Get. Ver. Démme

Ik dacht dus dat ik niet zo iemand was. Maar dan blijkt, en dan moet je dus toch je idee, enzovoort. Dat valt tegen. Dat je dacht dat ándere mensen, van die types, dat díe. Maar jij niet. Nee joh, jij nooit. Maar dat er dan door samenloop van, dat het dan toch gebeurt. En dat je dan eerst in de ontkenningsfase, je weet wel, dat je er gewoon niet aan denkt want dan bestaat het niet. Dat je dat dan een tijdje doet, een dag, twee dagen, en dat er dan wéér zoiets gebeurt. Ja maar echt. En dat je dan denkt, dat je dan móet denken potverdomme, ik ben dus wél. Dus verdorie wél. Zo. Iemand. Get. Ver. Demme. Maar dat er dan toch geen ontkennen meer aan is.

Niet dat het iets heel ergs, ofzo. Het zijn maar kleinigheden. Verstrooid. Komt natuurlijk door de moeheid. Want veel te veel, te druk, te lang. Snap ik wel. Maar zelfs dan. Ik, met al mijn ideeën over mezelf. En natuurlijk kom je er dan achter dat je stiekem, onbewust, al die tijd hebt gedacht dat ‘dat soort mensen’, je weet wel, de mensen die dat wél overkomt – dat dat dus een bepaald slag mensen waren. Van die ongeorganiseerde, laatmaarwaaien types. Zonder verantwoordelijkheidsgevoel, van die achwatmaakthetuit en als het niet linksom, dan. Get. Ver. Demme. Maar nu het je zelf gebeurd is, tot twéé keer toe in één week, nu moet je dus – en dat valt dan toch tegen.

Maar écht tegen hè. Niet gewoon zo’n loze kreet, zo’n losse ‘valt toch tegen hè’ maar een serieuze, zwaarwegende, vloekopwekkende échte realisatie dat het tegenvalt. Dat je minder aankunt dan je dacht, voor je dus vervalt in dat soort verstrooidheden. Vervalt ja. Want je keek er op neer, zo bleek. Maar nu zit je daar dus. Met je realisatie en je desillusie. Met je zelfbeeld en je scherven. En jaahaa, het zijn maar kleine dingen, dat zei ik toch al? Dat weet ik wel, maar toch. Maar toch. Nog nooit eerder heb ik mijn bushalte gemist. Niet een beetje, maar echt pas in een klein rotdorpje erachter komen dat je danig te lang bent blijven zitten op weg naar huis. En toen dus twee dagen later gewoon keihard een uur te laat naar je werk gaan. Want afwijkende tijden. En dat wist ik dus, dat wist ik echt. Ik heb het zelfs nog met mensen erover gehad. Maar op de dag zelf, en er dan natuurlijk te laat achter komen, en dan in de stress, je snapt het.

Maar goed. Je lacht er maar over, dat doe je dan maar want wat moet je anders. Wat maakt het allemaal uit, in the end? Een haltetje missen – waar maak je je druk om meid. Ik snap het wel, vanuit een gezonde afstand is het ook gewoon een beetje grappig. Maar ondertussen kruip ik er met mijn neus bovenop, en kom ik er dus achter dat ik daar slecht tegen kan. Wat dan natuurlijk weer véél meer zegt over mezelf dan het voorval op zich. En dáár ga ik dan óók weer met de neus bovenop – u ziet het al gebeuren hè? Ja, ik ook. Ik ook. Maar zo is het. Hilarisch, eigenlijk, maar dieptriest ook. Goed. Hoppa. Deal with it, enzo. Je bent nu eenmaal een beetje stuk, daarboven. Die wandelpaden in je brein doen nu eenmaal niet wat ze moeten doen. Die leiden je vaak naar achterafkamertjes zonder ramen, en hebben diepe kraters in het hobbelige wegdek. Weet je toch al langer? Nou dan. Het komt wel. Geduld. Niet in paniek. Geen man overboord. Maar ook díe gedachten nemen dus exact diezelfde kronkelpaden en komen dus nooit aan op hun bestemming. Ha. Ha.

Mja.
Rommelaar.

Nee joh, beetje lief zijn voor jezelf.
Prutsertje.

Wat zeg ik nou?
Stomme troela.
Getverdémme.

Zucht.