Chapter 38: common sense

Of ze nog gelukkig waren. De makelaar vroeg het om zijn sales pitch af te kunnen draaien, maar het trof hem op een veel persoonlijker niveau. Of hij nog gelukkig was. Of hij überhaupt de afgelopen pakweg tien jaar daar een moment bij stilgestaan had. Of hij misschien niet meer aan introspectie had moeten doen, en minder aan de voortuin in orde houden. Of hij misschien niet meer had moeten eisen van zichzelf, van zijn leven, dan hij had gedaan.

Ze waren ergens onderweg een hobbelweg ingeslagen, een pad dat hij bij veel stellen in hun omgeving terug zag. Een mengelmoes van gewoonten en gelatenheid, van onderdrukte irritatie en geen zin in ruzie hebben. Van opgeven en loslaten. Waar ze zeventien jaar geleden als twee identiteiten met oprechte wensen en dromen bij elkaar kwamen, zo waren ze nu een holle twee-eenheid die zichzelf voortstuwde geworden. Geen van beiden leken ze gekozen te hebben voor dit leven, met deze woonkamerinrichting, met deze auto en deze twee teckels.

Hij wist het wel. Hij voelde het. Als ze ‘s avonds televisie keken en er onverhoopt een sexy scene voorbij kwam, keken ze elkaar nadrukkelijk niet aan. Terwijl de Brads en de Jennifers zich op elkaar stortten, soms heftig gepassioneerd, soms breekbaar ontroerend, keek hij snel op zijn mobiel of er nog belangrijk nieuws was, terwijl zij in het aquarium staarde om te zien of de maanvissen nog voer hadden. Bijna voelbaar hing het falen in de lucht. De afgelopen tien jaar hadden ze nog amper seks gehad. Ja, het verplichte halfjaarlijkse gerommel in het donker, waarbij de een zich ongemakkelijk voelde en de ander zich kapot leek te schamen. Wildvreemden in bed. Maar ze wisten dat ze toch zo nu en dan wel móesten, voor de statistieken. Anders konden ze er zelf niet eens meer in geloven.

Of ze nog gelukkig waren. Of ze die eenhoorn en die elfjes nog ergens in een doos hadden liggen. Diep weggeborgen onder lagen van grijze containers en stofzuigerzakken en ritjes naar de glasbak. Onder boodschappenlijstjes en schoenen inspuiten en sneeuw van de oprit scheppen. Onder ingehouden zuchten en ‘jaahaa’ en ‘nee niks’ en ‘laat maar’. Onder ‘dat zou mijn vrouw nooit willen’ en ‘daar hebben we het geld niet voor’ en ‘is dat echt nodig?’ Onder al die lamellen afwassen en oliepeilen controleren en heggen snoeien – zat daar nog dat sprookje? Zat daar nog die klaterende lach van haar, die adremheid van hem, die avonden met een fles wijn boven een dek onaangeraakte kaarten? Druk pratend en constant elkaars ogen opzoekend, om te zien of die ander net zo genoot als jij?

‘En hier is de bijkeuken, waar u mooi het witgoed en het gereedschap kwijt zou kunnen’. De makelaar liep al door, maar hij bleef in de deuropening staan en staarde het lege hok in.
Hij zou nog wel véél meer kwijt willen dan de wasmachine en zijn dopsleutels.