Meer dan je had

Het is niets. Er is niets. Je loopt en het licht hangt laag vandaag, de zon in je achteruitkijkspiegel en de plastic kroonluchters in de hal van het tweederangs hotel en je ziel ging mee, halfstok richting donker. Daar waar de hond nachtelijk blaft, nacht na nacht op het verlaten erf, daar ben je thuis om de hoek van zijn canine klaagzang. Het is niets. Er is niets. Je zei het, omdat je het meende. Je vluchtte, dat weet je wel. Waar de zee in je oren klotst, tot je kaken zoemen van zilte spijt, waar je voeten diep moeten ploegen want de wind staat altijd tegen, zoals dit leven je tegenstaat – je zet je schrap en blijft gaan, gáán alsof er niets te verbijten valt behalve zandkorrels tussen je tanden. Het is niets, er is niets.

Nu jij hier bent, en zij daar, nu kun je het pas willen. Meer dan je had, meer dan er was, meer dan ze je gaf. Want geven staat niet gelijk aan krijgen, al duurde het lang voor je dat doorhad. Ze is gewapend, een krijger in de puurste zin van het woord. Je kunt er niet door, niet omheen. Je mag naast haar leven maar niet met haar, je mag in haar maar niet bij haar, ze laat je voelen dat dichtbij met zevenmijlslaarzen nog niet overbrugbaar is. Het is niets, er is niets, het leek niets toen je daar was maar nu je hier voor de golven staat (buiten adem en met spierpijn) nu je meedeint op het ritme, nu kun je het pas voelen. Haar dichtbij is niet jouw dichtbij en haar alles is jouw niets, haar laten jouw doen, haar hart in de keel jouw ziel onder de arm.

Het is niets.
Er is niets.

En wat er wel is, heb je zelf verzonnen.