Dwars

Ik praat ik praat, kijk op, zie mijn natte wangen, voel mijn tong branden: snijdende, schroeiende woorden uit mijn keel, het vat weer geopend, geen houden aan, toch wel, toch wel. Ik sluit geruisloos de spelonken, fluister me weer dichterbij, aai mijn wangen droog, lik mijn wonden met diezelfde tong. Dralend stagneert de diepte in mij, ik duw ik duw het heeft geen zin, ik wijk geen millimeter. De worm snapt mij meer dan wat als mens door het leven gaat: het is overleven wat de klok slaat, dag in dag uit. Breng mij niet de boodschap van de dagelijksheid, hij glijdt gestaag mijn ruggengraat langs, geen plaats hier, geen tijd. Kan het echt zo zijn dat alles bestaat, dat deze wereld zomaar is, zo simpelweg is, en ik daarin beweeg? Alsof twee lagen beeld over elkaar gelegd zijn: ik ben er wel, ik hoor er niet, leef er niet, begrijp er niet. Het ziet er goed uit, van een afstandje, niet te onderscheiden van de rest, maar het klopt niet, het klopt niet. De gillende onrust in wat ik als ik beschouw, trillend verlangen op te gaan in gehelen, in delen van wat laag over laag is samengevoegd. Mijn geest, het rijk voor zich alleen, de beelden overlappen maar spreken niet dezelfde taal, hoogstens een beleefd knikken waar onbegrip zijn intrede doet, maar zie, maar zie, ik heb een lichaam, ik strooi het rond. Deze borsten, ze zijn van mij, deze handen, deze buik, mijn knieën, dit lichaam kan ik bieden, raak me aan, dat lijkt wel wat op samenzijn, laat mij ergens samen kunnen zijn, zie mij dit lichaam delen, neem wat je behoeft, wat ik behoef. Verscheur mij, kraak mij, dring mij om je heen, laat mij delen wat niet deelbaar is. Lief geeft zacht maar in mij is geen lief geen zacht maar schreeuw en vuur en bonkende vuisten tegen het beslagen glas dus breek mij, ruw mij opdat ik voelen kan wat gebroken is, opdat ik delen kan in ondeelbaarheid, opdat ons samenzijn de schijn van eenheid krijgt, met dit gevoel als brug tussen geest en wereld, tussen ik en hier, laat dat een reden zijn om door te gaan. Ik duw ik duw mijn nagels in mijn palm het lukt het helpt ik ga vooruit, zie mij, zie mij de deur openen, de stenen onder mijn voeten klaar om mij te dragen. De straat, de stoep, de wereld waar ik over loop, de wereld waar ik overloop, ik lek mijn zelf in kleine plasjes op de ruwe tegels. Ik snuif, zie mij ademen, zie mij hier staan, alsof het klopt, alsof het niet anders had kunnen zijn, ik ben er toch, zie eens, ik ben er toch. De voet voor voet naar verderop, het niets dat mij omringend perst naar daar waar ik mag zijn, schuif nog even tot het beeld klopt, laat los en zie hoe ik vervaag in dit geheel. Dan stap voor stap de straathoek dichterbij, ik nader, zie mij gaan, mijn wimpers trillend in de wind, mijn lijf vooruit vooruit ga door. Dan hoofd raakt grond, bloed uit mijn oor, bloed uit mijn neus, wat gaat er mis wat is er wat gebeurt er, de wereld is gekanteld, maar ik sta nog rechtop, ja, ik sta hier toch zeker, zeker, ik ben niet gevallen, enkel de wereld is gekanteld, zomaar, plots, geniepig zonder aankondiging. De ruwe stenen in mijn wang, ik voel ze schrapen, duwen, schouder rauw. Ik weiger dit, ik ben er net, ik ging zo goed, zie mij hier lopen, ik ben er toch. Ik zet een stap, ga door, ga door, mijn voet mijn knie mijn heup schraapt stoep maar het is niet wat het lijkt, het is niet wat het lijkt. Ik sta hier nog rechtop, gewoon, gewoon, ziet u: de wereld is gekanteld, slagzij overboord mijn zijn. Stil, zo stil, mijn vluchtende geest voorop, ik kom er wel, de deur – ik zie hem al. Wat kijken jullie vreemd, zo vreemd, laat mij maar lopen, verder, verder, weg van jullie allemaal, ik heb een doel, ik ga vooruit, de voet voor voet ik kom er wel raak mij niet aan til mij niet op ik ben nooit gevallen, het is de wereld die is gekanteld.

(Overgeheveld van mijn oude blog.)