Schrap

Ik werd op een vlot gezet met een mij onbekende vrouw. Nou ja vlot, het was een plastic stuk golfplaat. We dreven op iets wat het meest weghad van een stadskanaal, maar dan met de meandering van een rivier. Op de kades zaten en stonden hordes mensen naar ons te kijken. Er dreven her en der nóg enkele golfplaten met mensen erop.

Een vlot met een man erop, dreef door de stroming richting iets wat op bruine waterplanten leek. De vrouw op mijn vlot zei ‘Ohhh, die ken ik al: dat zijn egels. Die zijn niet zo erg.’ En inderdaad, toen het vlot tegen de bruine dingen stootte, ontrolden tientallen boze egels zich, die ruw de huid van de man openschuurden.

Wij dreven verder, recht op een enorm wit gevaarte af. Het leek opgebouwd uit allemaal katoenen bollen met zwarte stippen erin. Mijn vlotgenoot begon te gillen:’Neeeeee! Dat zijn vleesetende spinnen!’

We botsten tegen de witte bollen en die vielen allemaal over ons heen. Meteen voelde ik ontelbare steken overal op mijn lijf. Ik beschermde mijn gezicht met m’n handen maar voelde mezelf supersnel verzwakken. Ik besloot te kijken: het bleken geen spinnen maar bloedzuigende reuzenmieren met enorme kaken. Ze waren zo groot als mijn hand en elk exemplaar dat zich volzoog met mijn bloed zwol op tot voetbalgrootte. Ik trapte er af en toe eentje weg maar ik wist al dat we dood zouden gaan. Het publiek joelde.

Opeens kwam Fenna (een van mijn honden) aanrennen, ze sprong op het vlot, bovenop mijn benen. Ze bleef – naar mij opkijkend – doodstil liggen. Ik aaide haar en vroeg me af of ze nu bij me kwam omdat ze voelde dat ik pijn had. Ik dacht ‘Ik moet haar van het vlot zetten anders bijten de mieren háár ook.’ Toen ik haar optilde en op haar vier poten zette, zag ik het pas: ze was gruwelijk dun en haar buik was van ribben tot staart helemaal open gesneden. Ik wist dat zij ook dood zou gaan en besloot haar in m’n armen te nemen. Toen schrok ik wakker.

.

Ik wil mijn huis verkopen en verhuizen, en misschien van baan wisselen. Afgelopen week was ik met beide zaken druk bezig. Zoals altijd wanneer er veranderingen op komst zijn, droom ik rotdromen vol dood en verderf. Mijn wakende ik houdt het hoofd koel, maar mijn slapende ik verwerkt alle emotie op pikzwarte wijze tijdens de nachtelijke uren.

Kortom: voorlopig zet ik mij schrap en vind ik mijn onderbewustzijn maar stom. (En ik houd niet eens van horrorfilms, dom wicht.)

Praatblog 4

Een op de vloer zittend praatje ditmaal. Over patstellingen en je beenhaar masochistisch uittrekken. Blijkbaar.

Bonus: een door het beeld wandelende kattenstaart van Dakota.

Meer dan je had

Het is niets. Er is niets. Je loopt en het licht hangt laag vandaag, de zon in je achteruitkijkspiegel en de plastic kroonluchters in de hal van het tweederangs hotel en je ziel ging mee, halfstok richting donker. Daar waar de hond nachtelijk blaft, nacht na nacht op het verlaten erf, daar ben je thuis om de hoek van zijn canine klaagzang. Het is niets. Er is niets. Je zei het, omdat je het meende. Je vluchtte, dat weet je wel. Waar de zee in je oren klotst, tot je kaken zoemen van zilte spijt, waar je voeten diep moeten ploegen want de wind staat altijd tegen, zoals dit leven je tegenstaat – je zet je schrap en blijft gaan, gáán alsof er niets te verbijten valt behalve zandkorrels tussen je tanden. Het is niets, er is niets.

Nu jij hier bent, en zij daar, nu kun je het pas willen. Meer dan je had, meer dan er was, meer dan ze je gaf. Want geven staat niet gelijk aan krijgen, al duurde het lang voor je dat doorhad. Ze is gewapend, een krijger in de puurste zin van het woord. Je kunt er niet door, niet omheen. Je mag naast haar leven maar niet met haar, je mag in haar maar niet bij haar, ze laat je voelen dat dichtbij met zevenmijlslaarzen nog niet overbrugbaar is. Het is niets, er is niets, het leek niets toen je daar was maar nu je hier voor de golven staat (buiten adem en met spierpijn) nu je meedeint op het ritme, nu kun je het pas voelen. Haar dichtbij is niet jouw dichtbij en haar alles is jouw niets, haar laten jouw doen, haar hart in de keel jouw ziel onder de arm.

Het is niets.
Er is niets.

En wat er wel is, heb je zelf verzonnen.

Dameslijkje

Ze staat aan het raam op zolder. Het gordijn ruikt wat muf. Beneden loopt de buurvrouw in haar tuin te redderen. Van bovenaf gezien lijkt ze een strooien zonnehoed met armen. ‘Een Mexicaan op een fiets’. Ze moet er opeens aan denken, het was een of ander visueel grapje van vroeger, uit haar tienertijd. Ze tekenden een cirkeltje met een kleiner rondje erin, en twee streepjes aan weerszijden. Ze weet de clou niet meer, maar gokt dat het iets met stereotypen te maken had. De buurvrouw bukt, plukt, onkruid waarschijnlijk. Ze is er druk mee. Ondertussen staat zijzelf al hoe lang – tien minuten? Twintig? (Een half jaar? Haar hele leven?) voor het zolderraam. Denken kost tijd.

Het lijkt haar zo mooi om ooit haar leven zó ingericht te hebben dat ze haar verjaardag niet meer hoeft te vieren. Maar echt jaren niet. Net zo lang, tot ze oprecht zelf niet meer weet hoe oud ze is. Daar fantaseert ze soms over: je eigen leeftijd écht niet meer weten. Dat lijkt haar zo bevrijdend. Gewoon leven, maand na maand, zonder een soort duimstok in je achterhoofd te hebben. Zou je dan anders leven? Van de kleine dingen – of zo’n kapsel wel kan op die leeftijd – tot nooit meer hoeven leven naar bepaalde interne of door de maatschappij opgelegde streefdoelen. Vóór leeftijd zus moet ik dingetje zo bereikt hebben. Dat. Maar goed. Voorlopig zit het er niet in. Misschien kun je pas leeftijdloos leven als je beide ouders overleden zijn en je kinderloos bent. Of kinderen in een ver buitenland hebt zitten die niet al te attent zijn. Dan zou het vanzelf erin sluipen, zonder dat je bewust moet aankondigen dat je je verjaardag niet meer wil vieren. (Dan denken mensen toch altijd maar dat het iets te maken heeft met niet oud willen worden, de angst voor de dood, of valse bescheidenheid.)

Er hangt een spinnenlijk in de hoek van het raam. Ze blaast er zachtjes tegen, het vederlichte karkasje wiebelt een beetje. Denk je toch eens in dat je hangend in de lucht zou sterven, en dan maanden, misschien wel jaren aan wat stofdraadjes kunt blijven wiegen. Ze stelt zich voor hoe dat bij mensen uit zou zien. Gemummificeerde, mooi ingedroogde lichamen, perkamenten huid om broze botten, die dan ergens tussen een lantaarnpaal en een heg wiegen in de avondbries. Of tussen het stuur en het dak van een verroeste vrachtwagen. Of dat je een huis koopt, en op zolder in een hoekje nog een héél oud dameslijkje vindt. En dat dan heel voorzichtig, om het niet te laten verpulveren, optillen en naar buiten dragen om het daar van je hand te blazen. Met een zacht ‘nou, dahag’ als afscheid.

De kerkklok slaat vijf uur. Ze aait met een hand over het door de zon afgebleekte gordijn. Vettig en stoffig tegelijk. Ze strijkt met haar vingers langs haar spijkerbroek, opwaarts, neerwaarts. In gedachten hoort ze haar man ‘viezerik’ grinniken. Ze veegt nogmaals. Dag spinnenlijk. Dag muf gordijn. Ik ga aan het eten beginnen. Ze kijkt weer naar beneden, de tuin van de buurvrouw in. De strooien hoed is nergens meer te bekennen. Als ze het raam nu open zou zetten, zou ze waarschijnlijk de Cromalucht van de buurt al op kunnen snuiven. (Ieder staat in zijn eigen file tenslotte – de een in de auto, de ander achter het fornuis.) Ze is al laat. Dag zolderlicht. Dag zolderstilte.

Maar ze vertrekt niet. Ze blijft hier staan. Nog een paar minuten. (Een half jaar? Haar hele leven?)

Praatblog 3

Over bijna-ongelukken en mijn glorieuze stompzinnigheid.

Vuurtje

Langs alle paraplu openklappende, kraag opzettende, wegduikende mensen baan ik me een weg richting buiten. Daar waar het hoost.
Ik voel de stroom druppels op mijn kapsel kletteren, het water druipt over mijn gezicht. Samen met mijn make-up wast de regen mijn verdriet de aarde in.

De meute mensen die nog onder het afdak staan, is volledig ontsproten uit de man waar we vandaag afscheid van namen. Kronkelende vertakkingen over vier generaties. Mijn familie. De terugkerende vraag vandaag, met weifelende ogen gesteld: wie ik ben. De vraag die in onze familie altijd op de volgende manier beantwoord wordt:“zij is van [voornaam van mijn moeder]”, levert veel oh’s en ah’s op, soms zelfs overgoten met een sausje van afkeuring. En dat is oké. Want ja, ook binnen mijn eigen familie ben ik een kluizenaar: op mijn moeder, broer, opa & oma en één tante & oom na, kent niemand mij. Dat mag, heb ik besloten – ik kies liever mijn naasten dan dat ik ze in de schoot geworpen krijg.

Als we een telraam zouden ophangen waarop iedereen vandaag mocht aangeven hoeveel recht op verdriet we hadden, zouden mijn broer en ik waarschijnlijk geen enkele kraal toebedeeld krijgen. En ook dat is oké. Ik snap hun perspectief, en eis niet dat zij zich in het mijne verdiepen.

Toch hebben mijn broer en ik onze hele jeugd bij mijn opa en oma doorgebracht. Tussen de middag, na school, in de vakanties – mijn moeder was altijd werken en bij opa en oma was er altijd leven en liefde. En de papegaai. En de hondjes. En worstelen op tv. En grappen van mijn opa. Dat ik als volwassene niet elke zondag op bezoek kom, wil niet zeggen dat ik niet dankbaar ben voor mijn jeugd.

In februari stond ik met mijn opa en mijn moeder nog een sigaret in mijn eigen achtertuin te roken en over motoren te praten (in verschillende tijdperken hebben wij alledrie op die dingen rondgereden). Dat is wat voor mij telt: dat we op onze eigen manier, via onze eigen weg, onszelf zijn geworden, en er uiteindelijk drie generaties verdomd op elkaar lijkende mensen één universele sigaret staan te roken. Want dat is wat mijn opa is: een wandelstok in de ene hand, een sigaret in de andere. Working class, en zo is het goed. Ik ontmoet liever sporadisch in oprechtheid, dan iedere zondag als lege huls. Ik liet mijn opa mijn huis zien, waar hij al maanden tijdens de wekelijkse rit op weg naar de Lidl over sprak. Want steeds als ze erlangs reden was hij trots, op mij, op mijn keuzes, mijn leven. Het leven dat hij via mijn moeder doorgebriefd kreeg. Zoals ik zíjn wel en wee ook vernam via mijn moeder.

Want dat is het. De lijn is nooit afgesneden geweest. Alleen ga ik er eigenwijs mee om, maar hij snapte dat en had daar zelfs respect voor.

Dag opa, rust zacht. Ik rook er nog een op jou, hier, in de stromende regen op de parkeerplaats van het crematorium. Omdat mijn verdriet zich perfect naar die ene universele sigaret laat vormen.

Je vergeet weleens iets

Je vergeet weleens iets – waar je dat ene belangrijke formulier opgeslagen hebt, hoe je ook weer het best een U-bocht neemt, waar je dat oude paar schoenen hebt gelaten, waarom je met jezelf had afgesproken geen m&m’s-met-nootjes meer te eten, of hoe dat meisje van de basisschool vroeger ook weer heette. Je vergeet weleens iets: hoe laat je zou bellen, of dat zíj juist jou zou bellen, en wat je nog zou kopen en daar sta je dan in het gangpad voor je uit te staren want je weet wel nog dat je íets moest, alleen niet meer wat. Je vergeet weleens iets. Dat die ene broek de hele tijd afzakt en hij daarom achterin je kast ligt, dat je nog een appel in je tas had zitten, welke fietspomp je voor welk ventiel nodig hebt en of je de voordeur nu wel of niet had afgesloten.
Je vergeet weleens iets. Op welke volumestand de dvd-speler moet staan. Waarom je de slappe lach kreeg met je beste vriend. Waar je laatst -weet je nog wel- die lekkere cakejes kocht. Maar nooit, nooit vergeet je hoe doodsbang je was, hoe verlammend het feit dat je bestond voelde, hoe eenzaam de uren opgesloten in jezelf voorbij kropen.

Je vergeet weleens iets, maar nooit dát wat je wil vergeten, dat wat je kan missen, dat wat je kwijt moet om die striemen van je schouders te voelen verdwijnen.
Je zult die rugzak mee moeten slepen, meter na meter na dag na meter na jaar. De kunst is om een verdomd inventief, wendbaar, geruisloos aanhangwagentje te ontwerpen waarmee je met zo’n gemak vooruit kunt, dat je vergeet wat je eigenlijk precies allemaal meezeult. En waarom je dat vergeten wil.

Praatblog 2

Over het nut van masochisme, en shoarmageheimtaal.




Knofloos

“…en knoflookpudding”, zegt een bezorger van maaltijden-voor-ouderen in een documentaire op de vraag wat er vandaag gegeten wordt. Mijn gelaatsuitdrukking is mijn bewustzijn al voor: wàt een afgrijselijk vies idee. Ik zie een soort vaalgrijze drilpudding, stinkend naar knoflook, treurig wiebelend op een afgesleten donkerblauw bordje voor me, met op de achtergrond een klein raampje met ouderwets valletje ervoor, waarachter de regendruppels zichzelf depressief langs het glas omlaag slepen. (Geen idee waarom, maar zo stel ik het me voor.) Ik google meteen, en ben blij te rapporteren dat ik géén resultaten krijg. En toch – en dit is belangrijk – is er ergens een bejaarde vrouw die vanavond knoflookpudding eet. (Of ze nou wil of niet.) Want knoflookpudding bestaat, hoe hard Google het ook ontkent.

Niet alles op het internet is waar, maar evenzo is niet alles wat waar is, op het internet.

Experiment – Praatblog

Een praatblogje. Van mij. Over één minuscule sociale futiliteit – iets wat bij mij gek genoeg een filmpje van 9 minuten oplevert.

Mocht u toevallig de drang hebben om mij te horen en te zien, dat kan dus nu.

En geen zorgen, ik ga niet ‘vloggen’ (als in: een oeverloos videodagboek van mijn dagelijkse bezigheden bijhouden). Die drang voel ik absoluut niet. Dit is puur een blogpostje in praatvorm, alleen een tikkeltje warriger dan u gewend bent hier.