Get. Ver. Démme

Ik dacht dus dat ik niet zo iemand was. Maar dan blijkt, en dan moet je dus toch je idee, enzovoort. Dat valt tegen. Dat je dacht dat ándere mensen, van die types, dat díe. Maar jij niet. Nee joh, jij nooit. Maar dat er dan door samenloop van, dat het dan toch gebeurt. En dat je dan eerst in de ontkenningsfase, je weet wel, dat je er gewoon niet aan denkt want dan bestaat het niet. Dat je dat dan een tijdje doet, een dag, twee dagen, en dat er dan wéér zoiets gebeurt. Ja maar echt. En dat je dan denkt, dat je dan móet denken potverdomme, ik ben dus wél. Dus verdorie wél. Zo. Iemand. Get. Ver. Demme. Maar dat er dan toch geen ontkennen meer aan is.

Niet dat het iets heel ergs, ofzo. Het zijn maar kleinigheden. Verstrooid. Komt natuurlijk door de moeheid. Want veel te veel, te druk, te lang. Snap ik wel. Maar zelfs dan. Ik, met al mijn ideeën over mezelf. En natuurlijk kom je er dan achter dat je stiekem, onbewust, al die tijd hebt gedacht dat ‘dat soort mensen’, je weet wel, de mensen die dat wél overkomt – dat dat dus een bepaald slag mensen waren. Van die ongeorganiseerde, laatmaarwaaien types. Zonder verantwoordelijkheidsgevoel, van die achwatmaakthetuit en als het niet linksom, dan. Get. Ver. Demme. Maar nu het je zelf gebeurd is, tot twéé keer toe in één week, nu moet je dus – en dat valt dan toch tegen.

Maar écht tegen hè. Niet gewoon zo’n loze kreet, zo’n losse ‘valt toch tegen hè’ maar een serieuze, zwaarwegende, vloekopwekkende échte realisatie dat het tegenvalt. Dat je minder aankunt dan je dacht, voor je dus vervalt in dat soort verstrooidheden. Vervalt ja. Want je keek er op neer, zo bleek. Maar nu zit je daar dus. Met je realisatie en je desillusie. Met je zelfbeeld en je scherven. En jaahaa, het zijn maar kleine dingen, dat zei ik toch al? Dat weet ik wel, maar toch. Maar toch. Nog nooit eerder heb ik mijn bushalte gemist. Niet een beetje, maar echt pas in een klein rotdorpje erachter komen dat je danig te lang bent blijven zitten op weg naar huis. En toen dus twee dagen later gewoon keihard een uur te laat naar je werk gaan. Want afwijkende tijden. En dat wist ik dus, dat wist ik echt. Ik heb het zelfs nog met mensen erover gehad. Maar op de dag zelf, en er dan natuurlijk te laat achter komen, en dan in de stress, je snapt het.

Maar goed. Je lacht er maar over, dat doe je dan maar want wat moet je anders. Wat maakt het allemaal uit, in the end? Een haltetje missen – waar maak je je druk om meid. Ik snap het wel, vanuit een gezonde afstand is het ook gewoon een beetje grappig. Maar ondertussen kruip ik er met mijn neus bovenop, en kom ik er dus achter dat ik daar slecht tegen kan. Wat dan natuurlijk weer véél meer zegt over mezelf dan het voorval op zich. En dáár ga ik dan óók weer met de neus bovenop – u ziet het al gebeuren hè? Ja, ik ook. Ik ook. Maar zo is het. Hilarisch, eigenlijk, maar dieptriest ook. Goed. Hoppa. Deal with it, enzo. Je bent nu eenmaal een beetje stuk, daarboven. Die wandelpaden in je brein doen nu eenmaal niet wat ze moeten doen. Die leiden je vaak naar achterafkamertjes zonder ramen, en hebben diepe kraters in het hobbelige wegdek. Weet je toch al langer? Nou dan. Het komt wel. Geduld. Niet in paniek. Geen man overboord. Maar ook díe gedachten nemen dus exact diezelfde kronkelpaden en komen dus nooit aan op hun bestemming. Ha. Ha.

Mja.
Rommelaar.

Nee joh, beetje lief zijn voor jezelf.
Prutsertje.

Wat zeg ik nou?
Stomme troela.
Getverdémme.

Zucht.

Hoist with his own petard

Alles klinkt vandaag als een cliché. Die gedachte kan ik in een tweet stoppen en de wereld in zenden. Ik kan ook mijn blog opengooien, en zien waar het strandt. En zien waar het strand is. Bij de zee, last time I checked. Een cheque, gebruikt men dat nog? Voor echt geld-geld, niet voor een of ander winkeltegoed. Je bent te goed voor deze wereld. Wereldfilms. Alsof er ook films zijn die op Jupiter gemaakt zijn. Jupiler. België. Wie was ik daar? Ik was daar mezelf, maar dan de light versie. En dat was gek genoeg heel zwaar. Zwaar maar waar. Zwaar ook zijn knieën. Zwaar zijn lichte kijk op het leven. Zwaar zijn bagage, die hij op de schouders van zijn dochter laadde, en die ik weer van haar probeerde af te nemen. Ik ben daar deels in geslaagd, denk ik. Mijn belangrijkste accomplishment van de afgelopen jaren. Mijn gedachten gaan nog vaak de grens over. The unbearable lightness of fleeing. Ik sta met twee voeten in het nu hoor, en volmondig. Maar je neemt schimmen mee, aan de hand, iedere nieuwe kamer in. Ik heb er een stuk of 5 nu. Ze wisselen elkaar af naargelang mijn stemming. Sommige van hen zijn er al jaren en jaren. Die sleepte ik al menig oud vertrek in. Ik stelde ze voor aan het nieuwe daglicht, ze werden veelal geen beste vrienden. Ik weet het, ik weet het, maar het is niet anders. Hoe dan ook: ik heb ze nodig, ze zíjn mij. Ze zijn al lang niet meer wie ze ooit waren, ik heb ze vermaakt tot delen van mijzelf. Ik kan er gesprekken mee voeren, ik kan ze oproepen wanneer ik iets specifieks mis, ik haat ze, koester ze, en zo is het. Punt. Komma. Coma. Het voortdurende gevoel niet te leven, maar wel te bestaan. Bestand zijn tegen imperfectie, het valt niet mee. Meevallen, dat is je samen ten onder laten gaan. Willingly. Willen is het moeten van volwassenen. We leren af om keihard in de winkel te krijsen dat we snoep moeten. Dat ene autootje moeten. Nog niet naar bed moeten. We leren te willen. We willen meer in het leven, we willen vooruit komen, we willen nog steeds snoep, maar dan in bitterzoete vorm gegoten. Genoten, van het lichaam tegen die ander. Genoten van elkaars willen. Wederzijds. Weder is her – is opnieuw. Opnieuwzijds. Steeds opnieuw op zoek naar die roes. Roest. Het zet zich af in je hart. Hardop. Durven zeggen dat het anders kan. Kanttekening: ik weet het ook niet. Ik weet het niet want alles is al gezegd. Gedaan. Gewild. En dat is waar het explosief verstopt zit: gewild worden. Woorden, daar heb ik er genoeg van. Daden ook, ik dader wat af. Neem hier en daar een willekeurig ledemaat mee, smijt dit achteloos in een hoek en struikel er af en toe over in het voorbijgaan. Want alles gaat voorbij. Bijval. Dat is als je jezelf ook maar dat zwarte gat in werpt waar de ander al in ligt. Licht, dat sijpelt mee. Maar zijn licht zul je niet worden, want wie in het donker leeft heeft meer te verliezen dan het zwart alleen. Alleen zijn terwijl je samen bent. Maar wacht, er is meer. Niet alles is een kluwen, er zijn ook rechte lijnen. Van jou naar mij, van hier naar daar, en no way dat ik ooit terug ga. Er is zoveel moois, je hoort het je oma zeggen. En ze heeft gelijk. Potverdomme wat heeft ze gelijk. Open je handen en zie wat daar te zien is: alles wat je hebt. En alles wat daar weer uit voortvloeit. Geboeid kijk je naar die hond aan je voeten, hoe ze stuiptrekt in haar droom, piepgeluidjes maakt en dat je daarom móet grijnzen. Dat je haar wil platknuffelen omdat het kan. Omdat het kan. Omdat het mag. Dat willen, dat eeuwige willen, dat moet mogen worden. Want mogen is waar alles kan bestaan. Het boek dichtslaan en de film in stappen. En dat niemand er meer iets van begrijpt maar jij opeens alles weer helder voor ogen ziet. Voor mogen ziet. Dát. Dat is waarom ik schrijf.

Met scherp

‘Dit gaat zo niet langer.’ Ze zei het, maar wist niet of ze het echt meende. Of toch, soms – vaak meende ze het. Wanneer ze voor de vierde keer die dag langskwam, omdat er een rare kuch was geweest, of omdat hij zo hevig zweette, zo plots. Of wanneer ze op het punt stond in bad te gaan, en de telefoon ging. Dat ze dan op moest nemen, want als ze dat niet deed, dan hadden ze binnen tien minuten de buren, haar zus, de huisarts en de ambulance gebeld. Niet omdat het zo dringend was, maar om haar het gevoel te geven dat ze tekort schoot.

Tekortschieten kon ze als geen ander. Wanneer ze niet meteen overtuigd was van de noodzaak meteen langs te komen. Wanneer ze iets sussends zei in plaats van net zo in paniek te raken als hen. Wanneer ze tegen artsen, specialisten of ander medisch personeel een realistisch verslag gaf, in plaats van hun gekleurde realiteit. Of – de ergste van allemaal – wanneer ze onverhoopt eens werkelijk iets onderschat bleek te hebben tussen de stroom pijntjes, kwaaltjes en vage symptomen. En een verpleegster na een week zei dat ze misschien beter wat eerder hadden kunnen komen. Dan voelde ze hun koude blikken op haar huid prikken. Want ergens in de afgelopen jaren was het zo gegroeid dat zij als oudste dochter – en niet haar ouders zelf – besliste wat er moest gebeuren bij elke ‘situatie’, zoals haar moeder het altijd noemde.

‘Dit is niet meer haalbaar voor hem.’ Ze zei het en wist meteen dat haar moeder er net zo glashard doorheen keek als zijzelf: voor hem, of voor jou? Ze hoefde haar niet eens aan te kijken om het schuldgevoel al te voelen opborrelen. ‘Ik bedoel, hij heeft geen rust meer, en jij ook niet mam.’ Ze besloot door te gaan, net zo lang tot de knoop in haar maag weg was. ‘Het komt zijn gezondheid, voor zover we daar nog van kunnen spreken, absoluut niet ten goede als hij constant bang is. Bang voor pijn, bang voor te laat komende hulp, en jij kunt zelf toch ook niet meer rustig eens tv kijken?’ Voor ze iets kon tegenwerpen ging ze verder. ‘Zo wordt hij alleen maar zieker, dat weet je. Stress verergert alles, dus ook dit.’ Ze slikte.

‘Het zou toch veel beter zijn als hij constant in het oog werd gehouden? Als hij niet hele dagen en nachten in angst ligt of hij op tijd aan de bel kan trekken?’ Voor het eerst sinds ze de woonkamer ingestapt was, keek ze haar moeder aan. Ze had verwacht haar als een in elkaar gedoken vogeltje op de bank te zien zitten, maar wat ze zag was vuur in haar ogen, en een strakke mond. Ze kende die mond maar al te goed. Als ze vroeger de moed had verzameld om te vragen of ze met een vriendin misschien, alleen als het uitkwam natuurlijk, het hoeft ook niet echt maar ze was gevraagd en dan was het toch wel zo beleefd, dat ze een keer, haar vader brengt ons en de film duurt maar tot, zou ze dan misschien – dan verstrakte het gelaat van haar moeder al, en wist ze dat het vergeefs was. In de loop der jaren had ze geleerd dat niet kijken beter was, dan kon ze heel soms toch – toen ze al lang en breed uit huis was – iets mededelen. En dan snel uit de voeten maken.

‘Je hebt gelijk.’

Haar ogen werden groot. Haar moeder? Zei haar moeder dat nu? ‘Het is ook uitputtend. Als ik nu nog jong in de benen was, vooruit, maar dit is bijna niet meer op te brengen. En je vader wordt daar alleen maar onrustiger van. Ik roep al altijd aan de trap dat ik eraan kom, maar je kent hem hè.’ Beetpakken, nu, met twee handen, dacht ze. ‘Precies, mam, je weet dat het voor jullie beter zou zijn. Wie weet knapt hij zelfs wel wat op als hij minder spanningen heeft.’ Haar moeder knikte, heftig, bijna driftig. ‘Ja ik heb er ook al wel over gedacht, het zou een grote verandering zijn voor ons allemaal, en ik wilde niet degene zijn die… maar nu je zelf ermee komt: we kunnen de opslagkamer uitruimen, dat kan allemaal de zolder op, en ik heb gemeten, er past gewoon een twijfelaar in, met nog net één nachtkastje ernaast, en dan laten we de grote linnenkast staan en daar kunnen dan je spullen zover wel in denk ik.’

Ze knipperde met haar ogen. Er raasde iets door haar maag. Ze kreeg kippenvel op haar schouderbladen en omklemde met haar ene hand heel hard haar andere pols. ‘Uh… nou… nou ik, ik…’ Haar moeders ogen stonden glashard, ze keken haar strak aan. Ze voelde misselijkheid opkomen. ‘Ik… we hebben het er nog over, oké? Misschien zijn we wat voorbarig, ik bedoel, hij heeft gelukkig ook nog veel goede momenten, en ik zou ook niet jullie… jullie dagelijkse ritme helemaal uh…’

‘Goed kind,’ zei haar moeder opgeruimd, ‘wie weet lopen we inderdaad te hard van stapel. Kun je nog boodschappen voor ons doen? En je vader zei dat de lakens erg nat waren, misschien dat de koorts weer opgelaaid is…’ Ze hoestte, schraapte haar keel. ‘Nee natuurlijk, maak maar een lijstje, geen probleem, ik ga meteen even bij hem kijken, zal ik de lakens ineens verschonen?’ Haar moeder knikte, stond op, klopte haar rok af en liep de keuken in.

Wat je ook doet

De twee levens, nee belevingen – naast elkaar, altijd, waar je ook gaat. Het voelen dat je leegloopt, nee hol bent – terwijl de dagelijksheid gewoon doorgaat. Plannen maken, voor volgende week of de week erna, misschien wel langer. Genoeg sigaretten inkopen voor een maand, de kat ja de kat, die je nodig heeft. Lid worden van het een of ander. Dat is toekomst, dat is bestaan en waarom je dat doet, nee moet. En dan de allesverterende verdrangst. Ja verdrangst, omdat je niet kunt uitmaken of het opgebouwd is uit verdriet of angst. Dat je haar, die ondertussen al vijftien is, nog wil zien groeien, dat je parfum koopt waar je een heel jaar mee vooruit kan. Dat je dingen doet voor het nu en het later, sporten, of een inboeldelverzekering afsluiten. Solliciteren, of willen weten hoe het met je moeder gaat, je geliefde gelukkig willen maken, het bestaat allemaal altijd en daarnaast stroomt de rivier der niksigheid. Op de kant bouw je kasteeltjes, hoopjes hoop, zie mij doen wat mensen doen. Maar dan speelt hij op, de rivier, hij slokt niets op, nee je schopt de kasteeltjes er zelf in, je ramt de hoopjes woest over de rand, armen tot aan de ellebogen vuil, geeft nog een trap na in het luchtledige. De mantra van het laatookmaar, het gebed der leegte, de allesomvattende aanwezigheid van het afwezige. Stromend verdwijnen, rot op want. Want. Ik kan het toch niet. Je kijkt om je heen, ziet het niet. Zelfs hij, die amper weet vooruit te gaan, zelfs hij kijkt je verwilderd aan als je zegt, als je zegt dat het kut is. Ja want zo zeg je dat, het is kut, maar ach, ik ga verder.

Je snapt het ook wel, nee weet – dat er pillen voor zijn. Zoals eerder. Zoals dat gaat. Maar wat je kreeg was leegte gevuld met leegte. Dat het je niks kon schelen dat het je niets kon schelen. Of dit het is, en meer van die clichés. Dat dit het is, en meer van die Schrödinger-waarheden: ja dit is het, maar alleen omdat ik er niet meer van maak. Het is de waarheid en tegelijkertijd een leugen. En toch weet je die doos nooit te keren, om te zien wat de andere toestand zou kunnen zijn. Hoe je en waarom je. En dat het er de schijn van heeft dat het voorheen. Ja dat er ooit iets anders was. Maar dat je dat eigenlijk niet meer met zekerheid weet te zeggen. Of het misschien naïviteit was, of toch – maar je hebt je er al bij neergelegd dat het niets uitmaakt. Want nu is nu, en nu duurt al ruim zeven jaar. Je nieuwe nu, zoals je nooit gewild hebt. Het weten, het totale, absolute weten dat het ontbreekt aan ieder spatje lef. Het met een grote boog om het werkelijke leven heen dwalen, doodsbang dat er iets mis zou gaan als je wel. Als je wel. Als je toch eens wel.

En tot die tijd niet. Parasiterend niet in een handvol. Een handvol houvast, dat je vliegensvlug naar de rivier draagt. Omdat dat is wat je wél kunt, omdat dat een van de weinige dingen is die je wél weet. Want wat je ook doet – nee moet, het voedt alleen je vermoeden van onmacht. Almachtige onmacht.

Liever lege handen dan het risico iets kapot te laten vallen.

En daar haatlief je jezelf om. De ultieme omarming van dat waartoe je jezelf hebt gereduceerd. Je recht je rug, de rivier lonkt, op de kant draai je pirouettes. Je balanceert al jaren op de hoop dat je erin valt.

Ik lijk steeds meer op jou

Ik stond bij weer
een rek vol koopjes zoals
ik zo veel te vaak al stond

en tussen het geluid van
de ijzeren hangers over de metalen stang
schraap schraap schraapte het lied dat
ik al duizend maal hoorde
zoals iedereen
zoals niemand

de klassieker waar ik
om smaalde zoals ik om
alles smaalde voor ik wist
dat voelen ook een optie
was
– is

en de radio zong en zong en zong en
de kleerhanger schraapte
en ik mijn keel

want opeens kwam het
dichtbij en voelde ik haat en verdriet en
dingen die ik nooit had gevraagd
maar wel kreeg
en dus al die tijd had
– heb

en ik voelde me verloren
als in nooit gezocht, niet als in
nooit gevonden

ik liep naar buiten met
geen enkel idee
welke kleren ik zojuist door mijn
vingers had laten gaan maar
ik wist wel
glashelder
wat er door mijn vingers was geglipt

Afsnoepen

Of maar negen tenen hebben, dacht ze. Dat zou ook minder erg zijn, dacht ze. Negen vingers zelfs, dat zou ze niet erg vinden. Een wijnvlek in het gezicht, ook geen probleem. Ze dacht aan haar ex, met zijn rode wang. Het stond hem zelfs goed. Gek, dacht ze, ik schaam me voor het schamen. En terecht, dacht ze. En toch kon ze er niets aan doen.

Kijk naar zijn innerlijk, vermaande ze zichzelf. Wat een cliché, dacht ze. Maar wat je nu doet is net zo clichématig, sprak ze zichzelf weer toe. In gedachten natuurlijk. Ze glimlachte naar hem, knikte. Hij sprong met zijn kleine compacte lijf van de rand en met een zware plons lag hij weer in het water.

Ze probeerde zich haar zoontje voor te stellen met maar negen vingers. Ze probeerde zich haar zoontje voor te stellen met een geboortevlek op zijn kaak. Ze probeerde zichzelf te haten, in plaats van hem. Ze probeerde ongeïnteresseerd te zijn. Wat maakt het uit ten slotte?

Alles. Alles maakte het uit. Ze kon het niet helpen. Ze voelde schaamte. Niet plaatsvervangend, niet zoals men schaamte voelt als iemand iets doet waardoor je in elkaar krimpt en voelt hoe het zou zijn als jij het zou zijn geweest die daar stond, nee, ze schaamde zich puur voor het feit dat ze met hem samen werd gezien. Ze wilde het niet voelen, ze wilde niet zo oppervlakkig zijn, ze wilde niet dat haar liefde bezoedeld werd door zo’n onzinnig iets, maar het gebeurde.

Ja, hij was dik. En nee, dat lag niet aan wat zij hem te eten gaf. Het had ook geen medische grondslag. Het was gewoon zoals het was. Waar ze thuis allemaal slank bleven, werd hij van hetzelfde voedsel dik. Ze lette op hem, of hij stiekem ergens bijsnoepte, maar dat was niet zo. Ze gaf hem iets minder van alles, maar wilde ook geen ongelukkig, overbewust kind van hem maken. Het zou nog wel rechttrekken als hij eenmaal in de puberteit kwam.

Maar hier zat ze dan. Op de witte kunststof stoel waar haar handdoek overheen gedrapeerd lag. Hier zat ze dan, naar haar zoon te kijken waar ze van walgde. Fysieke afkeer voor voelde. Zich te schamen om het schamen. Zich te vermanen. Maar ze kon het niet ontkennen.

Zou ze hem schaden? Zou een kind aanvoelen dat er iets niet klopte in de liefdesstroom? Ze vond hem hilarisch, een heerlijk kind, knuffelde hem veel, deed alles voor hem en had hem graag in haar buurt. Ze hield van hem, van top tot teen. Tenzij hij naakt was. Hoe hij daar rondliep in zijn zwembroekje. Zijn buik lillend bij iedere stap. En zo’n typische kont die alle dikke mensen hebben. Iets afgeplat, iets hangend.

Hij is toch pas elf, zei iedereen. Hij groeit er nog wel uit, let maar op, zei iedereen. Voor je het weet steekt hij een kop boven je uit en is hij een tienerslungel. Geniet er maar van zolang het nog kan, die kinderlijke onschuld. Maar ze kon het niet. Ze wilde dat hij zijn hele leven dik kon zijn, en dat haar dat helemaal niets kon schelen. Omdat hij het was. Maar ze kon het niet.

Ik ben een slecht mens, dacht ze. Daar moet ik het mee doen. Hopen dat het hem geen kwaad zal doen. Hopen dat alle andere facetten van hun moeder-zoon verhouding die wel helemaal tiptop waren, dit ene ding zouden uitbalanceren. Ze wist niet waar het vandaan kwam. Ze dacht er vaak over na. Tevergeefs.

Hij kwam op haar af gewaggeld en hield een plastic bal in zijn handen. Ga je mee spelen? zou hij zo vragen. Jazeker, zou zij zeggen. Ze zou voor hem uit lopen, in het water duiken, de bal vangen en weer gooien. Ze zouden elkaar nat spetteren. Hij zou giebelen, zij zou kietelen. Daarna zou ze zijn rug droogschuren met de handdoek, zijn haar fatsoeneren. Ze zou hem achterna roepen dat hij zijn zwemtas vergat. Ze zouden rozig in de auto stappen.

Ze keek naar zijn hand waar de bal nu in lag, en stelde zich voor dat daar maar vier vingers aan zouden zitten.

Mama, kom je mee met de bal gooien?

Jazeker. Ze stond op en liep al voor hem uit.

Nieuw

Ze had geen zwavelstokjes, maar ze zat wel buiten. Ongeduldig op een bankje. Haar iets te chique maillot onder haar iets te chique jas. Haar eigenwijze kinderharen in een volwassen knot gedraaid. In haar hand een lintje, leidend naar een gouden heliumballon. Ze stapte in de trein, wandelde door de coupés, druk pratend tegen haar moeder. Met iedere stap een klein rukje aan het lintje, een dansje in de lucht. Ik zag de wiebelende ballon over het gangpad naderen, ik hoorde haar klaterende stem alles in de coupé benoemen. De kapstokken om een jas aan op te hangen. De klapstoelen voor als het druk was. De riem om de vouwfiets aan vast te haken. Het tafeltje om brood aan te eten. De vierzit voor als je broertjes ook mee zouden zijn. De trein een avontuur, haar aanwezigheid mijn nieuwjaarsgevoel.

Zoals

We moeten nog zo lang. Ze zegt het zacht, in je oor in de trein in de leegte. Beweging is voor hen die met opgetrokken knieën in een boek kunnen leven. Je legt je hand op het raam, kijkt bomen door je vingers. Een schaap rust zijn kop in het kuiltje van je pink en ringvinger. Je balt een vuist. Misschien ben je al jaren bezig antwoorden te vinden op onbestaande vragen. Van niet-bestaande anderen. Een gebrek schreeuwt luider dan eenzaamheid voor het slapengaan. Je duwt een lok achter haar oor, legt je vingers op haar oogschaduw – sluit te hardhandig haar ogen. Bruusk. Zo draait zij zich van je af. Je knikt. Je had het zelf niet anders gedaan. Schuifelend naderen je voeten, zoek de inhammen van je zolen, een halve schoen vooruit en ze passen in elkaar. Wat valt er te sparen in wat te boek staat als ongeduld? Je hebt nooit níet geleefd, je hebt het enkel voortdurend koud gehad. Je zoekt woorden waar bestaan hoort te zijn. Het mag niet druppelsgewijs, houd je jezelf voor. Je drapeert je hand over je gezicht, de palm op je slaap, je wijsvinger over je wenkbrauwen. Het puntje van je neus als schaap. Je wacht, want je weet: alles komt als je even niet kijkt.

Vogelaar

‘Een gelijkwaardige woning’
zegt hij tegen je
herhaaldelijk
in zijn verhaal
wanneer hij natuurlijk
gelijkvloers bedoelt.

Maar je knikt
en je glimlacht
om de creativiteit
iets in te vullen
als er ergens even
een leegte blijkt.

En je knikt
en je glimlacht
omdat híj het is die het zegt
met rimpels in zijn stem
en pretogen in zijn ziel
op de tuinstoel in de schaduw
met een sigaret tussen duim
en wijsvinger

en de wandelstok tegen zijn knie geleund
want het vertedert je
tot in de taal van zijn bestaan.

Ze put me uit

Ik wil haar de straat op sleuren, haar voeten over het plaveisel schrapend, haar bruine lokken in mijn vuist geklemd. Ik wil haar lijf tegen een paal rammen, haar neus breken op een muurtje, haar klauwende vingers pletten onder de eerste de beste kei. Ik ken haar, of denk haar toch te kennen. Haar lange lijf. Wat zich daarin afspeelt. Haar blauwe ogen. Wat zich daarachter roert. Ik wil haar schreeuwen smoren, over haar heen knielen en met mijn volle gewicht haar keel dichtknijpen, mijn knieën zwaar op haar bovenarmen. Ik wil haar zien vechten, en tenondergaan.

Ik wil haar pijn doen, omdat. Omdat ze denkt. Omdat ze weet. En omdat ze handelt, doet, omdat ze ermee weg komt. Ik wil haar breken, opdat enkel wat flarden voelen overblijven. Wat dat dan is, en of ze wel weet hoe daarmee om te gaan. Ik wil haar radeloosheid zien, ik wil weten wat er onder al die gepolijste fouten zit. Ik wil haar bezitten. Ik wil dat haar lijf precies om mijn lichaam past. Ik wil dat ze klopt, samenvalt met het leven zoals het kan zijn.

Ik wil haar filteren. Ik wil haar dwingen te leren wat echt is, wat niet. Ik wil dat ze ontrafelt, uitvouwt, schoonspoelt. Ze put me uit. Ze is koningin van het balanceren. Niemand kan overhellen zoals zij, ver, verder, nog verder, ze valt nooit. Deze kant op, dan weer de andere kant. Ze lijkt alles te willen, niets te willen – niets te weten, alles te weten. Ze lijkt zichzelf te handhaven. Maar ik weet beter. Ik weet dat ze voren trekt. Dat ze oogkleppen naait. Groter, nog groter, totdat de wereld vanuit iedere ooghoek haar eigen creatie lijkt. Ik weet dat ze het bloeden stelpt met diepere wonden. Dat ze verdrinken voorkomt door dieper te duiken. Ik weet dat ze zich vastklampt door het zo ver mogelijk van zich af te smijten.

En ik wil haar. God wat wil ik haar. Ik wil haar breken. Ik wil haar kapotmaken, ieder bot, iedere centimeter. Ik wil haar op een hoop vegen en in een hoek laten liggen. Tot alle leugens eruit gesijpeld zijn, alle woede geblust, alle leven zoals zij het kent verdwenen is. En dan wil ik haar oprapen. Niet eerder. Haar schouders rond mijn schouders draperen, haar buik om de mijne spannen, haar vingers vullen met mijn eigen handen. Haar hoofd. Haar hart. Uitgeschraapt. Leeggeroofd. En dat ík daar dan in pas. Zoals het al die tijd had gemoeten.