Tast

Op het perron snijdt de wind. Ze duikt dieper in haar jas en probeert de trein het station binnen te bezweren. Ze tuurt maar het mag nog niet baten. Ze loopt over de witte lijn een eindje het perron af. Eén stap ernaast. Jammer. Ze maakt een hoek van 90 graden naar links en loopt recht op een paal af. Bij de paal slaat ze weer linksaf, ze moet zich bedwingen geen marcherende bewegingen te maken. Het is nog steeds koud. Er is nog steeds geen trein. Ze loopt langs een verweerd houten bankje waar niemand zit. Ze volgt de tegelrij, die is precies breed genoeg voor haar voeten. Vanuit haar ooghoek ziet ze iets staan onder de bank. Ze loopt door, stopt dan toch, draait zich om en loopt over dezelfde tegelrij terug.

Een soort koffertje. Of noem je dit een tas? Het zit ertussenin. Een aktetas is het niet. Een handtas met voorgevormde hoeken en een bovensluiting, definieert ze het voor zichzelf. Het heeft iets weg van zo’n ouderwets dokterstas, maar ook die omschrijving volstaat niet. De trein rolt eindelijk het station binnen. Zonder schroom neemt ze de tas onder het bankje vandaan en loopt terug naar de witte lijn. Ze positioneert zich hier. Nee. Nog een stap verder naar rechts. Ja. De dagelijkse gok is weer begonnen.

De trein glijdt langs haar – deur, deur, deur, dan staat hij definitief stil. Nèt niet, ze moet een pas naar rechts doen om in te kunnen stappen. Jammer. Ze neemt plaats in een vierzit, links tegen het raam aan. De tas zet ze op haar schoot. Terwijl de trein weer in beweging komt, kijkt ze rond in de coupé. Twee mannen, een vrouw. Einzelgängers. Achter haar hoort ze een kinderstem. Verder nog twee studenten. Ze beziet zichzelf vanuit de ogen van de passagiers.

Volgens mij ben ik wel iemand met zo’n tas. Ja, volgens mij past deze tas perfect op mijn schoot. Ze legt haar linkerhand om de twee hengsels die losjes tegen elkaar aan leunen bovenop de tas. Zeker: de hengsels zijn ook geknipt voor mijn vingers.

Ze tilt hem een stukje op. Hij is niet licht en niet zwaar. In een opwelling staat ze op. Ze loopt door het gangpad. Precies zoals ze dacht: hij heeft exact genoeg aanwezigheid om een fijne tas te zijn, zonder een last te worden. Hij hangt prettig naast haar, zonder te zwaaien of te slepen. Ze trekt een tussendeur open, stapt door naar de volgende coupé.

Hier zitten iets meer reizigers. Ze wandelt langs alle zitjes. Niemand die haar vorsend aankijkt. Zie je wel, ook hier ben ik iemand met exact zo’n tas, concludeert ze. Ze neemt plaats op het laatste bankje voor de volgende deur. Een tweezit, ditmaal. Ze zet de tas naast zich. Nee, toch op haar schoot. Ja. Ze kijkt naar buiten. Huizen. Dan bomen. Weer huizen. Dan weide. Er staan schapen in, maar ze is er alweer voorbij. Vliegende schapen, denkt ze. Alleen ben ik degene die erlangs vliegt. En toch vlogen ze voor mij. Voorbij. Voor mij. Ze glimlacht een heel klein beetje. Ze kijkt naast zich. Aan de overkant van het gangpad zit een man. Hij tuurt op zijn telefoon. Kijk eens op, denkt ze. Kijk op. Naar mij.

De man kijkt op. Ze kijkt snel weg en moet weer een beetje glimlachen. Haar vingers spelen met de hengsels van haar tas. Mijn tas, denkt ze tevreden. Ze kijkt naar buiten. Industrie. Rechte wegen. Dan weer bomen. Ze kijkt nog een keer naar de man. Nu kijkt híj snel weg, naar buiten. In de reflectie van de ruit kijken ze elkaar toch weer aan.

Vliegende schapen, zegt ze tegen hem.

Hij draait zijn hoofd, bedachtzaam, tot hij haar weer rechtstreeks aankijkt. “Ja,” zegt hij. “maar wíj zijn degenen die vliegen.”

Precies, zegt ze. En dan ook nog: exact. De man knikt. “De bomen zwaaien naar ons.” zegt de man.

Ze moet weer een beetje glimlachen. Wat een goeie tas is dit, denkt ze.