar België dus, hij op de achterbank in de bench, op een miauwtje na de rust zelve, ik ontzettend onrustig en zenuwachtig voorin. Het is nogal een beslissing die je neemt voor zo’n beestje. De arts legt alles rustig uit. De amputatie heeft heel goede resultaten, in principe werkt het altijd, tenzij de stenen in de nieren worden aangemaakt, dan ga je een lange lijdensweg tegemoet. Tot nu toe zijn op alle foto’s schone nieren te zien, dus waarschijnlijk zal hij die dans ontspringen. De steentjes zullen ook nog in een lab geanalyseerd worden, om te zien of het juiste voer gegeven wordt. Hij zal wel zeer, zéér strikt aan het dieet moeten blijven. Zodra hij ook maar iets anders eet, verandert de zuurtegraad van zijn urine direct, en maakt hij weer nieuwe ontstekingen en dus gruis aan. Ik weet dat ik hem strikt op dieet kan houden, ik weet ook dat zoals het nu gaat, niet houdbaar is. Oef. Doe maar dan. Arm kereltje.

Voor de derde keer gaat hij onder narcose binnen een maand. Ik duim door de dag heen dat hij weer gewoon wakker wordt. Ik probeer me een voorstelling te maken van wat ze doen, hoe het eruit gaat zien. Het blijft abstract in mijn hoofd. Om zes uur ‘s avonds bellen ze: de operatie is geslaagd, hij werd maar niet wakker dus hebben ze een tegenspuitje moeten geven. Toen wilde hij gelukkig wel ontwaken.

Hij moet drie dagen in de dierenkliniek blijven. Zien of hij eet, zien of hij plast – dat doet namelijk pijn zo langs die verse wond, maar zal toch moeten om te kunnen concluderen dat hij niet meer verstopt is. Ik stel me voor hoe dat moet voelen, krimp ineen. Hij krijgt pijnstillers, ontstekingremmers en nog meer antibiotica. Ik slaap slecht deze dagen: het idee dat hij zó lang in een stomme kooi in de kliniek zit vind ik bijna onoverkomelijk, ook al snap ik dat het nodig is. Ik tel de uren af tot hij weer naar huis mag, lekker in zijn eigen omgeving rondzwalken, op zijn eigen krabpalen en dekentjes ploffen, gewoon weten dat hij niet verlaten is maar weer naar zijn eigen huis terug mag. Met wat wringen wordt het dan toch eindelijk vrijdagavond. Hij! Mag! Naar! Huis!

De komende tien dagen moet hij een kap op, een vrij grote, omdat katten nu eenmaal flexibel zijn, en hij onder geen beding zijn wond mag likken. Pijnstillers en antibiotica moeten dagelijks worden toegediend. Na tien dagen mogen de hechtingen eruit en de kap eraf. Duidelijke instructies, mag ik hem nu dan eindelijk zien? Hij wordt gehaald.

Een klein gedesoriënteerd hoopje zwart en wit. Grote ogen, paniek, onrust. De rit van drie kwartier is lang, maar als ik mijn hand in de bench steek duwt hij zijn kopje met alle macht tegen mijn vingers. Het komt allemaal goed. Is die mantra voor hem of meer voor mezelf?



Thuis loopt hij overal tegenaan met die kap om zijn koppie. Hij snapt er niks van, maar is toch blij thuis te zijn. Hij kukelt bijna van trappen, botst, zit klem, staat verdwaasd stil te wachten tot hij miraculeus verder kan. Ik dirigeer zijn kopje wat omhoog, naar links of naar rechts, langzaam krijgt hij door hoe hij moet bewegen om vooruit te kunnen. Het gaat nog moeilijk, maar het gaat. Hij weet zelfs in de kattenbak te geraken, op de krabpaal, op de bank. Zijn wond is best heftig. Gecombineerd met al het gedroogde bloed in zijn vacht en de kap rond zijn nek is het een deerniswekkend beeld. De komende dagen zal ik zijn vacht regelmatig kammen, want zelf kan hij alleen het puntje van zijn staart poetsen.



Ondanks alle pijn, ongemak en onbegrip ligt hij toch eindelijk weer naast me te spinnen op de bank. (En dat klinkt nu loeihard, omdat zijn kap als luidspreker fungeert. :)) Zet ‘m op Dakota, you can do it. De dierenarts mag je dan als ‘ze’ en ‘zij’ aanspreken, ik blijf je stug mijn mannetje noemen, ook al ben je nu een soort transgenderkat.


Ik lijk steeds meer op jou

Ik stond bij weer
een rek vol koopjes zoals
ik zo veel te vaak al stond

en tussen het geluid van
de ijzeren hangers over de metalen stang
schraap schraap schraapte het lied dat
ik al duizend maal hoorde
zoals iedereen
zoals niemand

de klassieker waar ik
om smaalde zoals ik om
alles smaalde voor ik wist
dat voelen ook een optie
was
- is

en de radio zong en zong en zong en
de kleerhanger schraapte
en ik mijn keel

want opeens kwam het
dichtbij en voelde ik haat en verdriet en
dingen die ik nooit had gevraagd
maar wel kreeg
en dus al die tijd had
- heb

en ik voelde me verloren
als in nooit gezocht, niet als in
nooit gevonden

ik liep naar buiten met
geen enkel idee
welke kleren ik zojuist door mijn
vingers had laten gaan maar
ik wist wel
glashelder
wat er door mijn vingers was geglipt

Levenslessen tussen de tweedehands meuk

Ze blaft. Om de paar seconden, alsof ze een klein agressief hondje is. Wrrraff! Maar dat is ze niet. Ze is een vrouw, achterin de twintig, met armen en benen en overgewicht. Wrrraff! Met een roze tas en een begeleider. Met een neonroze elastiekje in haar haar, en meer enthousiasme dan wij allemaal tezamen. Wrrraff!

Ze is blij, uitgelaten. Wrrraff! Dat ze hier op de rommelmarkt is. Ze is zich bewust van haar tic, blaft keihard door de holle hal heen, Wrrraff! – grijpt dan de arm van een willekeurige vrouw die tegen haar praat en zegt met monotone, nasale stem ‘sorry mevrouw, sorry mevrouw’. Wrrraff! Moet dan toch weer blaffen, herhaalt haar ritueel nog maar eens.

(Om een idee te geven, zo klonk het ongeveer:)

Iedereen kijkt op, kijkt om, zoekt waar het geluid vandaan komt. Een tijdje zijn haar en mijn tempo langs de uitgestalde waren ongeveer gelijk. Ik kan de reacties van iedereen horen en zien. De standaard reactie: opkijken, de bron van de Wrrraff! zoeken, dan snel weer omlaag kijken en doen alsof er niets raars is. Vooral de mannen en jongere generaties reageren zo. Kinderen staren, giebelen. De dames op leeftijd lijken vooral compassie te hebben. Ze zoeken contact, of glimlachen, of kletsen tegen haar aan alsof ze helemaal niet om de paar seconden blaft.

Ze loopt net weg van een kraampje waar ze met zo’n dame op leeftijd stond te praten. Sorry mevrouw, sorry mevrouw. Wanneer ze met haar begeleider wegsjokt, zegt ze, met haar typische monotone, te harde stem ‘Wat is die lief hè. Iedereen is hier lief hè.’ Haar begeleider beaamt het glimlachend, zegt dat alle mensen hier lief zijn.

De dame op leeftijd draait zich ondertussen om, naar een man op leeftijd, dikke bierbuik – die hier rondloopt alsof het zijn huiskamer is, overduidelijk een vaste verkoper. Ze ginnegappen wat, de vrouw zegt in het lokaal dialect ‘dat ze die gerust alleen thuis kunnen laten, die houdt de inbrekers wel weg!’ de man lacht zijn bierbuik in drie verschillende standen en ze gaan weer verder met hun dag.

Het ontroert me, gek genoeg, dat de blaffende dame iedereen hier zo lief vindt. Zal ze vaak uitgescholden worden? Misschien zelfs weggejaagd? Dat zij het gevoel heeft hier gewoon als mens behandeld te worden, te mogen zijn wie ze is, dat men hartelijk doet ook al blaft ze snoeihard door de hallen heen – dat vind ik mooi. Dat achter haar rug om wordt gekletst, vind ik eerst ronduit lullig. Er komt een boos gevoel in me op. Maar als ik er verder over na denk, begin ik het anders te zien.

Ja, ze valt op, de blaffende vrouw. En ja, er is overduidelijk het een en ander aan de hand met haar brein. Ze klinkt ietwat minderbegaafd, of dat door medicijnen komt of doordat ze echt zo is, kan ik niet beoordelen. Ze praat te hard, kleed zich te kinderlijk, blaft compulsief non-stop. Ik ben een uur of twee, drie op de rommelmarkt en al die tijd hoor je haar blaf, nu eens ver weg, dan weer dichtbij. Ze valt op, of ze daar nu voor kiest of niet. Dat die vrouw op leeftijd dit gewoon benoemt, door er luchtig mee om te gaan, is misschien nog wel beter dan de mensen die naar hun tenen staren en doen alsof het niet bestaat.

De oude vrouw accepteert haar eigenlijk gewoon zoals ze is, welbeschouwd. Waar ik eerst dacht dat ze haar belachelijk maakte achter de rug om, concludeer ik nu dat ze eigenlijk de beladenheid van de situatie ontkracht. Gewoon, door een grapje te maken, in plaats van te doen alsof er niets aan de hand is. Met een soort mensenliefde het publiek om haar heen tot de orde roepen. Ze zegt min of meer ‘ja, ik heb het heus wel opgemerkt, je hoeft me niet zo veelbetekenend aan te kijken. En nee, ik vind haar daarom niet minder mens. Iedereen heeft wel wat, wat maakt het uit. Ik had een fijn praatje met haar, punt uit. En nu hup, tijd voor koffie.’

Ik vraag me meteen af of ik misschien te omzichtig ermee omga. In gedachten speur ik de opties af, Tourette, PDD-NOS, een variant van Stereotype bewegingsstoornis? Wil ik daarmee niet juist classificeren wat er ‘mis’ met haar is? Voor mij voelt het als een verklaring, maar misschien is het ook een manier om het ‘vreemde’ te isoleren van de persoon, zodat je in staat bent de persoon zelf nog te zien. Terwijl de oudere dame haar juist als geheel, als compleet pakket kan accepteren. Ongeacht de reden, ongeacht of er een label opgeplakt kan worden, de oudere vrouw neemt de blaffende dame zoals ze voor haar staat, en zo is het goed.

Afsnoepen

Of maar negen tenen hebben, dacht ze. Dat zou ook minder erg zijn, dacht ze. Negen vingers zelfs, dat zou ze niet erg vinden. Een wijnvlek in het gezicht, ook geen probleem. Ze dacht aan haar ex, met zijn rode wang. Het stond hem zelfs goed. Gek, dacht ze, ik schaam me voor het schamen. En terecht, dacht ze. En toch kon ze er niets aan doen.

Kijk naar zijn innerlijk, vermaande ze zichzelf. Wat een cliché, dacht ze. Maar wat je nu doet is net zo clichématig, sprak ze zichzelf weer toe. In gedachten natuurlijk. Ze glimlachte naar hem, knikte. Hij sprong met zijn kleine compacte lijf van de rand en met een zware plons lag hij weer in het water.

Ze probeerde zich haar zoontje voor te stellen met maar negen vingers. Ze probeerde zich haar zoontje voor te stellen met een geboortevlek op zijn kaak. Ze probeerde zichzelf te haten, in plaats van hem. Ze probeerde ongeïnteresseerd te zijn. Wat maakt het uit ten slotte?

Alles. Alles maakte het uit. Ze kon het niet helpen. Ze voelde schaamte. Niet plaatsvervangend, niet zoals men schaamte voelt als iemand iets doet waardoor je in elkaar krimpt en voelt hoe het zou zijn als jij het zou zijn geweest die daar stond, nee, ze schaamde zich puur voor het feit dat ze met hem samen werd gezien. Ze wilde het niet voelen, ze wilde niet zo oppervlakkig zijn, ze wilde niet dat haar liefde bezoedeld werd door zo’n onzinnig iets, maar het gebeurde.

Ja, hij was dik. En nee, dat lag niet aan wat zij hem te eten gaf. Het had ook geen medische grondslag. Het was gewoon zoals het was. Waar ze thuis allemaal slank bleven, werd hij van hetzelfde voedsel dik. Ze lette op hem, of hij stiekem ergens bijsnoepte, maar dat was niet zo. Ze gaf hem iets minder van alles, maar wilde ook geen ongelukkig, overbewust kind van hem maken. Het zou nog wel rechttrekken als hij eenmaal in de puberteit kwam.

Maar hier zat ze dan. Op de witte kunststof stoel waar haar handdoek overheen gedrapeerd lag. Hier zat ze dan, naar haar zoon te kijken waar ze van walgde. Fysieke afkeer voor voelde. Zich te schamen om het schamen. Zich te vermanen. Maar ze kon het niet ontkennen.

Zou ze hem schaden? Zou een kind aanvoelen dat er iets niet klopte in de liefdesstroom? Ze vond hem hilarisch, een heerlijk kind, knuffelde hem veel, deed alles voor hem en had hem graag in haar buurt. Ze hield van hem, van top tot teen. Tenzij hij naakt was. Hoe hij daar rondliep in zijn zwembroekje. Zijn buik lillend bij iedere stap. En zo’n typische kont die alle dikke mensen hebben. Iets afgeplat, iets hangend.

Hij is toch pas elf, zei iedereen. Hij groeit er nog wel uit, let maar op, zei iedereen. Voor je het weet steekt hij een kop boven je uit en is hij een tienerslungel. Geniet er maar van zolang het nog kan, die kinderlijke onschuld. Maar ze kon het niet. Ze wilde dat hij zijn hele leven dik kon zijn, en dat haar dat helemaal niets kon schelen. Omdat hij het was. Maar ze kon het niet.

Ik ben een slecht mens, dacht ze. Daar moet ik het mee doen. Hopen dat het hem geen kwaad zal doen. Hopen dat alle andere facetten van hun moeder-zoon verhouding die wel helemaal tiptop waren, dit ene ding zouden uitbalanceren. Ze wist niet waar het vandaan kwam. Ze dacht er vaak over na. Tevergeefs.

Hij kwam op haar af gewaggeld en hield een plastic bal in zijn handen. Ga je mee spelen? zou hij zo vragen. Jazeker, zou zij zeggen. Ze zou voor hem uit lopen, in het water duiken, de bal vangen en weer gooien. Ze zouden elkaar nat spetteren. Hij zou giebelen, zij zou kietelen. Daarna zou ze zijn rug droogschuren met de handdoek, zijn haar fatsoeneren. Ze zou hem achterna roepen dat hij zijn zwemtas vergat. Ze zouden rozig in de auto stappen.

Ze keek naar zijn hand waar de bal nu in lag, en stelde zich voor dat daar maar vier vingers aan zouden zitten.

Mama, kom je mee met de bal gooien?

Jazeker. Ze stond op en liep al voor hem uit.

Communeecatie

“Nou, omdat mijn paspoort in het buitenland is uitgegeven, staat mijn BSN er niet op.”

“Hoe bedoelt u staat er niet op?”

“Nou ja, eh, dat hij er dus niet op staat.”

“…?”

“Ehm, dat hij niet is ingevuld, dus er niet op staat, omdat hij via het consulaat is uitgegeven..?”

-

“Je ‘harde poef/bijzettafeltje’ dat online te koop staat, is die hard of heeft hij vulling bovenop en kun je er je voeten op leggen?”

“T is wel hard, maar zacht waar je ze legt! Stof is zacht en t is niet keihard.”

-

“Is dat alles wat u hebt?” *kijkt naar mandje*

*kijkt naar mandje* “Ja!”

“Nou ga dan maar even voor hoor.”

“Dankuwel!”

“Ja als dat alles is wat je hebt…”

“Ja, heel aardig van u hoor!”

“Ja, ik bedoel, je hebt maar alleen dit toch, dus!”

“Ja, haha… bedankt hè…”

“Ja, als je maar zo weinig hebt, toch?”

“…” *glimlacht nog maar eens*

-

“Heb je verder nog gegevens nodig voor DHL? Mijn naam, adres of email misschien?”

“Nee hoor, komt helemaal in orde zo.”

“Prima!”

“Hoi, nou ik wilde dus het pakje posten voor je maar nu blijkt dat ik je achternaam en adres nodig heb, en je email.”

-

“Ik heb een uittreksel uit de Gemeentelijke Basisadministratie nodig waar mijn BSN op staat.”

“Waarom dàt dan?”

“Omdat dat op mijn paspoort niet ingevuld is, omdat hij in het buitenland is uitgegeven.”

“Waarom dàt dan niet?”

“Ehm, nou omdat hij dus in het buitenland via het consulaat is uitgegeven…”

“Ja… jaja… nou ik kan ‘t er wel bij opschrijven hoor, op het uittreksel, ofzo…”

-

Molto

Ze droeg haar venijnige lippen vandaag, de donkerrode vetlaag glom als een puist onder haar neus. “Kom je?” Ze zei het alsof het een vraag was, maar hij wist wel beter.

“Jaja, ik kom eraan.” Hij keek om zich heen, de kamer was zo goed als leeg. In de hoek nog de groene stoel, en op de schouw lagen zijn schelpen. ‘Uit een vorig leven’ noemde zij alles wat niet aan haar smaak voldeed en waarde voor hem had. “Weg ermee, ik heb toch ook geen oude liefdesbrieven aan de muur hangen?” Hij wist dat haar vergelijking mank liep, maar kon toch de woorden niet vinden om van haar enige verantwoording te eisen. Dus de schelpen waren ook exit. Net als zijn cactussen, zijn stripboeken, zijn beddengoed, zijn servies, zijn polo-shirts en zijn persoonlijkheid.

Hij liet het toe. Niet omdat hij zoveel om haar gaf. Wel omdat zijn leven tot nu toe een grote teleurstelling was geweest. De weinige fijne momenten lagen stevig ingebed in jaren van eenzaamheid, niksigheid en het gevoel constant alles wat er werkelijk toe deed mis te lopen. Kort gezegd had hij niks te verliezen, en veel te winnen. Dus liet hij zichzelf achter, iedere dag een beetje meer. Hij voelde zich niet eens een kameleon, maar een stuk klei. Een stuk zompige, vormeloze klei die door deze wandelende standvastigheid in skinny jeans gevormd moest gaan worden tot… tot wat precies? Tot iemand die leuk gevonden wordt, eigenlijk. Niet om samen met haar oud te worden, maar als onderdeel van het grote plan dat hij in gedachten Het Echte Leven noemde.

Hij was nu vijf maanden met haar samen en kreeg iedere dag meer het gevoel dat ook zij Het Echte Leven niet was, niet eens kende. Maar dat maakte hem niks uit: hij was het hoofdonderwerp van zijn eigen onderzoek en bekeek zichzelf van een afstand. Polo-shirts zijn blijkbaar niet geil. Blauw servies is blijkbaar niet hip. Cactussen zijn blijkbaar niet gezellig. Hij sloeg alles op, vinkte ieder aspect van zijn leven af, zorgde ervoor dat hij ál zijn mogelijke stemmingen, denkbeelden en overtuigingen langs haar meetlat kon leggen, zodat zij evenzoveel meningen en gedragingen van hem kon omvormen tot wat losse, leuke, fijne mensen blijkbaar ‘vonden kunnen’.

Wanneer zijn project afgerond was, zou hij zijn autosleutels pakken, zijn koffer vullen met sociaal geaccepteerde kleding en naar de horizon rijden. Ergens opnieuw beginnen, als iemand die wél weet waarom sushi hip is en kibbeling niet. Waarom drinken gezellig is en koffie cultureel verantwoord. Waarom je niet met een tas van C&A mag rondlopen. Wat uitdagende gespreksonderwerpen zijn en wanneer het gewenst is grapjes te maken. Hij zal een kroeg binnenstappen en zomaar een mooie meid aanspreken. Hij zal al zijn experimentele bevindingen in één keer aan de praktijk toetsen.

Als de vrouw in kwestie om zijn vinger te winden is, zal hij zich vastklampen aan dit nieuwe leven, Ben & Jerry’s recht uit de pot eten en cynische opmerkingen maken en edgy foto’s op zijn Facebook plaatsen en dansen op ieder feest, net zo lang tot die verdomde eenzaamheid plaats zal maken voor het gevoel gezien te worden, te bestaan, erbij te horen en daar te zijn waar het allemaal gebeurt.

Tot die tijd stelt hij zichzelf iedere ochtend tijdens het tandenpoetsen dezelfde vraag, om te zien of hij er al klaar voor is.

“Kom je?”

Intern betweterig ettertje

Ik liep langs een appartementencomplex en zag een jongeman in zijn shirt de haldeur beneden openen en zijn herdershond naar buiten laten. De overenthousiaste hond mocht bij de strip gemeentestruikjes zijn poot optillen en werd veelvuldig vanuit de half geopende deur teruggeroepen zodra hij een stap zette om ergens aan te snuffelen. Ik liep verder en zag om de hoek een perkament oud vrouwtje in haar scootmobiel richting grasveld tuffen, haar kleine witte hondje vrolijk naast haar dartelend in de struiken. Ze stopte overal waar hij wilde snuffelen.

Ik had zin om de jongeman aan zijn nekvel de hoek om te sleuren, hem op de dame te wijzen, dat zij zich ingepakt moest hebben, in haar scoutmobiel gehesen, de lift in, de hal door, naar buiten, alles om haar vierpotertje te laten ravotten in de natuur. En of hij misschien eens moest overdenken of hij wel een hond wilde hebben.

Maar ik deed het niet. Niet alleen omdat de jongeman misschien wel iedere dag 3 uur met zijn hond gaat wandelen maar nu even haast had omdat hij moest werken of iets dergelijks, maar ook omdat ik de laatste tijd vaak aanvaringen heb gehad met vreemden. Bijna allemaal virtueel, maar toch.

Het is niks voor mij, ruziën met mensen die ik niet ken. Toch is het de afgelopen paar maanden een keer of 4 voorgekomen. Ik ben natuurlijk in eerste instantie geneigd de mensen in kwestie de schuld te geven. Dat zij fout zaten, dat ik nog heel correct en netjes ben gebleven, dat ik gewoon pech heb met wie ik tref. Maar na wat langer nadenken vrees ik dat het toch iets in mij moet zijn. Ben ik om kleinere dingen op mijn tenen getrapt? Overschat ik mezelf? Heb ik een korter lontje dan voorheen? De kans dat er opeens een handvol mensen zijn die mij onheus bejegenen vind ik toch klein.

Dan kan ik daar weer tegenover zetten dat de mensen met wie ik aanvaringen had, allemaal uit een bepaalde hoek komen, een hoek waar ik me vroeger niet in bevond. Dat die mensen zich allemaal groter, slimmer en machtiger willen voordoen dan ze zijn. Maar dan vervolg ik mijn intern twistgesprek weer met het tegenargument dat ik dan dus blijkbaar totaal niets langs me heen kan laten gaan. Dat wanneer ik – zover ik objectief kan beoordelen – oprecht ten onrechte kritiek krijg, ik dus klaarblijkelijk te self-righteous ben om wijs mijn mond te houden. Ik ga erop in, moet koste wat kost analyseren en mezelf vrijpleiten om dat gevoel van onrecht te doen verdwijnen. Wat natuurlijk nooit een goed einde heeft, en alleen op ruzie uitdraait. Wat ik dan weer weet, waardoor ik ofwel alle contact blokkeer direct na mijn ‘rectificatie’, ofwel mezelf verbijt en vervolgens constant met wrok zit en geen enkele intentie meer heb om me in te zetten voor die persoon.

Dan vraag ik me natuurlijk af waar dat door komt. Ben ik in de vijf jaar dat ik in België woonde gewend geraakt aan het feit dat niemand kritiek uitspreekt? En loop ik nu in Nederland daar dan keihard tegenaan? Dat ik het niet meer kan hebben? Of is het juist zo dat ik in België vijf jaar over me heen heb laten lopen, door mijn angststoornis niets durfde, en nu terug in Nederland al die frustratie meeneem in iedere nieuwe oneerlijke situatie? Of is het misschien zo dat ik blijkbaar erg gestrest ben en dus een springveer blijk, die bij het minste of geringste meteen tegen het plafond zit?

Ik weet het niet. Wat ik wel weet, is dat ik het een vervelend gevoel vind. Ik zag mezelf nooit als iemand die betweterig was, als iemand die geldingsdrang heeft, als iemand die bovenop alles en iedereen zit. Waar het vandaan komt weet ik niet, hoe het in elkaar steekt weet ik niet, en of het nu aan mij ligt of echt stom toeval is weet ik ook niet. Maar dat ik hier geen hobby van wil maken, dat weet ik wel. En toch, gisteren was er weer zo’n geval. Iemand die echt, oprecht fout zat. (De persoon beweerde o.a. dat het ‘wordt je’ moest zijn in plaats van ‘word je’, in een tekst van mij.) En ook al neem ik me voor niet meteen erop te springen, toch zie ik mezelf een onderkoelde mail sturen waarin ik het niet kan laten hem erop te wijzen. Erger nog: ik merk dat ik echt boos word om zijn onterechte rectificatie. Ik zou me er niets van aan moeten trekken, het niet zo ‘diep’ moeten laten komen, maar ik kan het niet voorkomen.

En dan baal ik daar dus weer van. Wanneer ik de mail stuur voelt het lekker, zo tussen de verontwaardiging door je ‘beter kunnen voelen’ dan die ander. Maar achteraf denk ik: waarom nou weer? Die kerel in kwestie betekent niks voor je, het was je meteen al duidelijk dat hij zichzelf heel wat vindt dus waarom neem je het zo persoonlijk op en waarom, waarom, waarom laat je het niet gewoon rusten? Stuur niks meer terug, laat het waaien, relax. Don’t let it get to you.

Maar er zit blijkbaar in mij een kleine, verongelijkte kleuter die bij iedere mogelijkheid om stennis te schoppen meteen erop springt.

Daar ben ik dan mooi klaar mee.

Ik ga maar weer eens aan wat zelfonderzoek doen, wroeten in the miracle that is me. En hopelijk kan ik dat betweterige ettertje in mezelf dan uitbannen.