Zoals

We moeten nog zo lang. Ze zegt het zacht, in je oor in de trein in de leegte. Beweging is voor hen die met opgetrokken knieën in een boek kunnen leven. Je legt je hand op het raam, kijkt bomen door je vingers. Een schaap rust zijn kop in het kuiltje van je pink en ringvinger. Je balt een vuist. Misschien ben je al jaren bezig antwoorden te vinden op onbestaande vragen. Van niet-bestaande anderen. Een gebrek schreeuwt luider dan eenzaamheid voor het slapengaan. Je duwt een lok achter haar oor, legt je vingers op haar oogschaduw – sluit te hardhandig haar ogen. Bruusk. Zo draait zij zich van je af. Je knikt. Je had het zelf niet anders gedaan. Schuifelend naderen je voeten, zoek de inhammen van je zolen, een halve schoen vooruit en ze passen in elkaar. Wat valt er te sparen in wat te boek staat als ongeduld? Je hebt nooit níet geleefd, je hebt het enkel voortdurend koud gehad. Je zoekt woorden waar bestaan hoort te zijn. Het mag niet druppelsgewijs, houd je jezelf voor. Je drapeert je hand over je gezicht, de palm op je slaap, je wijsvinger over je wenkbrauwen. Het puntje van je neus als schaap. Je wacht, want je weet: alles komt als je even niet kijkt.