Omslachtig

Er is een verschil tussen denken en in gedachten tegen jezelf praten. Bij dit laatste is je stem anders, bewuster, je vormt mooie zinnen, je hoort het in je hoofd in je eigen stemkleur. Je ik in je ik. Terwijl gewone onbewuste gedachten er gewoon zijn, als liftmuziek, zonder duidelijke klank. Ik schrijf allang niet meer. Niet zoals toen. In mijn hoofd gaan de woorden door, maar die blijven steken tussen werk en huishouden. Maar ik praat nog evenveel tegen mezelf, aan de binnenkant van mijn hoofd.

Ook heb ik uitgebreide fictieve gesprekken met anderen. Af en toe druppelt een zin uit één van die gesprekken het echte leven in. Dan voel ik een soort triomf, of misschien eerder een soort opluchting – dat dit een zin bleek die níet voor eeuwig onbestaand bleef. Laatst vroeg ik me af of de ratio onbestaand/bestaand nog wel naar de goede kant uitsloeg. En toen dacht ik daar weer overheen dat als je je moet afvragen of je fictieve gesprekken de overhand krijgen op de echte, je waarschijnlijk al aan de verkeerde kant zit.

Soms word ik wakker en ben ik tevreden. Omdat ik weer in de maatschappij pas. Soms kan ik niet slapen omdat mijn brein te fictief-druk is. Dan voel ik me een bedrieger, iemand die zich onder de mensen begeeft en doet alsof ze normaal is, maar die stiekem nog best kapot is in haar hoofd, en dat gewoon heel goed weet te camoufleren. Dan vraag ik me af of dat wel mag. Of je zo wel mee mag doen, of dat mensen eigenlijk het recht hebben om te weten dat je defect bent, nooit echt dáár bent maar altijd in je hoofd, en dat ze dan kil ‘ja hallo, jíj bent af’ mogen zeggen en je de rug toekeren terwijl ze met normale mensen verder converseren.

De zin die ik in mijn hoofd het vaakst tegen mezelf zeg is ‘Houd nou eens op. Probeer gewoon in het écht te zijn, in het nú, in het híer, in plaats van in je gedachten’. Toen ik nog een therapeut had, hadden we mijn innerlijke stem ‘the narrator’ genoemd. Die de hele dag commentaar levert op mezelf. Die dingen van betekenis voorziet, gedragingen duidt. Want niets is echt totdat mijn narrator het geanalyseerd heeft. Hoe moeizamer het echte leven, hoe drukker de narrator het krijgt. En hoe vermoeiender ik het echte leven vind.

U ziet het patroon hè?
Ja. Ik ook. En ik ook.