Eenakter

Ze laat zich langzaam zakken, de stoel lijkt haast klam van de kille vochtigheid. Een in stilte gekozen plaats, liefst niet voor deze doeleinden ontworpen, waar de groep hun kleding afpelt. Huid op hout, altijd de voorzichtigheid. Splinters van de laatste ontmoeting dringen door in het hier en nu. Hoeveel lichamen laatst? De overdaad aan naaktheid vormt een besloten wereld, een deken van ledematen, schakeringen vervallen tot doorbloede vaten. Hoeveel telt ze er nu? Tellen is niet het woord, ervaren, aanvoelen. Gokken? Schatten. Soms stuitte je plotseling op iets, een blik, een gebaar. De man die je ogen leek te peilen alvorens daadwerkelijk te vullen. Soms mis, hij peilde je gewilligheid betreffende andere openingen. Soms raak, een poging tot intimiteit. Altijd misplaatst in de kluwen maar een oprecht gebaar van een beginner, nog niet aangetast door de routine van het mogen.

Eén is allemaal, alles is eender en allemaal alleen. Een samenkomst ingegeven door de hoop op meer dan de werkelijkheid. Niemand wil de buitenstaander zijn, maar ieder blijft in zijn veilige cocon van gedachten. Nooit uitwisselen. Er is wel geluid, de verwachte kreunen, op het juiste moment geplaatst door de verkeerde persoon. Wishfull fucking. Het hout warmt op tussen alle frictie. Haar benen worden haast ongeïnteresseerd omhoog gehouden, ogen de andere kant op gericht. Wij zijn hier niet, wij staan verderop. Een blik vooruit leert haar dat er wachtenden zijn, een blik opzij dat er toeschouwers zijn. De ringen van de boom altijd netjes op jaar gerangschikt; deze kring opgebouwd uit wil en lef: drangschikking. Dertig navels verworden tot één archetypisch litteken, één is allemaal, alles is eender. Alleen de ogen blijven. Meestal geloken, gericht op waar de actie plaatsvindt. Ze wordt opgetild en over de stoel gedrapeerd. Knie hier, arm daar en door.

Het wegdrijvende bewustzijn: ze gaat op in de geur van lichamelijkheid, in het voelen van de broeiende hitte van twee aparte ritmes in haar, in het zien van hetzelfde en meer verderop in de ruimte. Roes is wat men zegt als men niets en tegelijkertijd alles ervaart. Het is niet onprettig, deze manier van dierlijkheid. Ze laat zich wiegen door andermans driften. Geen oogcontact te maken in deze positie, als ze straks naar buiten loopt kan ze met geen mogelijkheid aanwijzen wiens residu er langs haar dijen sijpelt. Eén is allemaal, hier ben je samen en wijzen heeft geen functie. Een hand op haar rug, zacht aaiend. Een hand op haar billen, strelend. Een hand op haar buik, krassend. Haar borsten worden gekneed vanuit verschillende hoeken. Geen andere keuze dan in jezelf te keren. Een pulserende, kreunende meute vol zelfbevredigers, allemaal druk in de weer met bezig zijn om achteraf erbij te zijn geweest. Uiteindelijk is alles eender, en ze zijn allemaal alleen. Ze zakt op haar ellebogen en sluit haar ogen.

(Overgeheveld van mijn oude blog.)