Doktertje spelen

Ik stond dus met een potje bloed in mijn hand.

Dat zat zo: lief was dus weer eens gaan beachvolleyballen. Lang niet gedaan, gezellig, de volleybalploeg weer zien, iedereen joviaal, en voor je het weet heb je een rijtje Palmpjes voor je staan. En die kieper je dan zo nonchalant mogelijk achterover, terwijl je normaal amper drinkt. En dan ga je dus sporten. Terwijl het ook nog net heeft geregend. En het zand dus bultig en hard is. En dan springen, naar die bal dus. En daar hoort vallen bij natuurlijk. En dan kom je dus uiteraard nét verkeerd op je knie terecht. En dat doet dan pijn, maar niet echt heel erg ontzettend enorm veel. En dan kom je thuis en neem je voor de zekerheid een warm bad. En dan wordt je midden in de nacht wakker van de pijn in je opgezwollen knie. En dan kun je ‘s ochtends niet meer lopen. En dan maak je dus een afspraak bij de dokter. Waar je vriendin je dan wel even heen fietst.

En dan kom je dus getweeën binnen bij die dokter, en die zegt dan ‘hmhm’ en ‘aha’ en ‘ga maar eens even liggen dan ga ik eens in die zwelling prikken’ en ‘er zijn twee opties, als er vocht in zit valt het wel mee, als het bloed is kan het ernstig zijn’. En dan pakt die dokter dus een lange naald, en zo’n fijne plastic spuit waar je vroeger in het ziekenhuis mee mocht spelen. En dan steekt die dokter die naald in die knie en begint met die spuit de zwelling eruit te trekken. En dat schiet lekker op, binnen een seconde of twee is de spuit vol. En knalrood. ‘Bloed dus’, denk je dan met een opgeruimde blik, je al bijna een professionele dokter wanend. En dan pakt die echte dokter een potje en kijkt hij een beetje hulpeloos om zich heen. En dan kijkt die dokter op en vraagt aan mij of ik dat potje misschien even vast kan houden. En dat kan ik natuurlijk. En dan spuit die dokter daar dus dat bloed in, om aan de volgende ronde te kunnen beginnen.

En zo stond ik dus met een potje bloed in mijn hand.

En de knieën van lief zijn niet de kleinste exemplaren. Dus die spuit, die bleef maar keer op keer volraken. En dus dat kekke potje gaandeweg ook. ‘We zitten al op 60 cc’ zegt die dokter dan. En lief ligt daar maar naar het saaie plafond te staren. En dan sta ik dus wat hulpeloos naar dat potje te kijken, en vooral naar het bloed dat tot de rand staat. En dan denkt die dokter even na. En dan zegt hij ‘ach, gooi dat potje maar even leeg in de lavabo daar, het hoeft toch niet naar het lab’. En dan weet ik dat lavabo het Belgische woord voor wasbakje is, dus dan kom ik in actie. En terwijl die dokter uitlegt dat er een afspraak voor een MRI-scan gemaakt moet worden, gevolgd door een afspraak bij een knie-specialist, wandel ik naar het bewuste wasbakje.

En dan.

Dan bestaan er dus van die reflexen. Van die handige, nog-voor-je-er-echt-over-nagedacht-hebt dingen die bijna automatisch lijken te gaan. Dan wil mijn linkerhand dus dat potje leegkieperen. Maar dan schiet mijn rechterhand reflexmatig uit om dat obstakel dat in het wasbakje ligt aan de kant te leggen zodat ik het bloed er niet overheen kieper.

En dan blijkt er dus gelukkig een soort dubbele reflex te bestaan. Of een soort reflex-om-je-reflex-tegen-te-gaan. Dus dan trek ik nog net op het allerlaatste nippertje mijn rechterhand terug. Omdat er toch zoiets in je hoofd is dat dan opeens begint te roepen ‘AFBLIJVEN AFBLIJVEN IEUW IEUW DAT IS EEN SPECULUM NIET AANRAKEN’. En op zich zijn die metalen eendenbekken niet zo erg natuurlijk, maar wel als het een eendenbek is die overduidelijk zojuist In. Iemand. Heeft. Gezeten. En die iemand, dat ben je dus zeker weten niet zelf geweest.

Dus dan flikker je de inhoud van dat potje maar zo goed en zo kwaad als het gaat langs dat speculum af in de afvoer, en probeer je een veelbetekenende blik richting lief te werpen die ten eerste totaal niet snapt waar het over gaat omdat hij niet in het wasbakje kan kijken en ten tweede je blik helemaal niet beantwoordt omdat er een dikke naald in zijn knie zit en hij dus de seconden een beetje ligt af te tellen tot het voorbij is. Dus dan ga je maar weer braaf naast die dokter staan om de overige volle spuiten op te vangen tot er alleen nog wat belletjes uitkomen en lief opeens ‘auw’ roept en de dokter daardoor weet dat er nu geen bloed meer over is om zijn spuit mee te vullen. En dat die dokter dan haast triomfantelijk meldt dat het ‘een dikke 100 cc’ was. Maar dat jij vooral zit te denken ‘wie gingen er allemaal voor ons die spreekkamer in’ omdat je toch ergens de neiging hebt dat speculum te willen plaatsen, in gedachten natuurlijk, bij zijn tijdelijke eigenaresse. En dat je gniffelt omdat de laatste patiënt een man was, en je opeens visioenen krijgt van de eerste man op aarde die een speculum in zijn achterwerk kreeg gemikt, want veel andere geschikte openingen daarvoor heeft hij natuurlijk niet.

En dat je dan nog net meekrijgt dat het tijd is om op te staan en je lief naar huis te fietsen. En dat je dan toch maar al je rare gedachten achterlaat in die spreekkamer om je Gewonde Man alle aandacht en zorg te geven die hij verdient. Maar dat je het toch niet helemaal kunt laten en er dus een paar dagen later toch nog even over logt. Over dat speculum-incident. Ik bedoel dus, over dat kapotte-knie-incident.

(Overgeheveld van mijn oude blog.)

Praat mee

*
* (nooit zichtbaar)