Hoist with his own petard

Alles klinkt vandaag als een cliché. Die gedachte kan ik in een tweet stoppen en de wereld in zenden. Ik kan ook mijn blog opengooien, en zien waar het strandt. En zien waar het strand is. Bij de zee, last time I checked. Een cheque, gebruikt men dat nog? Voor echt geld-geld, niet voor een of ander winkeltegoed. Je bent te goed voor deze wereld. Wereldfilms. Alsof er ook films zijn die op Jupiter gemaakt zijn. Jupiler. België. Wie was ik daar? Ik was daar mezelf, maar dan de light versie. En dat was gek genoeg heel zwaar. Zwaar maar waar. Zwaar ook zijn knieën. Zwaar zijn lichte kijk op het leven. Zwaar zijn bagage, die hij op de schouders van zijn dochter laadde, en die ik weer van haar probeerde af te nemen. Ik ben daar deels in geslaagd, denk ik. Mijn belangrijkste accomplishment van de afgelopen jaren. Mijn gedachten gaan nog vaak de grens over. The unbearable lightness of fleeing. Ik sta met twee voeten in het nu hoor, en volmondig. Maar je neemt schimmen mee, aan de hand, iedere nieuwe kamer in. Ik heb er een stuk of 5 nu. Ze wisselen elkaar af naargelang mijn stemming. Sommige van hen zijn er al jaren en jaren. Die sleepte ik al menig oud vertrek in. Ik stelde ze voor aan het nieuwe daglicht, ze werden veelal geen beste vrienden. Ik weet het, ik weet het, maar het is niet anders. Hoe dan ook: ik heb ze nodig, ze zíjn mij. Ze zijn al lang niet meer wie ze ooit waren, ik heb ze vermaakt tot delen van mijzelf. Ik kan er gesprekken mee voeren, ik kan ze oproepen wanneer ik iets specifieks mis, ik haat ze, koester ze, en zo is het. Punt. Komma. Coma. Het voortdurende gevoel niet te leven, maar wel te bestaan. Bestand zijn tegen imperfectie, het valt niet mee. Meevallen, dat is je samen ten onder laten gaan. Willingly. Willen is het moeten van volwassenen. We leren af om keihard in de winkel te krijsen dat we snoep moeten. Dat ene autootje moeten. Nog niet naar bed moeten. We leren te willen. We willen meer in het leven, we willen vooruit komen, we willen nog steeds snoep, maar dan in bitterzoete vorm gegoten. Genoten, van het lichaam tegen die ander. Genoten van elkaars willen. Wederzijds. Weder is her – is opnieuw. Opnieuwzijds. Steeds opnieuw op zoek naar die roes. Roest. Het zet zich af in je hart. Hardop. Durven zeggen dat het anders kan. Kanttekening: ik weet het ook niet. Ik weet het niet want alles is al gezegd. Gedaan. Gewild. En dat is waar het explosief verstopt zit: gewild worden. Woorden, daar heb ik er genoeg van. Daden ook, ik dader wat af. Neem hier en daar een willekeurig ledemaat mee, smijt dit achteloos in een hoek en struikel er af en toe over in het voorbijgaan. Want alles gaat voorbij. Bijval. Dat is als je jezelf ook maar dat zwarte gat in werpt waar de ander al in ligt. Licht, dat sijpelt mee. Maar zijn licht zul je niet worden, want wie in het donker leeft heeft meer te verliezen dan het zwart alleen. Alleen zijn terwijl je samen bent. Maar wacht, er is meer. Niet alles is een kluwen, er zijn ook rechte lijnen. Van jou naar mij, van hier naar daar, en no way dat ik ooit terug ga. Er is zoveel moois, je hoort het je oma zeggen. En ze heeft gelijk. Potverdomme wat heeft ze gelijk. Open je handen en zie wat daar te zien is: alles wat je hebt. En alles wat daar weer uit voortvloeit. Geboeid kijk je naar die hond aan je voeten, hoe ze stuiptrekt in haar droom, piepgeluidjes maakt en dat je daarom móet grijnzen. Dat je haar wil platknuffelen omdat het kan. Omdat het kan. Omdat het mag. Dat willen, dat eeuwige willen, dat moet mogen worden. Want mogen is waar alles kan bestaan. Het boek dichtslaan en de film in stappen. En dat niemand er meer iets van begrijpt maar jij opeens alles weer helder voor ogen ziet. Voor mogen ziet. Dát. Dat is waarom ik schrijf.