Dameslijkje

Ze staat aan het raam op zolder. Het gordijn ruikt wat muf. Beneden loopt de buurvrouw in haar tuin te redderen. Van bovenaf gezien lijkt ze een strooien zonnehoed met armen. ‘Een Mexicaan op een fiets’. Ze moet er opeens aan denken, het was een of ander visueel grapje van vroeger, uit haar tienertijd. Ze tekenden een cirkeltje met een kleiner rondje erin, en twee streepjes aan weerszijden. Ze weet de clou niet meer, maar gokt dat het iets met stereotypen te maken had. De buurvrouw bukt, plukt, onkruid waarschijnlijk. Ze is er druk mee. Ondertussen staat zijzelf al hoe lang – tien minuten? Twintig? (Een half jaar? Haar hele leven?) voor het zolderraam. Denken kost tijd.

Het lijkt haar zo mooi om ooit haar leven zó ingericht te hebben dat ze haar verjaardag niet meer hoeft te vieren. Maar echt jaren niet. Net zo lang, tot ze oprecht zelf niet meer weet hoe oud ze is. Daar fantaseert ze soms over: je eigen leeftijd écht niet meer weten. Dat lijkt haar zo bevrijdend. Gewoon leven, maand na maand, zonder een soort duimstok in je achterhoofd te hebben. Zou je dan anders leven? Van de kleine dingen – of zo’n kapsel wel kan op die leeftijd – tot nooit meer hoeven leven naar bepaalde interne of door de maatschappij opgelegde streefdoelen. Vóór leeftijd zus moet ik dingetje zo bereikt hebben. Dat. Maar goed. Voorlopig zit het er niet in. Misschien kun je pas leeftijdloos leven als je beide ouders overleden zijn en je kinderloos bent. Of kinderen in een ver buitenland hebt zitten die niet al te attent zijn. Dan zou het vanzelf erin sluipen, zonder dat je bewust moet aankondigen dat je je verjaardag niet meer wil vieren. (Dan denken mensen toch altijd maar dat het iets te maken heeft met niet oud willen worden, de angst voor de dood, of valse bescheidenheid.)

Er hangt een spinnenlijk in de hoek van het raam. Ze blaast er zachtjes tegen, het vederlichte karkasje wiebelt een beetje. Denk je toch eens in dat je hangend in de lucht zou sterven, en dan maanden, misschien wel jaren aan wat stofdraadjes kunt blijven wiegen. Ze stelt zich voor hoe dat bij mensen uit zou zien. Gemummificeerde, mooi ingedroogde lichamen, perkamenten huid om broze botten, die dan ergens tussen een lantaarnpaal en een heg wiegen in de avondbries. Of tussen het stuur en het dak van een verroeste vrachtwagen. Of dat je een huis koopt, en op zolder in een hoekje nog een héél oud dameslijkje vindt. En dat dan heel voorzichtig, om het niet te laten verpulveren, optillen en naar buiten dragen om het daar van je hand te blazen. Met een zacht ‘nou, dahag’ als afscheid.

De kerkklok slaat vijf uur. Ze aait met een hand over het door de zon afgebleekte gordijn. Vettig en stoffig tegelijk. Ze strijkt met haar vingers langs haar spijkerbroek, opwaarts, neerwaarts. In gedachten hoort ze haar man ‘viezerik’ grinniken. Ze veegt nogmaals. Dag spinnenlijk. Dag muf gordijn. Ik ga aan het eten beginnen. Ze kijkt weer naar beneden, de tuin van de buurvrouw in. De strooien hoed is nergens meer te bekennen. Als ze het raam nu open zou zetten, zou ze waarschijnlijk de Cromalucht van de buurt al op kunnen snuiven. (Ieder staat in zijn eigen file tenslotte – de een in de auto, de ander achter het fornuis.) Ze is al laat. Dag zolderlicht. Dag zolderstilte.

Maar ze vertrekt niet. Ze blijft hier staan. Nog een paar minuten. (Een half jaar? Haar hele leven?)

Praatblog 3

Over bijna-ongelukken en mijn glorieuze stompzinnigheid.

Vuurtje

Langs alle paraplu openklappende, kraag opzettende, wegduikende mensen baan ik me een weg richting buiten. Daar waar het hoost.
Ik voel de stroom druppels op mijn kapsel kletteren, het water druipt over mijn gezicht. Samen met mijn make-up wast de regen mijn verdriet de aarde in.

De meute mensen die nog onder het afdak staan, is volledig ontsproten uit de man waar we vandaag afscheid van namen. Kronkelende vertakkingen over vier generaties. Mijn familie. De terugkerende vraag vandaag, met weifelende ogen gesteld: wie ik ben. De vraag die in onze familie altijd op de volgende manier beantwoord wordt:“zij is van [voornaam van mijn moeder]”, levert veel oh’s en ah’s op, soms zelfs overgoten met een sausje van afkeuring. En dat is oké. Want ja, ook binnen mijn eigen familie ben ik een kluizenaar: op mijn moeder, broer, opa & oma en één tante & oom na, kent niemand mij. Dat mag, heb ik besloten – ik kies liever mijn naasten dan dat ik ze in de schoot geworpen krijg.

Als we een telraam zouden ophangen waarop iedereen vandaag mocht aangeven hoeveel recht op verdriet we hadden, zouden mijn broer en ik waarschijnlijk geen enkele kraal toebedeeld krijgen. En ook dat is oké. Ik snap hun perspectief, en eis niet dat zij zich in het mijne verdiepen.

Toch hebben mijn broer en ik onze hele jeugd bij mijn opa en oma doorgebracht. Tussen de middag, na school, in de vakanties – mijn moeder was altijd werken en bij opa en oma was er altijd leven en liefde. En de papegaai. En de hondjes. En worstelen op tv. En grappen van mijn opa. Dat ik als volwassene niet elke zondag op bezoek kom, wil niet zeggen dat ik niet dankbaar ben voor mijn jeugd.

In februari stond ik met mijn opa en mijn moeder nog een sigaret in mijn eigen achtertuin te roken en over motoren te praten (in verschillende tijdperken hebben wij alledrie op die dingen rondgereden). Dat is wat voor mij telt: dat we op onze eigen manier, via onze eigen weg, onszelf zijn geworden, en er uiteindelijk drie generaties verdomd op elkaar lijkende mensen één universele sigaret staan te roken. Want dat is wat mijn opa is: een wandelstok in de ene hand, een sigaret in de andere. Working class, en zo is het goed. Ik ontmoet liever sporadisch in oprechtheid, dan iedere zondag als lege huls. Ik liet mijn opa mijn huis zien, waar hij al maanden tijdens de wekelijkse rit op weg naar de Lidl over sprak. Want steeds als ze erlangs reden was hij trots, op mij, op mijn keuzes, mijn leven. Het leven dat hij via mijn moeder doorgebriefd kreeg. Zoals ik zíjn wel en wee ook vernam via mijn moeder.

Want dat is het. De lijn is nooit afgesneden geweest. Alleen ga ik er eigenwijs mee om, maar hij snapte dat en had daar zelfs respect voor.

Dag opa, rust zacht. Ik rook er nog een op jou, hier, in de stromende regen op de parkeerplaats van het crematorium. Omdat mijn verdriet zich perfect naar die ene universele sigaret laat vormen.

Je vergeet weleens iets

Je vergeet weleens iets – waar je dat ene belangrijke formulier opgeslagen hebt, hoe je ook weer het best een U-bocht neemt, waar je dat oude paar schoenen hebt gelaten, waarom je met jezelf had afgesproken geen m&m’s-met-nootjes meer te eten, of hoe dat meisje van de basisschool vroeger ook weer heette. Je vergeet weleens iets: hoe laat je zou bellen, of dat zíj juist jou zou bellen, en wat je nog zou kopen en daar sta je dan in het gangpad voor je uit te staren want je weet wel nog dat je íets moest, alleen niet meer wat. Je vergeet weleens iets. Dat die ene broek de hele tijd afzakt en hij daarom achterin je kast ligt, dat je nog een appel in je tas had zitten, welke fietspomp je voor welk ventiel nodig hebt en of je de voordeur nu wel of niet had afgesloten.
Je vergeet weleens iets. Op welke volumestand de dvd-speler moet staan. Waarom je de slappe lach kreeg met je beste vriend. Waar je laatst -weet je nog wel- die lekkere cakejes kocht. Maar nooit, nooit vergeet je hoe doodsbang je was, hoe verlammend het feit dat je bestond voelde, hoe eenzaam de uren opgesloten in jezelf voorbij kropen.

Je vergeet weleens iets, maar nooit dát wat je wil vergeten, dat wat je kan missen, dat wat je kwijt moet om die striemen van je schouders te voelen verdwijnen.
Je zult die rugzak mee moeten slepen, meter na meter na dag na meter na jaar. De kunst is om een verdomd inventief, wendbaar, geruisloos aanhangwagentje te ontwerpen waarmee je met zo’n gemak vooruit kunt, dat je vergeet wat je eigenlijk precies allemaal meezeult. En waarom je dat vergeten wil.

Praatblog 2

Over het nut van masochisme, en shoarmageheimtaal.




Knofloos

“…en knoflookpudding”, zegt een bezorger van maaltijden-voor-ouderen in een documentaire op de vraag wat er vandaag gegeten wordt. Mijn gelaatsuitdrukking is mijn bewustzijn al voor: wàt een afgrijselijk vies idee. Ik zie een soort vaalgrijze drilpudding, stinkend naar knoflook, treurig wiebelend op een afgesleten donkerblauw bordje voor me, met op de achtergrond een klein raampje met ouderwets valletje ervoor, waarachter de regendruppels zichzelf depressief langs het glas omlaag slepen. (Geen idee waarom, maar zo stel ik het me voor.) Ik google meteen, en ben blij te rapporteren dat ik géén resultaten krijg. En toch – en dit is belangrijk – is er ergens een bejaarde vrouw die vanavond knoflookpudding eet. (Of ze nou wil of niet.) Want knoflookpudding bestaat, hoe hard Google het ook ontkent.

Niet alles op het internet is waar, maar evenzo is niet alles wat waar is, op het internet.

Experiment – Praatblog

Een praatblogje. Van mij. Over één minuscule sociale futiliteit – iets wat bij mij gek genoeg een filmpje van 9 minuten oplevert.

Mocht u toevallig de drang hebben om mij te horen en te zien, dat kan dus nu.

En geen zorgen, ik ga niet ‘vloggen’ (als in: een oeverloos videodagboek van mijn dagelijkse bezigheden bijhouden). Die drang voel ik absoluut niet. Dit is puur een blogpostje in praatvorm, alleen een tikkeltje warriger dan u gewend bent hier.

Schedelbeest

Een tijdje geleden had ik tijdens een wandeling met de honden het karkas van een haas meegenomen. Dat lag al een tijdje te vergaan op een van de velden hier in de buurt, en ik kon de verleiding niet meer weerstaan.

haas1

Op mijn verjaardag groef ik hem enthousiast op, maar uiteraard was ik te ongeduldig: het beest was nog helemaal geen skelet.

haas2

Nu, twee maanden later, heb ik hem dan toch eindelijk kunnen opgraven! Binnen een kwartier had ik het hele skelet gevonden.

Tenminste, dat dacht ik.

Tot ik erachter kwam de onderkaak te missen. Anderhalf uur gezocht, gegraven, dieper gegraven, breder gegraven, gemodderuitelkaarpluisd en gespeurd – maar helaas. Toen ik de foto’s terugkeek van de tussentijdse opgraving, viel me op dat de onderkaak er toen ook al niet was. Dus misschien heb ik die per ongeluk in het veld achtergelaten. Of hij was er zelfs al niet meer in het veld. In mijn tweets zie ik staan dat ik tegen iemand zeg ‘dat de onderkaak al mooi zichtbaar is’. Dus ofwel heb ik het onderaanzicht van de bovenkaak bedoeld, ofwel ligt die onderkaak nu een meter of drie diep in mijn tuin, want vóór ik hem in de doos stopte was hij al flink ondergronds aan de wandel gegaan.

Hoe dan ook: dikke pech. Ik heb hem niet meer kunnen vinden. Dat doet gelukkig niks af aan de prachtige schedel die ik nu heb. Met één tand zelfs nog! Die ik eruit kan halen en weer erin kan zetten. Altijd leuk, een puzzelskeletje.

Ik heb niet het hele skelet gehouden, alleen de onderdelen die ik mooi vind. Dus de kop, de schouderbladen, het staartbeen, de heupbenen, wat ribbetjes, twee rugwervels en een dingetje.

11

Wat dat dingetje was, wist ik niet, maar het zag er mooi uit en het was ook puzzelbaar. En er zaten twee mooie buisgaatjes in. Ik gokte dat daar de oren hadden gezeten, en ben maar eens foto’s van schedels gaan opzoeken.

Toen kwam ik er dus achter dat dit helemaal geen haas is, maar een wild konijn. Wat kan kloppen omdat de beesten hier in de velden meestal in kleine groepjes van een handvol wegstuiven als mijn honden aan komen sjokken. Hazen zijn solitair, konijnen niet. Via deze link kon ik de oogkas vergelijken, en inderdaad lijkt het een konijnenoogkas te zijn.

Nu zat ik dus nog met dat puzzeldingetje-met-buisgaatjes. Op de meeste skeletfoto’s wordt dit onderdeeltje nergens apart benoemd, maar ik wist uiteindelijk wel een paar afbeeldingen te vinden waar je die buisgaatjes wel ziet zitten. Achteraan de schedel inderdaad, dus mijn aanname lijkt te kloppen. Ik heb geprobeerd hem onderin de schedel te passen, en ja hoor: past precies.

Nu zat ik te overwegen de botten en schedel helemaal ‘mooi’ wit te bleken, maar uiteindelijk zie ik er vanaf. Ik vind dat hij er nu natuurlijk uitziet, en niet als iets dat ik kant-en-klaar ergens gekocht heb.

Dus mijn wilde konijn mag lekker een beetje wild blijven in zijn afterlife.
In een kek kistje.
Want wild is goed, maar het oog wil ook wat. :)

Wars

Dit is niet wat je wilde. Dat kan ook niet, want alles gaat trager dan toen je zeventien was en al precies wist hoe jij ging eindigen. Je loopt met stroperige passen door de stad – het regent voor de sfeer – en je zoekt je eigen reflectie op in de eerste de beste winkelruit. Wat je ziet ben je niet, het is die ander. Degene die je plaats heeft ingenomen, ergens tussen toen en nu. Degene die aan het eind van de dag thuis wil zijn en op de bank wil zitten met de kat. Degene die het prima vindt om op zaterdagmiddag de boodschappen te doen. Degene die al jaren voortkabbelt en daar evenwicht uit put. Was ooit megalomanie je beste vriend, kroop je in bed met zelfoverschatting – nu is het hoogste genieten de afwezigheid van stress.

Dit is niet wat je wilde. Je zeventienjarige rebellerende zelf lacht je uit. Maar je laat hem lachen, met hysterisch ontbloot tandvlees, met kakelende uithalen, want je weet wel beter nu. Het droomt moeilijk zonder slaap.

Junknotes

Op mijn werk, een publieke plek, vind ik nogal eens persoonlijke achterlatinkjes van mensen. Zo vond ik laatst in een trappenhuis een klein briefje, geschreven door een van de verslaafden die daar altijd vertoeven. (Ze zitten daar, omdat het pal naast de opvang ligt. In de opvang mogen ze niet gebruiken, dus wijken ze uit naar ons trappenhuis.)

junknote01
(“Liefste Er<3, 'k wil de moed en hoop niet opgeven. Ik zit weer op onze plek in de rotzooi. (waarsch. Thies?) Pasen... Kon ik je dan maar ontmoeten! Maar goed, 't zal wel weer niet. Word er niet vrolijker van Er<3. Zeg me dan eerlijk dat je me niet wilt zien e/o spreken. Dit (het negeren of ontwijken ea doet zo'n pijn en maakt me zeer ongerust. Omdat ik niet weet wat er aan de hand is. Er<3 stop hiermee, wil je? Ik kan dit niet verdragen. Hou v je Heb geen papier Bel me <3 <3")

Ik vind het ontroerend. Al ben je verslaafd aan harddrugs, je hebt nog steeds ‘normale’ sores zoals liefdesverdriet.

Vandaag vond ik twee nieuwe briefjes. Vier kantjes. Gericht aan haar dochter, die – zover ik eruit kan opmaken – sinds kort ook in een of ander (verslaafden?)circuit terecht gekomen is.
Treurig. Uitzichtloos. Maar tegelijkertijd weer datzelfde gevoel: je blíjft mens, ongeacht hoeveel er mis gaat in je leven. Afhankelijk zijn van drugs. Dagelijks. Daardoor geen huis meer hebben en in opvangen moeten verblijven. Maar wel nog foutloos spellen. Terwijl je je dochter probeert te behoeden voor alles wat jou zelf overkomen is.

Heftig.

junknote
(“Lieve Eva, sorry dat ik er niet ben! Ik heb 2 wkn sanctie gekregen. Dit keer had ik folie en aansteker in m’n handen doch niet gerookt! Mijn buurvrouw klikte herhaaldelijk met haar aansteker dus kwam ‘t personeel en zag mij ‘r voor aan. Wéér gezegd dat ze dat a/d leiding moest vertellen: No! Eva wees voorzichtig met jezelf. Ben sterk, kin omhoog en vecht, voor jezelf. Niemand zal je ècht helpen, kind. Dat kan jij alleen. Dus denk aan jezelf Eva. En héél belangrijk vertel niemand (ook je beste vrienden) niet teveel/ beter niks! Het wordt ooit tegen je gebruikt Eva dit geldt ook voor instanties. Alles wordt jarenlang bewaard. Kijk uit. Want ook eerlijk zijn wordt (vreemd genoeg) afgestraft. Daar kan ik je tzt genoeg voorbeelden v. vertellen. Liefje ik hou v. je wat er ook gebeurd is of kan gaan gebeuren ok. Ik hoop je snel in m’n armen te nemen. je mamma <3")