Wat je ook doet

De twee levens, nee belevingen – naast elkaar, altijd, waar je ook gaat. Het voelen dat je leegloopt, nee hol bent – terwijl de dagelijksheid gewoon doorgaat. Plannen maken, voor volgende week of de week erna, misschien wel langer. Genoeg sigaretten inkopen voor een maand, de kat ja de kat, die je nodig heeft. Lid worden van het een of ander. Dat is toekomst, dat is bestaan en waarom je dat doet, nee moet. En dan de allesverterende verdrangst. Ja verdrangst, omdat je niet kunt uitmaken of het opgebouwd is uit verdriet of angst. Dat je haar, die ondertussen al vijftien is, nog wil zien groeien, dat je parfum koopt waar je een heel jaar mee vooruit kan. Dat je dingen doet voor het nu en het later, sporten, of een inboeldelverzekering afsluiten. Solliciteren, of willen weten hoe het met je moeder gaat, je geliefde gelukkig willen maken, het bestaat allemaal altijd en daarnaast stroomt de rivier der niksigheid. Op de kant bouw je kasteeltjes, hoopjes hoop, zie mij doen wat mensen doen. Maar dan speelt hij op, de rivier, hij slokt niets op, nee je schopt de kasteeltjes er zelf in, je ramt de hoopjes woest over de rand, armen tot aan de ellebogen vuil, geeft nog een trap na in het luchtledige. De mantra van het laatookmaar, het gebed der leegte, de allesomvattende aanwezigheid van het afwezige. Stromend verdwijnen, rot op want. Want. Ik kan het toch niet. Je kijkt om je heen, ziet het niet. Zelfs hij, die amper weet vooruit te gaan, zelfs hij kijkt je verwilderd aan als je zegt, als je zegt dat het kut is. Ja want zo zeg je dat, het is kut, maar ach, ik ga verder.

Je snapt het ook wel, nee weet – dat er pillen voor zijn. Zoals eerder. Zoals dat gaat. Maar wat je kreeg was leegte gevuld met leegte. Dat het je niks kon schelen dat het je niets kon schelen. Of dit het is, en meer van die clichés. Dat dit het is, en meer van die Schrödinger-waarheden: ja dit is het, maar alleen omdat ik er niet meer van maak. Het is de waarheid en tegelijkertijd een leugen. En toch weet je die doos nooit te keren, om te zien wat de andere toestand zou kunnen zijn. Hoe je en waarom je. En dat het er de schijn van heeft dat het voorheen. Ja dat er ooit iets anders was. Maar dat je dat eigenlijk niet meer met zekerheid weet te zeggen. Of het misschien naïviteit was, of toch – maar je hebt je er al bij neergelegd dat het niets uitmaakt. Want nu is nu, en nu duurt al ruim zeven jaar. Je nieuwe nu, zoals je nooit gewild hebt. Het weten, het totale, absolute weten dat het ontbreekt aan ieder spatje lef. Het met een grote boog om het werkelijke leven heen dwalen, doodsbang dat er iets mis zou gaan als je wel. Als je wel. Als je toch eens wel.

En tot die tijd niet. Parasiterend niet in een handvol. Een handvol houvast, dat je vliegensvlug naar de rivier draagt. Omdat dat is wat je wél kunt, omdat dat een van de weinige dingen is die je wél weet. Want wat je ook doet – nee moet, het voedt alleen je vermoeden van onmacht. Almachtige onmacht.

Liever lege handen dan het risico iets kapot te laten vallen.

En daar haatlief je jezelf om. De ultieme omarming van dat waartoe je jezelf hebt gereduceerd. Je recht je rug, de rivier lonkt, op de kant draai je pirouettes. Je balanceert al jaren op de hoop dat je erin valt.