Jijen

Je leeft in verschillende werelden. Dat weet je, maar dat weet je niet. Je beweegt je van het ene speelvlak naar het andere, naadloos. Je bent jezelf hier, en ook daar. En toch zo anders. Want je hebt jezelf separaat uitgevonden ooit, in al die werelden. Jouw jij bestaat uit tig jijen. En zo gaat dat, want zo gaat dat. Bij iedereen. Met iedereen.

Als die ene jij opeens in een andere wereld zou staan, bestaan, dan zou je brein gaan haperen. Die jij hoort daar niet. De jij van instanties te woord staan is niet de jij van de eerste date. De jij van je collega’s kent de jij van alleen voor de televisie niet. De jij van kwetsbaarheid kent de jij van overmoedigheid niet.

Soms vervloeien ze kortstondig. Dan pint de een de ander vast op de keukenstoel, grijpt ‘m bij de haren en schreeuwt ‘m in het gezicht. Dat heet helpen. Dat heet oppeppen, jezelf, voor dat ene moeilijke moment waarvoor er nog geen jij bestaat. In die kortstondige merge kunnen nieuwe jijen ontstaan. Soms. Maar soms sneuvelt er ook eentje. Plaatsgebrek. Overbodigheid. Of gewoon geen ruimte meer voor in deze wereld. Hoe ouder we worden, hoe meer we gaan recyclen. Die ene jij, die eigenlijk in de jaren negentig had mogen blijven, loopt nu nog steeds rond. Hij heeft wel iets ingeboet op grote mond, maar hij is er nog. Gehavend of vastgeroest. Beschamend of hilarisch.

Soms ziet een van mijn ikken een jij – ergens, in een situatie – waarvan ik denk ‘die had weg gemogen, mevrouw’. Of ‘die moet je verder uitbouwen, meneer’. Maar onze jijen zullen nooit spreken over ons multibestaan. Nooit. Wij als mensheid hebben afgesproken dat wij één ik zijn, per persoon. Ook al weten we dat dat niet zo is. Wij willen overzicht. Redundant. Jij bent jij, ik ben ik.

Dus wanneer ik zeg ‘jij bent leuk’, weten we allebei stiekem wel dat één van mijn ikken één van jouw jijen op prijs stelt. Niet meer dan dat. Als die jij op het verkeerde moment, in de verkeerde wereld van zich laat horen, of als een andere ik een andere jij… Ja. Dat. Bijvoorbeeld. Kruislings vermenigvuldigbaar tot in de oneindigheid der wijen.

Maar god, wat ben jíj leuk zeg.