Mengellief

In alle hectiek vergeet ik het wel eens, maar er zit nog lief in mij. Het heeft alleen geen trampoline meer. Het is nu zaak er een touwladdertje voor te knopen. Een voorzichtige, niet op de onzekere, maar op de bedachtzame manier. En dan kijken.
Kijken naar wat het doet. Zo zonder springstof. Of je het nog herkent. Ik dus. Want jij bent de jij niet meer die je was toen het nog anders was. Jij was een andere jij. Er zijn al veel jijen geweest. De een lang en rood, de ander donker en breed – jij was altijd een tijdje jij, tot je hij werd. En dan kwam er weer een nieuwe jij.
Maar lief is lief, dacht ik altijd. Lief zijn, hebben, voelen. Zoals dat gaat als ik jou tegenkom. Dat het vanzelf opspat, vlekken maakt (die wanneer je niet goed opruimt, langzaam inbranden in het relatietapijt).

Ik dacht eigenlijk altijd dat mijn innerlijke lief gewoon ík was. Zoals mijn haren ik zijn, en mijn handen. Zoals mijn borsten ik zijn, en mijn lach. Het was mijn lief. Waar ik mee geboren was. Dat er gewoon inzat, en eruit kon komen – of niet. Zo.
Maar nu (het nu dat kwam toen jij kwam) blijkt al dat lief nooit mijn lief te zijn geweest. Het bleek mengellief. Lief dat gesponnen werd uit twee harten, twee monden, twee hoofden. Dat lief bleek voorwaardelijk: als jij, dan ik. Niet meer en niet minder.

Nu jij er bent, jij die opgesloten zit in het vacuüm dat jouw wereld is, nu blijkt mijn lief verdwenen. Mijn lief zoals ik dat ken. Het is er niet. Het was er nog wel, in het begin, en het stuiterde hoog, maar het stootte keer op keer het hoofd. Boeink. Boeink. Lager en lager sprong het steeds, tot het niet meer boven de hartegrens uit kwam. Daar werd het iets dat ik niet ken.

Het gevolg is dat mijn lief mijn lief niet blijkt. Dat lief, dat er altijd was, dat gemaakt bleek te worden door het tegenlief dat jij gaf. Die andere jijen dus, niet jij. En nu?

Nu zijn we tientallen maanden verder en blijkt er een stuk leven vol trampolineloosheid te zijn geweest. Liefloos. Opgeslokt door het opbouwen van jouw jij en mijn mij, heb ik het niet eens zien vertrekken. Maar nu ik hier zit, zachtjes in de stilte van wat ik blijk te kunnen, voel ik soms voorzichtig wat zachts langs mijn innerlijk strijken. Het richt zich op een gezongen zin, of een zachte vacht, of soms zelfs op een onzekere blik in een televisieprogramma. Maar het is er nog. Het is er nog. Ik ben niet afgestompt, alleen maar alleen gelaten. Niet verlaten, maar dichtbijlaten. Uw naaste. Nu ik de touwladder knoop, is het enige waar ik op moet letten dit: dat ik hem uiteindelijk aan de juiste jij vastknoop.