Vuurtje

Langs alle paraplu openklappende, kraag opzettende, wegduikende mensen baan ik me een weg richting buiten. Daar waar het hoost.
Ik voel de stroom druppels op mijn kapsel kletteren, het water druipt over mijn gezicht. Samen met mijn make-up wast de regen mijn verdriet de aarde in.

De meute mensen die nog onder het afdak staan, is volledig ontsproten uit de man waar we vandaag afscheid van namen. Kronkelende vertakkingen over vier generaties. Mijn familie. De terugkerende vraag vandaag, met weifelende ogen gesteld: wie ik ben. De vraag die in onze familie altijd op de volgende manier beantwoord wordt:“zij is van [voornaam van mijn moeder]”, levert veel oh’s en ah’s op, soms zelfs overgoten met een sausje van afkeuring. En dat is oké. Want ja, ook binnen mijn eigen familie ben ik een kluizenaar: op mijn moeder, broer, opa & oma en één tante & oom na, kent niemand mij. Dat mag, heb ik besloten – ik kies liever mijn naasten dan dat ik ze in de schoot geworpen krijg.

Als we een telraam zouden ophangen waarop iedereen vandaag mocht aangeven hoeveel recht op verdriet we hadden, zouden mijn broer en ik waarschijnlijk geen enkele kraal toebedeeld krijgen. En ook dat is oké. Ik snap hun perspectief, en eis niet dat zij zich in het mijne verdiepen.

Toch hebben mijn broer en ik onze hele jeugd bij mijn opa en oma doorgebracht. Tussen de middag, na school, in de vakanties – mijn moeder was altijd werken en bij opa en oma was er altijd leven en liefde. En de papegaai. En de hondjes. En worstelen op tv. En grappen van mijn opa. Dat ik als volwassene niet elke zondag op bezoek kom, wil niet zeggen dat ik niet dankbaar ben voor mijn jeugd.

In februari stond ik met mijn opa en mijn moeder nog een sigaret in mijn eigen achtertuin te roken en over motoren te praten (in verschillende tijdperken hebben wij alledrie op die dingen rondgereden). Dat is wat voor mij telt: dat we op onze eigen manier, via onze eigen weg, onszelf zijn geworden, en er uiteindelijk drie generaties verdomd op elkaar lijkende mensen één universele sigaret staan te roken. Want dat is wat mijn opa is: een wandelstok in de ene hand, een sigaret in de andere. Working class, en zo is het goed. Ik ontmoet liever sporadisch in oprechtheid, dan iedere zondag als lege huls. Ik liet mijn opa mijn huis zien, waar hij al maanden tijdens de wekelijkse rit op weg naar de Lidl over sprak. Want steeds als ze erlangs reden was hij trots, op mij, op mijn keuzes, mijn leven. Het leven dat hij via mijn moeder doorgebriefd kreeg. Zoals ik zíjn wel en wee ook vernam via mijn moeder.

Want dat is het. De lijn is nooit afgesneden geweest. Alleen ga ik er eigenwijs mee om, maar hij snapte dat en had daar zelfs respect voor.

Dag opa, rust zacht. Ik rook er nog een op jou, hier, in de stromende regen op de parkeerplaats van het crematorium. Omdat mijn verdriet zich perfect naar die ene universele sigaret laat vormen.

Je vergeet weleens iets

Je vergeet weleens iets – waar je dat ene belangrijke formulier opgeslagen hebt, hoe je ook weer het best een U-bocht neemt, waar je dat oude paar schoenen hebt gelaten, waarom je met jezelf had afgesproken geen m&m’s-met-nootjes meer te eten, of hoe dat meisje van de basisschool vroeger ook weer heette. Je vergeet weleens iets: hoe laat je zou bellen, of dat zíj juist jou zou bellen, en wat je nog zou kopen en daar sta je dan in het gangpad voor je uit te staren want je weet wel nog dat je íets moest, alleen niet meer wat. Je vergeet weleens iets. Dat die ene broek de hele tijd afzakt en hij daarom achterin je kast ligt, dat je nog een appel in je tas had zitten, welke fietspomp je voor welk ventiel nodig hebt en of je de voordeur nu wel of niet had afgesloten.
Je vergeet weleens iets. Op welke volumestand de dvd-speler moet staan. Waarom je de slappe lach kreeg met je beste vriend. Waar je laatst -weet je nog wel- die lekkere cakejes kocht. Maar nooit, nooit vergeet je hoe doodsbang je was, hoe verlammend het feit dat je bestond voelde, hoe eenzaam de uren opgesloten in jezelf voorbij kropen.

Je vergeet weleens iets, maar nooit dát wat je wil vergeten, dat wat je kan missen, dat wat je kwijt moet om die striemen van je schouders te voelen verdwijnen.
Je zult die rugzak mee moeten slepen, meter na meter na dag na meter na jaar. De kunst is om een verdomd inventief, wendbaar, geruisloos aanhangwagentje te ontwerpen waarmee je met zo’n gemak vooruit kunt, dat je vergeet wat je eigenlijk precies allemaal meezeult. En waarom je dat vergeten wil.

Praatblog 2

Over het nut van masochisme, en shoarmageheimtaal.




Knofloos

“…en knoflookpudding”, zegt een bezorger van maaltijden-voor-ouderen in een documentaire op de vraag wat er vandaag gegeten wordt. Mijn gelaatsuitdrukking is mijn bewustzijn al voor: wàt een afgrijselijk vies idee. Ik zie een soort vaalgrijze drilpudding, stinkend naar knoflook, treurig wiebelend op een afgesleten donkerblauw bordje voor me, met op de achtergrond een klein raampje met ouderwets valletje ervoor, waarachter de regendruppels zichzelf depressief langs het glas omlaag slepen. (Geen idee waarom, maar zo stel ik het me voor.) Ik google meteen, en ben blij te rapporteren dat ik géén resultaten krijg. En toch – en dit is belangrijk – is er ergens een bejaarde vrouw die vanavond knoflookpudding eet. (Of ze nou wil of niet.) Want knoflookpudding bestaat, hoe hard Google het ook ontkent.

Niet alles op het internet is waar, maar evenzo is niet alles wat waar is, op het internet.

Experiment – Praatblog

Een praatblogje. Van mij. Over één minuscule sociale futiliteit – iets wat bij mij gek genoeg een filmpje van 9 minuten oplevert.

Mocht u toevallig de drang hebben om mij te horen en te zien, dat kan dus nu.

En geen zorgen, ik ga niet ‘vloggen’ (als in: een oeverloos videodagboek van mijn dagelijkse bezigheden bijhouden). Die drang voel ik absoluut niet. Dit is puur een blogpostje in praatvorm, alleen een tikkeltje warriger dan u gewend bent hier.

Schedelbeest

Een tijdje geleden had ik tijdens een wandeling met de honden het karkas van een haas meegenomen. Dat lag al een tijdje te vergaan op een van de velden hier in de buurt, en ik kon de verleiding niet meer weerstaan.

haas1

Op mijn verjaardag groef ik hem enthousiast op, maar uiteraard was ik te ongeduldig: het beest was nog helemaal geen skelet.

haas2

Nu, twee maanden later, heb ik hem dan toch eindelijk kunnen opgraven! Binnen een kwartier had ik het hele skelet gevonden.

Tenminste, dat dacht ik.

Tot ik erachter kwam de onderkaak te missen. Anderhalf uur gezocht, gegraven, dieper gegraven, breder gegraven, gemodderuitelkaarpluisd en gespeurd – maar helaas. Toen ik de foto’s terugkeek van de tussentijdse opgraving, viel me op dat de onderkaak er toen ook al niet was. Dus misschien heb ik die per ongeluk in het veld achtergelaten. Of hij was er zelfs al niet meer in het veld. In mijn tweets zie ik staan dat ik tegen iemand zeg ‘dat de onderkaak al mooi zichtbaar is’. Dus ofwel heb ik het onderaanzicht van de bovenkaak bedoeld, ofwel ligt die onderkaak nu een meter of drie diep in mijn tuin, want vóór ik hem in de doos stopte was hij al flink ondergronds aan de wandel gegaan.

Hoe dan ook: dikke pech. Ik heb hem niet meer kunnen vinden. Dat doet gelukkig niks af aan de prachtige schedel die ik nu heb. Met één tand zelfs nog! Die ik eruit kan halen en weer erin kan zetten. Altijd leuk, een puzzelskeletje.

Ik heb niet het hele skelet gehouden, alleen de onderdelen die ik mooi vind. Dus de kop, de schouderbladen, het staartbeen, de heupbenen, wat ribbetjes, twee rugwervels en een dingetje.

11

Wat dat dingetje was, wist ik niet, maar het zag er mooi uit en het was ook puzzelbaar. En er zaten twee mooie buisgaatjes in. Ik gokte dat daar de oren hadden gezeten, en ben maar eens foto’s van schedels gaan opzoeken.

Toen kwam ik er dus achter dat dit helemaal geen haas is, maar een wild konijn. Wat kan kloppen omdat de beesten hier in de velden meestal in kleine groepjes van een handvol wegstuiven als mijn honden aan komen sjokken. Hazen zijn solitair, konijnen niet. Via deze link kon ik de oogkas vergelijken, en inderdaad lijkt het een konijnenoogkas te zijn.

Nu zat ik dus nog met dat puzzeldingetje-met-buisgaatjes. Op de meeste skeletfoto’s wordt dit onderdeeltje nergens apart benoemd, maar ik wist uiteindelijk wel een paar afbeeldingen te vinden waar je die buisgaatjes wel ziet zitten. Achteraan de schedel inderdaad, dus mijn aanname lijkt te kloppen. Ik heb geprobeerd hem onderin de schedel te passen, en ja hoor: past precies.

Nu zat ik te overwegen de botten en schedel helemaal ‘mooi’ wit te bleken, maar uiteindelijk zie ik er vanaf. Ik vind dat hij er nu natuurlijk uitziet, en niet als iets dat ik kant-en-klaar ergens gekocht heb.

Dus mijn wilde konijn mag lekker een beetje wild blijven in zijn afterlife.
In een kek kistje.
Want wild is goed, maar het oog wil ook wat. :)

Wars

Dit is niet wat je wilde. Dat kan ook niet, want alles gaat trager dan toen je zeventien was en al precies wist hoe jij ging eindigen. Je loopt met stroperige passen door de stad – het regent voor de sfeer – en je zoekt je eigen reflectie op in de eerste de beste winkelruit. Wat je ziet ben je niet, het is die ander. Degene die je plaats heeft ingenomen, ergens tussen toen en nu. Degene die aan het eind van de dag thuis wil zijn en op de bank wil zitten met de kat. Degene die het prima vindt om op zaterdagmiddag de boodschappen te doen. Degene die al jaren voortkabbelt en daar evenwicht uit put. Was ooit megalomanie je beste vriend, kroop je in bed met zelfoverschatting – nu is het hoogste genieten de afwezigheid van stress.

Dit is niet wat je wilde. Je zeventienjarige rebellerende zelf lacht je uit. Maar je laat hem lachen, met hysterisch ontbloot tandvlees, met kakelende uithalen, want je weet wel beter nu. Het droomt moeilijk zonder slaap.

Junknotes

Op mijn werk, een publieke plek, vind ik nogal eens persoonlijke achterlatinkjes van mensen. Zo vond ik laatst in een trappenhuis een klein briefje, geschreven door een van de verslaafden die daar altijd vertoeven. (Ze zitten daar, omdat het pal naast de opvang ligt. In de opvang mogen ze niet gebruiken, dus wijken ze uit naar ons trappenhuis.)

junknote01
(“Liefste Er<3, 'k wil de moed en hoop niet opgeven. Ik zit weer op onze plek in de rotzooi. (waarsch. Thies?) Pasen... Kon ik je dan maar ontmoeten! Maar goed, 't zal wel weer niet. Word er niet vrolijker van Er<3. Zeg me dan eerlijk dat je me niet wilt zien e/o spreken. Dit (het negeren of ontwijken ea doet zo'n pijn en maakt me zeer ongerust. Omdat ik niet weet wat er aan de hand is. Er<3 stop hiermee, wil je? Ik kan dit niet verdragen. Hou v je Heb geen papier Bel me <3 <3")

Ik vind het ontroerend. Al ben je verslaafd aan harddrugs, je hebt nog steeds ‘normale’ sores zoals liefdesverdriet.

Vandaag vond ik twee nieuwe briefjes. Vier kantjes. Gericht aan haar dochter, die – zover ik eruit kan opmaken – sinds kort ook in een of ander (verslaafden?)circuit terecht gekomen is.
Treurig. Uitzichtloos. Maar tegelijkertijd weer datzelfde gevoel: je blíjft mens, ongeacht hoeveel er mis gaat in je leven. Afhankelijk zijn van drugs. Dagelijks. Daardoor geen huis meer hebben en in opvangen moeten verblijven. Maar wel nog foutloos spellen. Terwijl je je dochter probeert te behoeden voor alles wat jou zelf overkomen is.

Heftig.

junknote
(“Lieve Eva, sorry dat ik er niet ben! Ik heb 2 wkn sanctie gekregen. Dit keer had ik folie en aansteker in m’n handen doch niet gerookt! Mijn buurvrouw klikte herhaaldelijk met haar aansteker dus kwam ‘t personeel en zag mij ‘r voor aan. Wéér gezegd dat ze dat a/d leiding moest vertellen: No! Eva wees voorzichtig met jezelf. Ben sterk, kin omhoog en vecht, voor jezelf. Niemand zal je ècht helpen, kind. Dat kan jij alleen. Dus denk aan jezelf Eva. En héél belangrijk vertel niemand (ook je beste vrienden) niet teveel/ beter niks! Het wordt ooit tegen je gebruikt Eva dit geldt ook voor instanties. Alles wordt jarenlang bewaard. Kijk uit. Want ook eerlijk zijn wordt (vreemd genoeg) afgestraft. Daar kan ik je tzt genoeg voorbeelden v. vertellen. Liefje ik hou v. je wat er ook gebeurd is of kan gaan gebeuren ok. Ik hoop je snel in m’n armen te nemen. je mamma <3")

Mengellief

In alle hectiek vergeet ik het wel eens, maar er zit nog lief in mij. Het heeft alleen geen trampoline meer. Het is nu zaak er een touwladdertje voor te knopen. Een voorzichtige, niet op de onzekere, maar op de bedachtzame manier. En dan kijken.
Kijken naar wat het doet. Zo zonder springstof. Of je het nog herkent. Ik dus. Want jij bent de jij niet meer die je was toen het nog anders was. Jij was een andere jij. Er zijn al veel jijen geweest. De een lang en rood, de ander donker en breed – jij was altijd een tijdje jij, tot je hij werd. En dan kwam er weer een nieuwe jij.
Maar lief is lief, dacht ik altijd. Lief zijn, hebben, voelen. Zoals dat gaat als ik jou tegenkom. Dat het vanzelf opspat, vlekken maakt (die wanneer je niet goed opruimt, langzaam inbranden in het relatietapijt).

Ik dacht eigenlijk altijd dat mijn innerlijke lief gewoon ík was. Zoals mijn haren ik zijn, en mijn handen. Zoals mijn borsten ik zijn, en mijn lach. Het was mijn lief. Waar ik mee geboren was. Dat er gewoon inzat, en eruit kon komen – of niet. Zo.
Maar nu (het nu dat kwam toen jij kwam) blijkt al dat lief nooit mijn lief te zijn geweest. Het bleek mengellief. Lief dat gesponnen werd uit twee harten, twee monden, twee hoofden. Dat lief bleek voorwaardelijk: als jij, dan ik. Niet meer en niet minder.

Nu jij er bent, jij die opgesloten zit in het vacuüm dat jouw wereld is, nu blijkt mijn lief verdwenen. Mijn lief zoals ik dat ken. Het is er niet. Het was er nog wel, in het begin, en het stuiterde hoog, maar het stootte keer op keer het hoofd. Boeink. Boeink. Lager en lager sprong het steeds, tot het niet meer boven de hartegrens uit kwam. Daar werd het iets dat ik niet ken.

Het gevolg is dat mijn lief mijn lief niet blijkt. Dat lief, dat er altijd was, dat gemaakt bleek te worden door het tegenlief dat jij gaf. Die andere jijen dus, niet jij. En nu?

Nu zijn we tientallen maanden verder en blijkt er een stuk leven vol trampolineloosheid te zijn geweest. Liefloos. Opgeslokt door het opbouwen van jouw jij en mijn mij, heb ik het niet eens zien vertrekken. Maar nu ik hier zit, zachtjes in de stilte van wat ik blijk te kunnen, voel ik soms voorzichtig wat zachts langs mijn innerlijk strijken. Het richt zich op een gezongen zin, of een zachte vacht, of soms zelfs op een onzekere blik in een televisieprogramma. Maar het is er nog. Het is er nog. Ik ben niet afgestompt, alleen maar alleen gelaten. Niet verlaten, maar dichtbijlaten. Uw naaste. Nu ik de touwladder knoop, is het enige waar ik op moet letten dit: dat ik hem uiteindelijk aan de juiste jij vastknoop.

Tegen het lijf

Huh? Hè? Neeeee, ben jíj het? God wat lang geleden zeg! Wat leuk joh!
Nee, goed hoor, echt goed! Ja, lekker kun je wel zeggen zelfs! Weet je, ik heb het niet zo op van die zeurpieten hoor, doe mij maar lekker een positieve instelling, dan ga je het langst mee, toch? Toch? Precies!
Jaaa joh, twee kids, echte mannetjes al, vier en bijna zes nu, heerlijk hoor van die blije keutels om je heen! En jij ook zo te zien aan dat buikje – ha ha ha, ja niet dan pop, laten we eerlijk zijn: na die gevreesde vijf-en-dertigggg laat je alles gewoon los toch, al die angsten van strak moeten blijven, gelijk heb je schat. Het is dat moeder natuur mij in een goed jasje heeft gestoken want als het aan m’n “laajfstaajl” lag… ha haaa haa, ik ben niet van de bank te krijgen hoor!
Nee maar alle gekheid op een stokkie, wat fan-tas-tisch om je weer te zien, nee maar echt. Je verliest toch iedereen gaandeweg uit het oog, en dat is toch zonde hè. Maar ja, ieder leeft toch z’n eigen leven, en zo hoort het ook, wat jij?
Nee, nee ik ben nooit weggeweest zeg maar, ha ha ha, ik dacht toen al: ik heb hier ál-les wat mijn hartje begeert, dus ik heb geen reden om per se krampachtig de-wereld-te-gaan-zien ha ha! Kijk, uiteindelijk komen ze toch allemaal met hangende pootjes terug – nee ik bedoel natuurlijk niet jou, schat, maar bij wijze van spreken – je snapt me wel, toch pop? En dan zit ik hier lekker met mijn zaakjes voor elkaar, boem paf leuke man lekkere kids en het huis is al bijna afbetaald, nou, wat wil ik nog meer? Nee, ik vind het leven heer-lijk!
Goh, en heeft hij jou verlaten of jij hem? Dat eerste natuurlijk, want je gaat toch ook niet zomaar de kids hun vader ontnemen hè, nee maar daar ben ik heel makkelijk in: daar zijn nooit excuses voor. Wat? Ja ach, ik snap wel waar je heen wilt, maar als je zelf gewoon effe heel eerlijk bent wéét je toch ook dat het vooral aan jezelf zal hebben gelegen, daar kunnen we kort over zijn toch?
Jaaa, ach, we hoeven daar ook niet helemaal diep op in te gaan hier naast de doppertjes en de piepers, ha ha ha! Daar heeft niemand behoefte aan natuurlijk, zeg maar schat, wat ben ik blíj je weer tegen het lijf te lopen! Heerlijk om weer even “back in time” te kunnen gaan met je! Daarvoor moet je toch een soort geschiedenis samen hebben, je weet precies wat ik bedoel of niet dan!
Nee volgens mij zat jij altijd met Marjorie, en ik met Sonja daarachter.
Of ja, nu je het zegt, Sonja zat inderdaad altijd met Marjories tweelingzus, nee je hebt natuurlijk gelijk, jullie viertjes waren echt een kliekje hè? Ik was altijd al meer eigengereid, sommige mensen hebben minder kapstokken nodig om zich aan op te trekken zeg ik altijd maar! Nee maar dat is ook zo, ik zat ook vaak alleen, maar daarom kon ik ook zo goed meekomen in de klas, al dat gegiebel leidt ook maar af en dan zie je wel wat daarvan komt ha ha haaaa! Grapje schat, je kent me toch pop!
Goed, maar effe “back to basic”: heerlijk om zo bij te kletsen, maar de boys wachten thuis op de piepers, die zijn vanmiddag met z’n drietjes gaan voetballen, jaja, ook de man hoor! Die weet zich nog goed te keren daar op dat veld! Wat? Ja inderdaad, nog steeds Jos! Die was toen al helemaal af, alles d’rop en d’raan, dus ik dacht: die moet ik houden!
Ach, weet je, als puber was ik waarschijnlijk al wat vroeger rijp zeg maar, dat ik de jongens al op waarde kon schatten: terwijl jullie achter de knappe “hunks” aan gingen zag ik al dat Jos wél echt “husbandmaterial” was, ik kon daar doorheen kijken, en “voila”: wie zit er nu zonder vent op een flatje en wie is he-le-maal in de wolken met haar kerel, ik bedoel maar, je snapt wat ik bedoel hè schat?
Nou, toi toi toi voor jou en hopelijk tot snel en echt héér-lijk om je weer te spreken pop! Ik zal je nog wel vaker zien hier, gezellie zeg, dat fleurt je dag toch op, niet dan? Nou toedels schat!