Met scherp

‘Dit gaat zo niet langer.’ Ze zei het, maar wist niet of ze het echt meende. Of toch, soms – vaak meende ze het. Wanneer ze voor de vierde keer die dag langskwam, omdat er een rare kuch was geweest, of omdat hij zo hevig zweette, zo plots. Of wanneer ze op het punt stond in bad te gaan, en de telefoon ging. Dat ze dan op moest nemen, want als ze dat niet deed, dan hadden ze binnen tien minuten de buren, haar zus, de huisarts en de ambulance gebeld. Niet omdat het zo dringend was, maar om haar het gevoel te geven dat ze tekort schoot.

Tekortschieten kon ze als geen ander. Wanneer ze niet meteen overtuigd was van de noodzaak meteen langs te komen. Wanneer ze iets sussends zei in plaats van net zo in paniek te raken als hen. Wanneer ze tegen artsen, specialisten of ander medisch personeel een realistisch verslag gaf, in plaats van hun gekleurde realiteit. Of – de ergste van allemaal – wanneer ze onverhoopt eens werkelijk iets onderschat bleek te hebben tussen de stroom pijntjes, kwaaltjes en vage symptomen. En een verpleegster na een week zei dat ze misschien beter wat eerder hadden kunnen komen. Dan voelde ze hun koude blikken op haar huid prikken. Want ergens in de afgelopen jaren was het zo gegroeid dat zij als oudste dochter – en niet haar ouders zelf – besliste wat er moest gebeuren bij elke ‘situatie’, zoals haar moeder het altijd noemde.

‘Dit is niet meer haalbaar voor hem.’ Ze zei het en wist meteen dat haar moeder er net zo glashard doorheen keek als zijzelf: voor hem, of voor jou? Ze hoefde haar niet eens aan te kijken om het schuldgevoel al te voelen opborrelen. ‘Ik bedoel, hij heeft geen rust meer, en jij ook niet mam.’ Ze besloot door te gaan, net zo lang tot de knoop in haar maag weg was. ‘Het komt zijn gezondheid, voor zover we daar nog van kunnen spreken, absoluut niet ten goede als hij constant bang is. Bang voor pijn, bang voor te laat komende hulp, en jij kunt zelf toch ook niet meer rustig eens tv kijken?’ Voor ze iets kon tegenwerpen ging ze verder. ‘Zo wordt hij alleen maar zieker, dat weet je. Stress verergert alles, dus ook dit.’ Ze slikte.

‘Het zou toch veel beter zijn als hij constant in het oog werd gehouden? Als hij niet hele dagen en nachten in angst ligt of hij op tijd aan de bel kan trekken?’ Voor het eerst sinds ze de woonkamer ingestapt was, keek ze haar moeder aan. Ze had verwacht haar als een in elkaar gedoken vogeltje op de bank te zien zitten, maar wat ze zag was vuur in haar ogen, en een strakke mond. Ze kende die mond maar al te goed. Als ze vroeger de moed had verzameld om te vragen of ze met een vriendin misschien, alleen als het uitkwam natuurlijk, het hoeft ook niet echt maar ze was gevraagd en dan was het toch wel zo beleefd, dat ze een keer, haar vader brengt ons en de film duurt maar tot, zou ze dan misschien – dan verstrakte het gelaat van haar moeder al, en wist ze dat het vergeefs was. In de loop der jaren had ze geleerd dat niet kijken beter was, dan kon ze heel soms toch – toen ze al lang en breed uit huis was – iets mededelen. En dan snel uit de voeten maken.

‘Je hebt gelijk.’

Haar ogen werden groot. Haar moeder? Zei haar moeder dat nu? ‘Het is ook uitputtend. Als ik nu nog jong in de benen was, vooruit, maar dit is bijna niet meer op te brengen. En je vader wordt daar alleen maar onrustiger van. Ik roep al altijd aan de trap dat ik eraan kom, maar je kent hem hè.’ Beetpakken, nu, met twee handen, dacht ze. ‘Precies, mam, je weet dat het voor jullie beter zou zijn. Wie weet knapt hij zelfs wel wat op als hij minder spanningen heeft.’ Haar moeder knikte, heftig, bijna driftig. ‘Ja ik heb er ook al wel over gedacht, het zou een grote verandering zijn voor ons allemaal, en ik wilde niet degene zijn die… maar nu je zelf ermee komt: we kunnen de opslagkamer uitruimen, dat kan allemaal de zolder op, en ik heb gemeten, er past gewoon een twijfelaar in, met nog net één nachtkastje ernaast, en dan laten we de grote linnenkast staan en daar kunnen dan je spullen zover wel in denk ik.’

Ze knipperde met haar ogen. Er raasde iets door haar maag. Ze kreeg kippenvel op haar schouderbladen en omklemde met haar ene hand heel hard haar andere pols. ‘Uh… nou… nou ik, ik…’ Haar moeders ogen stonden glashard, ze keken haar strak aan. Ze voelde misselijkheid opkomen. ‘Ik… we hebben het er nog over, oké? Misschien zijn we wat voorbarig, ik bedoel, hij heeft gelukkig ook nog veel goede momenten, en ik zou ook niet jullie… jullie dagelijkse ritme helemaal uh…’

‘Goed kind,’ zei haar moeder opgeruimd, ‘wie weet lopen we inderdaad te hard van stapel. Kun je nog boodschappen voor ons doen? En je vader zei dat de lakens erg nat waren, misschien dat de koorts weer opgelaaid is…’ Ze hoestte, schraapte haar keel. ‘Nee natuurlijk, maak maar een lijstje, geen probleem, ik ga meteen even bij hem kijken, zal ik de lakens ineens verschonen?’ Haar moeder knikte, stond op, klopte haar rok af en liep de keuken in.